Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6521

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
09/753295-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van verduistering door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft;

valsheid in geschrift. Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte een bedrag van € 146.746,48, toebehorende aan Heineken Nederland BV, toegeëigend. Daarbij is misbruik gemaakt van de dienstbetrekking die de medeverdachte bij Heineken Nederland BV had. Verdachte en zijn mededader hebben door zo te handelen op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat Heineken Nederland BV in één van haar medewerkers had gesteld. Een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 35 dagen voorwaardelijk, met aftrek, proeftijd van 2 jaar; voorts: een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 uren; voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de tijd van 120 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/753295-06

's-Gravenhage, 25 oktober 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 juli 2007 en 11 oktober 2007.

De verdachte is niet ter terechtzitting verschenen; wel aanwezig was zijn gevolmachtigde raadsvrouw, mr. G.D. Haytink, advocaat te 's-Gravenhage.

De officier van justitie mr Gruppelaar heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem onder feit 1 primair en onder feit 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Bewijsoverweging.

Namens verdachte is naar voren gebracht dat er geen sprake is van een voltooid delict.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat zij de betalingen heeft verricht door de noodzakelijke betalingshandelingen in het computersysteem uit te voeren. Op het moment dat [medeverdachte] de betalingen verrichtte had zij naar het oordeel van de rechtbank het geld onder zich. De daadwerkelijke betalingsrun naar de rekening van verdachte vond plaats op 28 maart 2006 en het geld stond toen op de rekening van verdachte. Nog dezelfde dag heeft verdachte geprobeerd, zoals hij ook zelf heeft verklaard, het geld op te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve sprake van een voltooid delict.

Namens verdachte is voorts betoogd - samengevat - dat nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader [medeverdachte] niet kan worden bewezen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

Uit de telefoongegevens die in het proces-verbaal zijn opgenomen blijkt dat verdachte en [medeverdachte] in ieder geval vanaf maart 2006 telefonisch contact hebben gehad. Op 23 en 24 maart 2006 hadden verdachte en [medeverdachte] zelfs per dag vier keer telefonisch contact.

Op 24 maart 2006 is verdachte samen met [medeverdachte] naar de ABN AMRO-bank gegaan om een nieuwe rekening te openen voor hem. Dit wordt bevestigd door een getuige, mevrouw [X]. Laatstgenoemde is medewerkster van de voornoemde bank en heeft verklaard dat zij met beide verdachten een gesprek heeft gehad over het openen van een rekening.

Voorts blijkt uit de klokgegevens van Heineken Nederland BV dat [medeverdachte] die middag niet op kantoor was; zij is omstreeks 11.43 uur vertrokken uit het pand. De leidinggevende van verdachte heeft dit bevestigd. [medeverdachte] verklaart dat zij verlof had gevraagd in verband met een reparatie door de loodgieter. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde situatie de mogelijk opent dat [medeverdachte] bij de ABN AMRO-bank aanwezig was. Voorts heeft [medeverdachte] niet aannemelijk gemaakt dat zij de hele middag thuis aanwezig is geweest, te minder daar uit het opleveringsformulier van het loodgietersbedrijf blijkt dat de afspraak omstreeks 13.00 uur was.

Gezien bovengenoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] heeft plaatsgevonden en de rechtbank verwerpt dan ook het op dit punt gevoerde verweer.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de telastgelegde feit 1 primair en feit 2 heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte [medeverdachte] een bedrag van € 146.746,48, toebehorende aan Heineken Nederland BV, toegeëigend. Daarbij is misbruik gemaakt van de dienstbetrekking die [medeverdachte] bij Heineken Nederland BV had. Verdachte en zijn mededader hebben door zo te handelen op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat Heineken Nederland BV in één van haar medewerkers had gesteld. Ook hebben verdachte en zijn mededader door zo te handelen in het algemeen schade toegebracht aan het vertrouwen dat bedrijven -in het bijzonder bedrijven waarin de werknemers met veel geld te maken hebben- in hun medewerkers moeten mogen stellen. Verdachte heeft hiermee een ernstig feit gepleegd waarmee een hoog geldbedrag gemoeid was en waarbij is gehandeld vanuit een vooropgezet plan dat zeer gecalculeerd werd uitgevoerd, dit alles puur uit eigen financieel gewin.

Verder heeft verdachte twee doorlopende machtigingen incasso valselijk opgemaakt door deze in te vullen alsof niet betaalbare orders betaalbaar werden gesteld. Hij heeft hiermee het vertrouwen, dat in het betalingsverkeer moet kunnen worden gesteld, ernstige schade berokkend.

De rechtbank neemt in verdachtes voordeel in overweging dat verdachte en zijn mededader uiteindelijk geen persoonlijk gewin van het hierboven genoemde geldbedrag hebben gehad. Ook is het geldbedrag niet verdwenen en door Heineken Nederland BV teruggekregen.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank acht, gezien het bovenstaande, een gevangenisstraf, waarvan een deel voorwaardelijk zal worden opgelegd, passend en geboden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, een gepaste bestraffing vormt en in dit geval een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank acht na te melden straf passend en geboden.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 225, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

t.a.v. feit 1 primair:

medeplegen van verduistering door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft;

t.a.v. feit 2:

valsheid in geschrift;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op : 29 maart 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 2 april 2007,

in vrijheid gesteld op : 22 juni 2007;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 35 dagen niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 dagen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Veldt-Foglia, voorzitter,

Du Pon en Van Seventer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr drs Verkennis, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 oktober 2007.

Mr Van Seventer is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.