Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6455

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-09-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/44106
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Referentenprocedure

De rechtbank heeft in deze uitspraak de werkwijze van verweerder inzake visum kortverblijf en de referentenprocedure bekritiseerd vanwege de vele fouten in de loop van die procedure. Het beroep is gegrond verklaard, aangezien verweerder de datum van verzending van het besluit waartegen bezwaar niet heeft kunnen onderbouwen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNVR 2007/238

Uitspraak

RECHTBANK ’S GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Proc.nr.: AWB 06/44106

Inzake:

[Eiser], eiser,

gemachtigde mr. C.F.M. van den Ekart,

advocaat te Dordrecht,

tegen:

de Minister van Buitenlandse Zaken te 's Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 8 augustus 2006, verzonden aan eiser op 18 augustus 2006, heeft verweerder het door [referent] (hierna te noemen: referent) ingediende bezwaarschrift, gedateerd 6 juni 2006 en door verweerder ontvangen op 12 juni 2006, niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaarschrift is gericht tegen het besluit van 24 april 2006, verzonden op 9 mei 2006, waarbij de aanvraag van eiser van 15 maart 2006 tot het verlenen van een visum voor kort verblijf in de zin van het Soeverein Besluit 1813 is afgewezen.

Tegen het besluit van 8 augustus 2006 is door eiser bij schrijven van 1 september 2006 een beroepschrift ingediend. Het beroepschrift is op 11 september 2006 door de rechtbank ontvangen.

Bij brief van 19 september 2006 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat ambtshalve is besloten om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:52 van de Awb.

Op 3 oktober 2006 heeft eiser nadere gronden ingediend.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken zijn op 5 december 2006 in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Desgevraagd hebben partijen bij brieven van 5 januari 2007 en 26 maart 2007 hun standpunten nader toegelicht.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 september 2007, waar eiser en zijn gemachtigde, zoals bij brief van 13 september 2007 is meegedeeld, niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.B. Deckers.

II. OVERWEGINGEN

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1982 en bezit de Srilankaanse nationaliteit. Op 15 maart 2006 heeft hij de in rubriek I vermelde aanvraag ingediend. Op deze aanvraag is bij besluit van 24 april 2006 afwijzend beslist. Volgens verweerder is niet komen vast te staan, dan wel onvoldoende aangetoond, dat referent beschikt over een duurzaam inkomen dat minimaal gelijk is aan het bestaansminimum voor Nederland ten einde zich voor eiser garant te kunnen stellen. Daarbij is niet gebleken dat eiser zelf over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de duur van het voorgenomen verblijf. Daarnaast is onvoldoende komen vast te staan dat eiser tijdig zal terugkeren naar zijn land van herkomst.

Tegen dit besluit is bij schrijven van 6 juni 2006 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit van 8 augustus 2006 heeft verweerder het bezwaarschrift van 6 juni 2006 wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.

Vooreerst overweegt de rechtbank dat naar haar oordeel de interne procedures van verweerder ten aanzien van hoe met dit soort zaken om gegaan dient te worden evident voor verbetering vatbaar zijn.

Allereerst is het besluit op de aanvraag van eiser enkel aan eiser gezonden en niet ook aan referent. Aangezien referent een - kennelijke - belanghebbende is bij een besluit ten aanzien van een visum voor kort verblijf bij referent behoort naar dezerzijds oordeel referent ook een afschrift van het besluit op een dergelijke aanvraag te ontvangen. Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt immers dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Het door verweerder in een aan de rechtbank gerichte brief van 5 januari 2007 ingenomen standpunt dat volstaan kan worden met toezending aan de indiener van de aanvraag acht de rechtbank dan ook in strijd met de voormelde wettelijke bepaling.

De rechtbank valt verder op dat verweerder in de Nederlandse versie van het per post verzonden besluit ten aanzien van de aanvraag vermeldt dat een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop de beslissing is gegeven en in de Engelstalige versie - correct - vermeldt dat indiening dient plaats te vinden binnen vier weken “of the date on which the decision was mailed”.

Blijkens de door verweerder overgelegde stukken is verder het besluit op het bezwaarschrift van eiser van 6 juni 2006 op 8 augustus 2006 aan referent verzonden en eerst op 18 augustus 2006 aan eiser.

