Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6698

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-08-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/59854, 06/59852, 06/59866
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2008:BC4734, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

MVV-vereiste / ratio/ hardheidsclausule

Gegrond beroep op hardheidsclausule, met name gelet op legale verblijf in Nederland en aangehaalde omstandigheden waarmee eisers buiten hun schuld zijn geconfronteerd -waardoor aan het legale verblijf een einde is gekomen- mede in aanmerking genomen de ratio van het mvv-vereiste.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vreemdelingenwet 2000 17
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNVR 2007/236

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Breda

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

Reg.nr(s):

AWB 06/59854

AWB 06/59852

AWB 06/59866

V-nr(s):

190.203.6329

190.203.6330

190.203.6456

uitspraak van de enkelvoudige kamer ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht d.d. 7 augustus 2007

in de zaak van

[Eiser], eiser,

[Eiseres 1], eiseres 1,

[Eiseres 2], eiseres 2,

(hierna ook: eisers), allen woonplaats kiezende ten kantore van hun gemachtigde

mr. A.H. Rijkse te Hulst,

en

de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde mr. I.J.A. Klep.

1. Procesverloop

1.1 Eisers hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 21 november 2006 (hierna: bestreden besluiten) inzake het recht op een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000).

1.2 Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

1.3 De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 10 juli 2007. Eisers zijn in persoon verschenen en zijn bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Eisers hebben gesteld respectievelijk te zijn geboren op [geboortedatum] 1965, [geboortedatum] 1958 en [geboortedatum] 1988, de Bosnische nationaliteit te bezitten en sedert 1998 als vreemdelingen in Nederland te verblijven. Eisers hebben bij aanvragen van 3 februari 2005 verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking, verband houdende met respectievelijk “arbeid als zelfstandige”, “verblijf bij echtgenoot” en “gezinshereniging bij ouders”.

2.2 Verweerder heeft, na een gevolgde bezwaarprocedure, de bestreden besluiten genomen. Deze besluiten strekken tot weigering eisers de onderhavige verblijfsvergunning te verlenen.

2.3 In dit geding dient te worden beoordeeld of de bestreden besluiten in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

2.4 Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte de aanvragen heeft afgewezen door hen het vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) tegen te werpen. Eisers zijn van mening dat zij in aanmerking dienen te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000). Van belang is dat eisers sedert hun komst naar Nederland in het bezit waren van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Door een geschil met de toenmalige werkgever is deze verblijfsvergunning komen te vervallen. De kantonrechter heeft later ook geoordeeld dat ten onrechte een ontbinding c.q. beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft plaatsgevonden. Eisers hebben bovendien in de periode waarin zij over een geldige verblijfsvergunning beschikten een woning gekocht waarop thans een hypothecaire schuld rust. Ten aanzien van eiseres 2 wordt opgemerkt dat zij al 10 jaar in Nederland woont en hier naar school gaat. Tot slot hebben eisers opgemerkt dat zij een bedrijf willen beginnen in de freesbranche. De vooruitzichten zijn positief te noemen nu hier in Nederland een chronisch tekort aan geschoold personeel in deze sector is.

Bij nadere gronden hebben eisers aangevoerd dat zij voor 1 april 2001 in Nederland zijn ingereisd en dat zij, ingeval zij asielaanvraag zouden hebben gedaan, deze waarschijnlijk zou zijn verleend. Eisers stellen dat zij hetzelfde behandeld dienen te worden als de vreemdeling-en die vallen onder de Regularisatieregeling en doen een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.5 De rechtbank neemt, in het licht van de aangevoerde beroepsgronden, het navolgende wettelijke kader tot uitgangspunt.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Volgens artikel 14, tweede lid, Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder a, Vb 2000 houden de in artikel 14, tweede lid, Vw 2000 bedoelde beperkingen verband met gezinshereniging of gezinsvorming.

Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder e, Vb 2000 houden de in artikel 14, tweede lid, Vw 2000 bedoelde beperkingen verband met het verrichten van arbeid als zelfstandige.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

In artikel 17, eerste lid, Vw 2000 is neergelegd welke categorieën vreemdelingen zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, Vb 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw 2000, afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.

Ingevolge het vierde lid van artikel 3.71, Vb 2000 kan verweerder het eerste lid van artikel 3.71 Vb 2000 buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.6 Niet in geschil is dat eisers niet beschikken over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de onderhavige verblijfsvergunningen zijn aangevraagd. Evenmin is in geschil dat eisers niet behoren tot de vreemdelingen die bij of krachtens artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, tot en met g, Vw 2000 van het wettelijk mvv-vereiste zijn vrijgesteld dan wel krachtens het bepaalde in artikel 3.71, tweede lid, Vb 2000.

Hieruit volgt dat verweerder op grond van artikel 3.71, eerste lid, Vb 2000 gehouden is de onderhavige aanvragen af te wijzen, tenzij hij gebruik maakt van de bevoegdheid om het eerste lid van artikel 3.71 Vb 2000 buiten toepassing te laten indien toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Ingevolge verweerders beleid inzake toepassing van de hardheidsclausule van artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000, zoals neergelegd in paragraaf B1/2.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt van de hardheidsclausule alleen gebruik gemaakt in zeer bijzondere gevallen. Dit beleid komt de rechtbank niet onredelijk voor, omdat in de Vw 2000 en het Vb 2000 al voor een groot aantal situaties de mogelijkheid van vrijstelling van het mvv-vereiste is geregeld.

