Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6437

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-07-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/14597, 06/14606, 06/21437
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling paspoortvereiste / zorgvuldigheid

Eisers, van Congolese nationaliteit, hebben een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘medische behandeling’ en ‘verblijf bij vader gedurende zijn medische behandeling’. In geschil is of in hetgeen naar voren is gebracht verweerder aanleiding had moeten zien om aan het paspoortvereiste voorbij te gaan. Gelet op het BMA-advies wordt voldaan aan twee voorwaarden, genoemd in B8/3.3.3 Vc, voor vrijstelling van het paspoortvereiste, namelijk dat stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie doet ontstaan en dat de behandeling niet kan plaatsvinden in het land van herkomst. Ten aanzien van de derde voorwaarde in genoemd beleid, te weten dat aangetoond moet worden dat de enige mogelijkheid voor afgifte van een paspoort is dat de vreemdeling in persoon terugkeert naar zijn land van herkomst, wordt overwogen dat de gemachtigde verweerder op de hoogte heeft gebracht van eisers inspanningen ter verkrijging van een nieuw paspoort. Uit een brief van gemachtigde blijkt dat een medewerker van de Congolese ambassade in Brussel heeft meegedeeld dat het onmogelijk is om via de ambassade een paspoort te verkrijgen en dat dit alleen kan in Congo. Het bestreden besluit geeft er onvoldoende blijk van, gelet ook op voornoemd beleid, dat dit aspect is onderzocht of is betrokken in de beoordeling of vrijstelling gegeven dient te worden van het paspoortvereiste. Dit klemt te meer nu in beroep een brief is overgelegd, waarvan de authenticiteit niet wordt betwist, van de Congolese ambassade in Parijs waarin de ambassade verklaart dat eiser zich voor de afgifte van een paspoort persoonlijk moet melden bij de ‘Direction de l’Emigration et l’Immigration de Ministère de la Sécurité et de l’Ordre Public’ in Brazzaville te Congo, welke brief de rechtbank aanmerkt als een nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. Beroep gegrond wegens strijd met artikel 3:2 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer:

AWB 06 / 14597 (beroep eiser 1)

AWB 06 / 14606 (beroep eiseres)

AWB 06 / 21437 (beroep eiser 2)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 16 juli 2007

in de zaak van:

[Eiser 1],

geboren op [geboortedatum] 1965, eiser 1,

[Eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1998, eiseres, en

[Eiser 2],

geboren op [geboortedatum] 2001, eiser 2,

allen van Congolese nationaliteit,

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.P. van den Bos, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser 1 heeft op 11 augustus 2003 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘medische behandeling’. Eiseres en eiser 2 hebben op diezelfde datum een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf bij vader gedurende zijn medische behandeling’. Verweerder heeft de aanvragen bij afzonderlijke besluiten van 19 augustus 2004 afgewezen. Eisers hebben tegen deze besluiten op 26 augustus 2004 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij afzonderlijke besluiten van 6 maart 2006 ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen deze besluiten op 21 maart 2006 beroep ingesteld.

1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 19 april 2007. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank de bestreden besluiten aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft in opdracht van verweerder de medische problematiek van eiser 1 onderzocht. Uit het advies van het BMA van 5 april 2005 blijkt – voor zover van belang – dat eiser 1 lijdt aan ernstige psychische klachten die verband houden met psychotraumatische ervaringen. Eiser 1 staat onder behandeling van deze klachten. Een goede behandeling van zijn medische klachten in zijn land van herkomst is niet mogelijk. Het uitblijven van de huidige medische behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn in de vorm van psychische decompensatie met suïcidaliteit.

2.3 Ingevolge artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is verweerder bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

2.4 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, Vw kan een aanvraag als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.

2.5 Regels over de toepassing van deze afwijzingsgrond zijn neergelegd in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Ingevolge artikel 3.72 Vb wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, Vw afgewezen, indien de vreemdeling naar het oordeel van verweerder heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

2.6 In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) heeft verweerder in paragraaf B8/3.3 Vc, zoals dat gold ten tijde van de bestreden besluiten, beleidsregels vastgesteld betreffende het tegenwerpen van het paspoortvereiste ingeval zich een medische noodsituatie voordoet.

2.7 In de bestreden besluiten heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor de gevraagde vergunningen. Eiser 1 beschikt niet over een geldig document voor grensoverschrijding en hij heeft niet aangetoond dat de Congolese autoriteiten hem daarvan niet in het bezit kunnen stellen. Er is geen sprake van zeer bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan eiser 1 vrijgesteld dient te worden van het paspoortvereiste. Nu de aanvragen van eiseres en eiser 2 een afhankelijk karakter hebben komen zij evenmin voor toelating in aanmerking.

2.8 Eiser 1 heeft zich - samengevat en voor zover van belang - allereerst op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte het paspoortvereiste heeft gesteld. Ten tijde van onderhavige aanvraag gold het beleid dat in geval van een medische noodsituatie het ontbreken van een geldig paspoort niet aan vergunningverlening in de weg stond. Voorts is eiser 1 van mening dat hij al het nodige heeft gedaan om in het bezit te komen van een Congolees paspoort. Verweerder heeft het in bezwaar ingenomen standpunt van eiser 1 dat het niet mogelijk is om via de Congolese ambassade een nieuw paspoort te verkrijgen niet nader onderzocht. In beroep heeft eiser 1 ter onderbouwing van dit standpunt nog een verklaring van de Congolese ambassade van 20 maart 2006 overgelegd waaruit blijkt dat afgifte van Congolese paspoorten buiten Congo niet mogelijk is.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.9 Met partijen stelt de rechtbank vast dat eiser 1 niet in het bezit is van een geldig Congolees paspoort.