Nu zowel eiser als referent, zijnde belanghebbende, tegen dat besluit beroep kunnen instellen, is dat bepaald onhandig te noemen. Het vorenstaande klemt des te meer nu verweerder in de aanbiedingsbrief van het in beroep bestreden besluit op bezwaar aan eiser ook nog eens ten onrechte heeft vermeld dat het beroep kan worden ingediend binnen 28 dagen na ontvangst van het bestreden besluit in plaats van, zoals uit de toepasselijke bepalingen van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en de Awb volgt, binnen vier weken na verzending van dat besluit. Voormelde onjuistheid heeft echter geen gevolgen gehad voor de tijdigheid van het ingediende beroep nu het beroepschrift van eiser op 11 september 2006, derhalve binnen de van toepassing zijnde beroepstermijn van vier weken na verzending van het besluit op 18 augustus 2006, is ontvangen.

Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar van 6 juni 2006, gelet op de inhoud (referent heeft het herhaaldelijk over haar bezwaarschrift en waarom zij het niet eens is met het besluit) en de ondertekening daarvan, niet anders kan worden gezien dan als een door referent onder haar eigen naam ingediend bezwaarschrift. Immers uit het bezwaarschrift zelf kan op geen enkele wijze worden opgemaakt dat dit namens eiser is ingediend. De tijdens de bezwaarschriftenprocedure overgelegde machtiging kan evenmin tot het oordeel leiden dat het bezwaarschrift namens eiser door de referent is ingediend nu deze machtiging enkel door referent is ondertekend en niet is ondertekend door eiser. De machtiging kan derhalve niet dienen als een ondersteuning voor de stelling dat referent het bezwaarschrift heeft ingediend namens eiser. Daaraan kan eveneens niet afdoen dat eiser in de gronden van zijn beroep, ontvangen op 11 september 2007, heeft aangegeven dat hij, als gevolg van een onjuiste voorlichting door een vertaler, dat bezwaarschrift niet zelf heeft ondertekend, maar referent. Verweerder heeft in het kader van de behandeling van dit bezwaarschrift dan ook geheel ten onrechte het bezwaarschrift van referent als een namens eiser ingediend bezwaarschrift aangemerkt en mitsdien eveneens geheel ten onrechte aan referent om een machtiging van eiser gevraagd. Een referent is immers, zoals hiervoor ook reeds is overwogen, een belanghebbende bij een aanvraag én een besluit ten aanzien van een visum voor kort verblijf en kan mitsdien ook zelfstandig bezwaar en beroep instellen tegen een besluit in het kader van een dergelijke aanvraag. In verband met het voorgaande merkt de rechtbank op het opvallend te vinden, mede gelet op andere beroepen die zij in vergelijkbare zaken heeft ontvangen, dat verweerder dit herhaaldelijk miskent met alle problemen van dien voor vreemdelingen en hun referenten.

De vermelding in het bestreden besluit dat het een besluit betreft ten aanzien van een namens eiser ingediend bezwaarschrift berust derhalve op hetzelfde onjuiste uitgangspunt aan de zijde van verweerder.

Vervolgens overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar de door verweerder in de brief van 5 januari 2007 genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 4 maart 2004, JV 2004, 178, en de bij die brief gevoegde uitspraak van de Afdeling van 22 december 2004, nr. 200406177/1, als volgt.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit.

De rechtbank ziet echter aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken nu, gelet op het hiervoor overwogene, aan eiser bezwaarlijk kan worden tegengeworpen dat hij beroep heeft ingesteld in plaats van de referent nu verweerder zich immers steeds op het standpunt heeft gesteld dat het door verweerder in behandeling genomen bezwaarschrift een namens eiser ingediend bezwaarschrift betrof. Voor zover verweerder van mening is dat dit wel aan eiser kan worden tegengeworpen, zoals is gesteld in de brief van verweerder van 5 januari 2007, overweegt de rechtbank dat zij hoe dan ook van mening is dat eiser en referent niet de dupe van de door verweerder veroorzaakte verwarring dienen te worden en het alternatief is, zoals ook door de gemachtigde in de nadere gronden is gesteld, het beroep aan te merken als te zijn ingediend mede namens referent. Om die reden acht de rechtbank geen termen aanwezig, niettegenstaande het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb, om het beroepschrift niet-ontvankelijk te achten.

