Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6536

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
AWB 07/5423
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / beroep op de discretionaire bevoegdheid vanwege schrijnendheid / gelijkheidsbeginsel

Het systeem van de wet en de dwingendrechtelijke eis van het beschikken over een mvv staan er niet aan in de weg om in de door een vreemdeling aangevoerde feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot toepassing van de discretionaire bevoegdheid vanwege schrijnendheid, ipso facto een onbillijkheid van overwegende aard te lezen in de zin van het vierde lid van artikel 3.71 Vb 2000, waardoor van het mvv-vereiste kan worden afgeweken. Wat daar ook van zij, vaststaat dat verweerder in soortgelijke gevallen, waar een beroep op de discretionaire bevoegdheid werd gedaan vanwege schrijnendheid, het vereiste van het beschikken over een geldige mvv niet heeft tegengeworpen. Het gelijkheidsbeginsel vergt volgens vaste jurisprudentie een consistente gedragslijn van het bestuur, waarbij het bewaken van die consistentie bij uitstek de verantwoordelijkheid van het bestuur is. Verweerder heeft ten aanzien van het beroep op schrijnendheid, noch ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel, in het besluit een motivering gegeven. Een dergelijke motivering ligt echter wel op de weg van verweerder bij de heroverweging in bezwaar. De enkele stelling dat eerder sprake was van onjuiste toepassing van het beleid, kan voorts niet tot het voorlopig oordeel leiden dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel geen redelijke kans van slagen heeft.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/554
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 07/5423

Uitspraak

in het geding tussen:

[Verzoekster],

geboren op [geboortedatum] 1992,

van Joegoslavische nationaliteit,

IND dossiernummer 9507-05-4077, verzoekster,

gemachtigde mr. L. Louwerse, advocaat te

Utrecht;

en

De Staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. M.D. Gunster,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Op 17 november 2006 heeft verzoekster een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf conform beschikking minister” ingediend. Bij besluit van 31 januari 2007 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij brief van 5 februari 2007 is daartegen bezwaar gemaakt.

Verzoekster mag de behandeling daarvan niet in Nederland afwachten. Bij verzoek van 5 februari 2007 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten totdat in bezwaar is beslist. Het verzoek is voorzien van gronden bij brief van 9 februari 2007. Op 3 oktober 2007 zijn nadere stukken ingediend.

Het verzoek is ter zitting van 9 oktober 2007 behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechter zal toetsen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoekster in afwachting van de beslissing op bezwaar moet worden verboden.

2.2 Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 kan worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Artikel 3.71, eerste lid Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bepaalt dat de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, Vw 2000 en artikel 3.71, tweede lid, Vb 2000 is een aantal categorieën vreemdelingen vrijgesteld van het vereiste van het beschikken over een geldige mvv. Voorts kan de Minister, ingevolge het vierde lid van artikel 3.71 Vb 2000, het mvv-vereiste buiten toepassing laten voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).

Ingevolge het bepaalde in artikel 3.4, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan de Minister de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw 2000, verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid, tenzij het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven een zodanig verband houdt met de situatie in het land van herkomst dat voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de Minister de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 noodzakelijk is (de discretionaire bevoegdheid).

2.3 Het geschil is beperkt tot de vraag of verweerder aan verzoekster heeft mogen tegenwerpen dat zij niet beschikt over een geldige mvv.

Verzoekster heeft aangevoerd dat met de aanvraag een beroep wordt gedaan op de discretionaire bevoegdheid van verweerder een verblijfsvergunning te verlenen in zogenaamde schrijnende gevallen zoals verwoord in werkinstructie 2005/3 van 24 januari 2005. Verweerder had niet het vereiste van een mvv aan haar mogen tegenwerpen, zonder een inhoudelijke beoordeling van de schrijnendheid. Gebruikmaking van de discretionaire bevoegdheid in schrijnende gevallen, brengt logischerwijs vrijstelling van het vereiste van een mvv met zich op grond van de hardheidsclausule. Verzoekster doet in dat verband tevens een beroep op het gelijkheids-beginsel, waarbij wordt verwezen naar een drietal uitspraken van deze rechtbank. (nevenzittingsplaats Zwolle: Awb 06/36936, uitspraakdatum 15 november 2006 en Awb 05/51247, uitspraakdatum 20 december 2006; nevenzittingsplaats Utrecht Awb 06/30475, uitspraakdatum 11 oktober 2006). Als bijzondere omstandigheden voert verzoekster aan dat zij al sinds het moment dat zij 7 maanden oud was in Nederland verblijft, dat zij sindsdien altijd in Nederland heeft verbleven bij haar oma, dat zij geen andere familieleden heeft om op terug te vallen en dat zij hier is opgevoed, opgegroeid en naar school gaat. Verzoekster stelt volledig te zijn geïntegreerd in de Nederlandse samenleving.