2.10 De rechtbank stelt verder vast dat gelet op het rapport van het BMA van 5 april 2005 eiser 1 lijdt aan ernstige psychische klachten, dat voor hem geen goede behandeling van zijn medische klachten in zijn land van herkomst mogelijk is en dat het uitblijven van medische behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie.

2.11 Allereerst zal de rechtbank zich buigen over de vraag of verweerder het paspoortvereiste ten onrechte als toelatingsvoorwaarde in de onderhavige zaak heeft gesteld, zoals in beroep is aangevoerd. In dat kader is van belang dat op grond van artikel 3.103 Vb getoetst wordt aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Vw anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de onderhavige aanvragen het beleid gold zoals neergelegd in Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2003/2. In dit beleid is opgenomen dat de vreemdeling die op grond van een medische noodsituatie in aanmerking komt voor toelating, dient te voldoen aan het paspoortvereiste, zoals neergelegd in artikel 16 Vw juncto artikel 3.72 Vb. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht op eiser 1 het paspoortvereiste van toepassing heeft kunnen achten en dat deze beroepsgrond derhalve niet kan slagen.

2.12 Voorts zijn partijen verdeeld over de vraag of in hetgeen eiser 1 naar voren heeft gebracht verweerder aanleiding had moeten zien om aan het paspoortvereiste voorbij te gaan.

2.13 Wat betreft het tegenwerpen van het paspoortvereiste ingeval zich een medische noodsituatie voordoet, stelt de rechtbank vast dat verweerder de aanvraag getoetst heeft aan het beleid, zoals opgenomen in paragraaf B8/3.3.3 Vc, inhoudende dat slechts in geval van zeer bijzondere individuele omstandigheden vrijstelling kan worden verleend van het paspoortvereiste. Nochtans kan er volgens dit beleid in individuele gevallen aanleiding bestaan om aan het paspoortvereiste voorbij te gaan als:

a. is aangetoond dat de enige mogelijkheid voor afgifte of verlenging van een geldig document voor grensoverschrijding vereist is dat de vreemdeling in persoon terugkeert naar het land van herkomst; en

b. stopzetting van de medische behandeling op korte termijn een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en

c. de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst.

2.14 Gelet op hetgeen verwoord is in het rapport van het BMA van 5 april 2005 wordt in onderhavige zaak voldaan aan de twee laatstgenoemde vereisten, hetgeen in het bestreden besluit ook niet wordt betwist door verweerder. Met betrekking tot de hiervoor onder a genoemde voorwaarde inzake de terugkeer als enige mogelijkheid voor de afgifte van een paspoort overweegt de rechtbank als volgt.

2.15 Verweerder heeft eiser 1 bij brieven van 17 mei 2005 en 24 juni 2005 verzocht om toezending van een afschrift van alle bladzijden van een geldig Congolees paspoort. De gemachtigde van eiser 1 heeft verweerder bij brieven van 29 juni 2005 en 13 juli 2005 op de hoogte gebracht van de inspanningen die zijn verricht ter verkrijging van een nieuw Congolees paspoort. Uit de brief van 29 juni 2005 blijkt dat een medewerker van de Congolese ambassade in Brussel heeft meegedeeld dat het niet mogelijk is om via de ambassade een paspoort te verkrijgen. Afgifte van een paspoort zou volgens deze medewerker alleen mogelijk zijn in Congo. Naar het oordeel van de rechtbank geeft het bestreden besluit er onvoldoende blijk van, gelet ook op het onder rechtsoverweging 2.13 genoemd beleid, dat laatstgenoemd aspect door verweerder is onderzocht dan wel is betrokken in de beoordeling of eiser 1 al dan niet vrijgesteld dient te worden van het paspoortvereiste. Dit klemt te meer nu eiser 1 in beroep een brief heeft overgelegd van de Congolese ambassade in Parijs van 20 maart 2006 waarin de ambassade verklaart dat eiser 1 zich voor de afgifte van een paspoort persoonlijk moet melden bij de ‘Direction de l’Emigration et l’Immigration de Ministère de la Sécurité et de l’Ordre Public’ in Brazzaville te Congo, welke brief de rechtbank aanmerkt als een nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat niet gebleken is dat de authenticiteit van de verklaring door verweerder wordt betwijfeld.

2.16 Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep van eiser 1 gegrond verklaren wegens schending van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 7:12 Awb. Nu de aanvragen van eiseres en eiser 2 een afhankelijk karakter hebben van de aanvraag van eiser 1, dient hun beroep eveneens gegrond te worden verklaard. Verweerder zal nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.17 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eisers hebben gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.18 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht vergoedt.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt de bestreden besluiten van 6 maart 2006;

3.3 bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt op de bezwaarschriften van eisers met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten die eisers hebben gemaakt ten bedrage van € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten dient te voldoen aan eisers;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eisers € 141,- te betalen ter vergoeding van het door hen betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.D. de Jong, rechter, en op 16 juli 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.