Het vorenstaande brengt met zich dat de rechtbank dient te beoordelen of verweerder het bezwaarschrift in het bestreden besluit op goede gronden niet-ontvankelijk heeft geacht. Die vraag wordt door de rechtbank ontkennend beantwoord.

In afwijking van artikel 6:7 van de Awb bedraagt ingevolge artikel 69 van de Vw 2000 de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift vier weken.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, juncto artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het is ontvangen binnen vier weken na de dag waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

Ingevolge artikel 3:41 van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

In het onderhavige geval dient derhalve allereerst de vraag te worden beantwoord op welke datum verweerder het besluit van 24 april 2006 aan eiser heeft verzonden.

Het bedoelde besluit is niet aangetekend verzonden. De aan het niet aangetekend verzenden verbonden risico’s komen in beginsel voor rekening van de verzender. Dit brengt mee dat als door de geadresseerde wordt gesteld dat het verzonden stuk niet is ontvangen, het op de weg van de verzender ligt de verzending aannemelijk te maken. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zoals onder meer blijkende uit de uitspraak van 17 januari 2007, JB 2007, 37,) voldoet verweerder aan die op hem rustende last indien een bestreden besluit juist is geadresseerd en op dat besluit een datum van verzending is genoteerd dan wel anderszins de verzending, bijvoorbeeld door middel van registratie in een verzendsysteem, is genoteerd. Pas als verweerder die verzending aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Een datum van verzending van het besluit van 24 april 2006 ontbreekt op dat besluit. Om die reden heeft de rechtbank bij brief van 14 december 2007 om een onderbouwing van de gestelde datum van verzending gevraagd. Verweerder heeft hierop bij brief van

5 januari 2007 gereageerd.

Ter zake van de datum van verzending is in die brief opgenomen:

“Hierbij doe ik u toekomen een kopie van het bestreden besluit, zoals dat door de ambassade in Sri Lanka aan eiser bekend wordt geacht te zijn gemaakt op de datum vermeld op dat besluit, te weten 9 mei 2006”.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard niet aan te kunnen geven of het besluit daadwerkelijk op 9 mei 2006 is verzonden. Mailwisseling met de ambassade heeft dit ook niet duidelijk kunnen maken. Er is voorts geen gedingstuk waaruit blijkt dat het besluit op 9 mei 2006 is verzonden. De brief van 9 mei 2006 kent geen verzendstempel of anderszins een bewijs van verzending. Verzending blijft derhalve onduidelijk, aldus verweerder ter zitting.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande van oordeel dat, nu verweerder de verzending van het besluit van 24 april 2006 op de datum 9 mei 2006 op geen enkele wijze heeft kunnen onderbouwen, verweerder het bezwaarschrift van 6 juni 2006 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege termijnoverschrijding. De rechtbank heeft hierbij mede in overweging genomen het in beroep gestelde, dat het besluit pas op of omstreeks 15 of 16 mei 2006 is ontvangen en dus aannemelijk is dat het besluit later dan op 9 mei 2006 is verzonden. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een beoordeling van de stelling van de gemachtigde dat referent het bezwaarschrift op 6 juni 2006 heeft aangeboden in persoon op het postkantoor en niet op 7 juni 2006, zoals uit de datum van het poststempel lijkt te volgen.

Op grond van het vorenstaande wordt het beroep gegrond geacht en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 1,5 punten toegekend (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor de reactie op het schrijven van verweerder van 5 januari 2007) met een waarde van € 322, per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Aan de gemachtigde is, zoals bij voornoemde brief van 13 september 2007 is meegedeeld, geen toevoeging verstrekt. Derhalve dient het bedrag van de proceskosten aan eiser te worden vergoed.

Tevens zal de rechtbank bepalen dat aan eiser het betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,-- dient te worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van verweerder van 8 augustus 2006;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op € 483,-- (wegens de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan eiser;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het gestorte griffierecht ten bedrage van € 141,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van L.M.W. Ottenheim als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier,

verzonden op: 27 september 2007.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.