2.4 Verweerder betoogt als volgt.

In de imperatieve formulering van het mvv-vereiste ligt besloten dat voor iedere aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier – dus ook voor een aanvraag die is gegrond op artikel 3.4 derde lid, van het Vb 2000 vanwege “schrijnendheid” - in beginsel onverkort het mvv-vereiste geldt. Het systeem van de wet is voorts zodanig ingericht dat bij de beoordeling van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier éérst wordt bezien of aan de eis van het beschikken over een geldige mvv wordt voldaan, dan wel of aanleiding bestaat vrijstelling daarvan te verlenen. Eerst indien die vraag positief wordt beantwoord wordt beoordeeld of aan de overige (materiële) voorwaarden voor verlening van de gevraagde vergunning wordt voldaan.

Werkinstructie 2005/3, handelend over schrijnende gevallen, geeft geen nadere invulling aan het geschetste systeem en kan daaraan dan ook niet afdoen. Desgevraagd stelt verweerder dat het feit dat in het verleden het mvv-vereiste niet is tegengeworpen bij de beoordeling van aanvragen op grond van schrijnendheid, een onjuiste uitvoering betrof van het beleid.

Toegepast op de zaak stelt verweerder dat de door verzoekster aangevoerde omstandigheden geen aanleiding geven haar met toepassing van artikel 3.71, vierde lid Vb 2000 vrij te stellen van het mvv-vereiste, en dat reeds daarom geen aanleiding bestaat te beoordelen over zij voldoet aan de overige voorwaarden voor verlening van de gevraagde vergunning.

2.5 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Anders dan verweerder lijkt te stellen, staan het systeem van de wet en de dwingendrechtelijke eis van het beschikken over een mvv er niet aan in de weg om in de door een vreemdeling aangevoerde feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot toepassing van de discretionaire bevoegdheid vanwege schrijnendheid, ipso facto een onbillijkheid van overwegende aard te lezen in de zin van het vierde lid van artikel 3.71 Vb 2000, waardoor van het mvv-vereiste kan worden afgeweken.

Wat daar ook van zij, vaststaat dat verweerder in soortgelijke gevallen, waar een beroep op de discretionaire bevoegdheid werd gedaan vanwege schrijnendheid, het vereiste van het beschikken over een geldige mvv niet heeft tegengeworpen. Het gelijkheidsbeginsel vergt volgens vaste jurisprudentie een consistente gedragslijn van het bestuur, waarbij het bewaken van die consistentie bij uitstek de verantwoordelijkheid van het bestuur is. Verweerder heeft ten aanzien van het beroep op schrijnendheid, noch ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel, in het besluit een motivering gegeven. Een dergelijke motivering ligt echter wel op de weg van verweerder bij de heroverweging in bezwaar. De enkele stelling dat eerder sprake was van onjuiste toepassing van het beleid, kan voorts niet tot het voorlopig oordeel leiden dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel geen redelijke kans van slagen heeft.

2.6 Het bezwaar kan gelet op het voorgaande een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen. Aan een bespreking van de overige gronden wordt niet toegekomen.

2.7 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van verweerder in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, ten bedrage van € 644,= (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

- treft de voorlopige voorziening dat uitzetting achterwege dient te blijven tot op het bezwaar is beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekers dient te voldoen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het griffierecht ad € 141,= aan verzoekster te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. G.A. Genee als griffier, op 23 oktober 2007.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.