2.7 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat hetgeen eisers hebben aangevoerd onvoldoende is om vrijstelling te verlenen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule.

De rechtbank stelt voorop dat het doel van het mvv-vereiste de regulering van de immigratie naar Nederland is. De wetgever heeft met het stellen van het mvv-vereiste beoogd het algemeen belang van de overheid te waarborgen, inhoudende dat zij bij haar onderzoek of de vreemdeling aan alle vereisten voor verblijfsaanvaarding voldoet, niet door diens illegale aanwezigheid alhier met alle gevolgen van dien voor een voldongen feit wordt geplaatst.

De rechtbank overweegt dat eisers sedert hun komst naar Nederland in het bezit waren van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en vervolgens enkele jaren legaal in Nederland hebben verbleven, alvorens hun verblijfsvergunning niet werd verlengd in verband met een arbeidsconflict tussen eiser en zijn werkgever. In de relatie tussen verweerder en eisers is dit laatste een omstandigheid die zich weliswaar aan de zijde van eisers heeft voorgedaan, maar dit neemt niet weg dat eiser in dit arbeidsconflict door de kantonrechter in het gelijk is gesteld. Dit brengt mee dat eisers geconfronteerd werden met problemen rondom de verlenging van hun verblijfsvergunning, van welke omstandigheid eisers als zodanig geen verwijt kan worden gemaakt.

Datzelfde heeft te gelden voor de omstandigheid dat het aanvechten van dit niet verlengen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geleid heeft tot een niet-ontvankelijkheid van een ingediend bezwaarschrift vanwege een nalatigheid van de toenmalige gemachtigde van eisers. Verweerder stelt weliswaar terecht dat deze uitspraak in rechte onaantastbaar is geworden, maar tevens staat vast dat ook hier feitelijk sprake is van een omstandigheid die eisers is overkomen. Door dit feit mee te wegen bij de beoordeling in het kader van artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000 wordt de onherroepelijkheid van de uitspraak niet geraakt. Voorts hebben eisers onbetwist gesteld dat zij na de voor hen negatieve uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg van 22 mei 2003 hiervan niet op de hoogte zijn gesteld door de toenmalige gemachtigde. Weliswaar hebben eisers een eigen verantwoordelijkheid om een lopende procedure te volgen, maar daar staat tegenover dat zij kort na het hen bekend worden van voornoemde uitspraak onderhavige aanvraag hebben ingediend.

Voorts zijn de feiten dat eisers reeds geruime tijd in Nederland zijn, eiseres 2 hier een driejarige studie volgt -waarvan zij reeds twee jaar heeft doorlopen- en het feit dat er financiële belangen van eisers spelen vanwege een gekochte woning en afgesloten hypotheek, op zichzelf genomen niet zodanig zwaarwegend dat verweerder in redelijkheid tot toepassing van artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000 had moeten komen. Dit neemt echter niet weg dat deze feiten de bijzondere situatie, waarin eisers door toedoen van anderen in zijn komen te verkeren, en de belangen van eisers onderstrepen. Eisers hebben voorts aangegeven dat zij geen beroep doen en ook nimmer hebben gedaan op de openbare kas.

Voornoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, en met name het legale verblijf in Nederland en de hiervoor aangehaalde omstandigheden waarmee eisers buiten hun schuld geconfronteerd zijn, waardoor aan het legale verblijf een einde is gekomen, zijn te kwalificeren als een zodanige samenloop van omstandigheden dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid kan vergen dat eisers een aanvraag tot afgifte van een mvv in het land van herkomst gaan indienen. De rechtbank is van oordeel dat deze met name genoemde omstandigheden in het kader van artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000 als zeer bijzonder dienen te worden aangemerkt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zij, gelet op voornoemde ratio van het mvv-vereiste, niet inziet dat de overheid in casu voor een voldongen feit wordt geplaatst met verstrekkende gevolgen, indien zij in het bijzondere geval van eisers het mvv-vereiste niet zou tegenwerpen.

Het voorgaande in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich, mede gelet op de daaraan ten grondslag gelegde motivering, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in de onderhavige gevallen niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat eisers aldus niet in aanmerking komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, vierde lid, Vb 2000.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

2.8 Op grond van het voorgaande zullen de beroepen gegrond worden verklaard en de bestreden besluiten worden vernietigd. Het betaalde griffierecht dient te worden vergoed. De rechtbank acht termen voor een proceskostenveroordeling aanwezig. De proceskosten zijn op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan eisers dient te betalen;

veroordeelt de Staat der Nederlanden als rechtspersoon tot vergoeding aan eisers van het betaalde griffierecht ad € 141,-.

Aldus gedaan door mr. S.A.M.L. van den Bosch-van de Sande, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2007, in tegenwoordigheid van F.M.C. Ronde, griffier.

Rechtsmiddelenclausule

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. (Nadere informatie: www.raadvanstate.nl)

afschrift verzonden op: