Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6542

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
26-10-2007
Zaaknummer
KG 07-1199
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verkrijging van een stuk grond door middel van extinctieve verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 5 oktober 2007,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/1199 van:

1. [eiser sub 1],

2. [eiseres sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

advocaten mrs. T.P. Hoekstra en J.B. van Dijk te Amsterdam,

t e g e n :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Remotus B.V.,

gevestigd te Noordwijkerhout,

gedaagde,

procureur mr. E. Grabandt,

advocaat mr. S. Mol te Utrecht.

1. Het procesverloop

Eisers hebben gedaagde op 4 oktober 2007 doen dagvaarden om op 5 oktober 2007 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op 5 oktober 2007 behandeld en spoedshalve is op diezelfde datum uitspraak gedaan. Daarvan is een uittreksel uit het audiëntieblad afgegeven met daarop de aantekening van voormeld vonnis.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 5 oktober 2007 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Eisers hebben sinds 2002 in eigendom het perceel staande en gelegen aan [adres 1]. Zij hebben het perceel verworven van de erven van hun rechtsvoorganger, de heer [X], die het perceel op 17 november 1982 in eigendom had verkregen.

2.2. Gedaagde is vanaf 2001 eigenaar geworden van het perceel, staande en gelegen aan de [adres 2] en grenzend aan het perceel van eisers. De rechtsvoorganger van gedaagde is de Stichting 'Het Zuid-Hollands Landschap' (hierna: de Stichting).

2.3. De kadastrale erfgrens loopt niet gelijk met de feitelijke erfgrens, die zich deels op het perceel van gedaagde bevindt. Op de feitelijke erfgrens staat een ijzeren hekwerk dat omstreeks 1991 is geplaatst.

2.4. Op het stuk grond tussen de feitelijke erfgrens en de kadastrale erfgrens van beide percelen, gelegen aan de zijde van eisers, staan een kippenhok met betonnen fundering en een schuur. Beide zijn in gebruik bij eisers.

2.5. In de overdrachtsakte van 16 december 2002 van het perceel van eisers staat, voor zover van belang in dit geding, in artikel 6:

"Koper is ermee bekend dat asbest aanwezig is in het dak van de schuur staande aan de achterzijde van de garage, welke schuur, evenals het kippenhok, niet tot het verkochte behoren, aangezien deze opstallen op grond van derden staan. (...)".

2.6. Een document, behorende bij de aanbiedingsbrochure (van 2002 of daaromtrent) van de makelaar voor de onroerende zaak [adres 1], bevat de volgende tekst:

"Het perceel wordt aan twee kanten omsloten door een bos, aan de westzijde door de buurman (...) en aan de zuidzijde door een bollenveld. (...) De werkelijke oppervlakte van het perceel is ca. 1.300 vierkante meter. Echter, een deel van het bos (eigendom van de Stichting Het Zuid-Hollands Landschap) is sinds mensenheugenis in gebruik en wordt door de eigenaars van [adres 1] onderhouden. De status is versterkt doordat de pachter van het bos ca vijftien jaar geleden een hek heeft geplaatst op de officieuze erfgrens. De onofficiële oppervlakte is daardoor pakweg 4.000 vierkante meter. In het bos mag overigens geen paaltje worden geslagen."

2.7. Gedaagde is op 4 oktober 2007 begonnen met de sloop van het onder 2.3 bedoelde hekwerk.

3. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

3.1. Eisers vorderen - zakelijk weergegeven - om op straffe van een dwangsom gedaagde te verbieden het hekwerk te verwijderen, de door eisers in gebruik zijnde tuin - inclusief het betwiste gedeelte - te betreden en een hekwerk te plaatsen op het door eisers in gebruik zijnde perceelsgedeelte. Voorts vorderen eisers om gedaagde op straffe van een dwangsom te bevelen het verwijderde hekwerk te herplaatsen en alle schade aan de beplantingen te herstellen.

3.2. Hiertoe voeren eisers het volgende aan.

Gedaagde pleegt een inbreuk op het eigendomsrecht van eisers door de erfafscheiding te verwijderen en deze op de kadastrale erfgrens, die zich op het perceel van eisers bevindt, te plaatsen. Volgens de kadastrale gegevens behoort de grond weliswaar tot het perceel van gedaagde, maar eisers zijn door verkrijgende verjaring daarvan eigenaar geworden. Op grond van artikel 3:105 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 3:306 BW is de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit verjaard. De rechtsvoorganger van eisers, de heer [X], had dat stuk grond al vanaf 1982 in gebruik. Tussen 1977 en 1982 zijn er paaltjes en een haag geplaatst op de plaats van de huidige erfafscheiding. In 1991 zijn de paaltjes en de haag vervangen door een hoog ijzeren hekwerk. Door het plaatsen van een afscheiding is de grond in bezit genomen. Dit blijkt temeer uit de aanwezigheid van een gefundeerd kippenhok en een schuur op dat stuk grond. Nu deze situatie al meer dan twintig jaar bestaat, zijn eisers door verkrijgende verjaring eigenaar geworden.

Subsidiair voeren eisers aan dat het hekwerk mandelig is, op grond waarvan gedaagde niet gerechtigd is om het hekwerk te verwijderen. Uiterst subsidiair is er sprake van een stilzwijgende gebruiksovereenkomst. Dit betreft een duurovereenkomst, die niet van de ene op de andere dag kan worden opgezegd.

3.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Partijen twisten over het antwoord op de vraag of eisers door verjaring eigenaar zijn geworden van het in geschil zijnde stuk grond (hierna: de grond), dat kadastraal gezien behoort tot het perceel van gedaagde. Vooropgesteld dient te worden dat voor eigendomsverkrijging door extinctieve verjaring is vereist dat het goed in bezit is genomen en dat dit bezit gedurende een periode van twintig jaar onafgebroken heeft geduurd. Inbezitneming van onroerende zaken wordt niet snel aangenomen, nu deze zaken altijd aan iemand toebehoren en het kadaster voor iedereen toegankelijk is. Het enkel beschikken over de grond is niet voldoende om van een inbezitneming te spreken. Daarnaast is noodzakelijk dat de bezitter zich gedraagt alsof hij eigenaar is, terwijl bovendien duidelijk moet zijn dat de macht van de oorspronkelijk bezitter over de zaak is geëindigd.

4.2. Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat eisers de grond slechts houden voor een ander en dat daarom geen sprake kan zijn van inbezitneming daarvan. Dit verweer treft geen doel. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van inbezitneming van de grond is van belang dat onweersproken is gesteld dat op de grond een volwaardig kippenhok is geplaatst met een betonnen fundering alsook een schuur. Daarnaast hebben eisers onbetwist aangevoerd dat zij het bos, dat deels gelegen is op de grond, op hun kosten onderhouden. Een en ander wordt ook ondersteund door het onder 2.6 weergegeven document. Er zijn geen aanwijzingen voor de stelling dat eisers of hun rechtsvoorganger voornoemde handelingen hebben verricht op grond van een gebruiksovereenkomst, zodat eisers ten aanzien van de grond hebben gehandeld als eigenaren door het naar eigen inzicht te gebruiken en heeft de oorspronkelijke eigenaar, de Stichting, de macht over de grond verloren. In het verlengde daarvan geldt dat gedaagde de macht niet heeft gekregen. Uit het voorgaande volgt dat voorlopig aannemelijk is dat eisers de grond in bezit hebben genomen.

4.3. Nu vooralsnog van inbezitneming van de grond wordt uitgegaan, dient beoordeeld te worden of de verjaringstermijn is verstreken waarbinnen gedaagde de grond nog kan opeisen. Eisers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat de erfafscheiding vanaf begin 1980 tot de datum waarop gedaagde is begonnen met de verwijdering daarvan (op 4 oktober 2007), steeds op dezelfde plaats heeft gestaan. Zij hebben daartoe de overdrachtsakte en de aanbiedingsbrochure overgelegd, die vooralsnog genoegzaam overtuigen. Ter zitting hebben eisers nog gemeld dat de tuinman van de voormalige eigenaar heeft bevestigd dat de erfafscheiding van paaltjes en haag in ieder geval vóór 1987 is geplaatst. Er zijn feiten noch omstandigheden aangevoerd die wijzen op het tegendeel.

4.4. De stelling van gedaagde dat eisers wisten dat de grond niet hun eigendom was, doet niet ter zake nu (ook) bij inbezitneming te kwader trouw de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit na twintig jaar is verjaard. Naar voorlopig oordeel zijn eisers op grond van artikel 3:105 BW in verbinding met artikel 3:306 BW eigenaar geworden van de grond, hoewel deze kadastraal nog tot het perceel van gedaagde behoort. Gelet hierop behoeven de overige stellingen van partijen in dit verband geen verdere bespreking.

4.5. Opmerking verdient voorts - en ten overvloede - dat het optreden van gedaagde een vorm van ongewenste eigenrichting is. Het was haar - naar tussen partijen vaststaat - bekend dat eisers haar aanspraak op de grond betwisten. Het was dan beter geweest het geschil aan de rechter voor te leggen dan aanstonds met werkzaamheden te beginnen waarvan de rechtmatigheid op zijn minst genomen discutabel is.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen zullen worden toegewezen, met dien verstande dat de vordering tot het herstellen van de beplanting als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen. De dwangsommen zullen worden gevarieerd naar gelang van de aard van de onderscheiden vorderingen en worden gematigd en gemaximeerd. Eveneens zal worden bepaald dat de op te leggen dwangsommen vatbaar zijn voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

4.7. Gedaagde zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. verbiedt gedaagde om:

a) het in geschil zijnde hekwerk (verder) te verwijderen;

b) de door eisers in gebruik zijnde tuin - het betwiste perceelsgedeelte inbegrepen - te (doen) betreden;

c) een hekwerk te plaatsen op het door eisers in gebruik zijnde perceel;

II. beveelt gedaagde om binnen twee weken na heden het door haar verwijderde hekwerk te herplaatsen;

III. bepaalt dat gedaagde een dwangsom verbeurt van:

a. € 5.000,-- per dag of dagdeel waarop in strijd met het onder 1a. gegeven verbod wordt gehandeld, met een maximum van € 25.000,--;

b. € 100,-- per dag of dagdeel waarop in strijd met het onder 1b. gegeven verbod wordt gehandeld, met een maximum van € 5.000,--;

c. € 10.000,-- indien in strijd wordt gehandeld met het onder 1c. gegeven verbod;

d. € 1.000,-- per dag of dagdeel dat zij het onder II genoemd bevel niet nakomt, met een maximum van € 25.000,--;

met dien verstande dat geen dwangsommen worden verbeurd vóór de betekening van dit vonnis;

IV. bepaalt dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan;

V. veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van eisers begroot op € 1.159,09, waarvan € 816,-- aan salaris procureur, € 251,-- aan griffierecht en € 92,09 aan dagvaardingskosten;

VI. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

VII. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en uitgesproken ter openbare zitting van 5 oktober 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.