Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6432

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
AWB 07/16788
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BMA advies niet zorgvuldig / behandeling in land van herkomst

Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en heeft aanvraag ingediend tot verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel verblijf wegens medische noodsituatie. De rechtbank is van oordeel dat uit het advies van het Bureau Medisch Advisering (BMA) niet duidelijk blijkt welke uitleg volgens het BMA moet worden gegeven aan de term ‘behandeling’ in het antwoord op vraag 3a. Nu onduidelijk is of met de term ‘behandeling’ behandeling door middel van medicijnen en/of behandeling in de vorm van nacontroles wordt bedoeld, blijkt uit het BMA-advies niet welke behandeling in het land van herkomst mogelijk is. Dit is van belang, aangezien niet in geschil is dat in de periode van nacontroles recidive van het Hepatitis C-virus kan optreden, waarna behandeling met medicijnen hervat dient te worden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder zorgvuldigheidshalve niet van het BMA-advies had mogen uitgaan. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 07 / 16788

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 15 augustus 2007

in de zaak van:

[Eiser],

geboren op [geboortedatum] 1974, van Afghaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. S. Pirs, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 18 mei 2006 een aanvraag ingediend tot het verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf wegens medische noodsituatie’. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 16 februari 2007 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 22 februari 2007 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 5 april 2007 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 17 april 2007 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2007. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

2.3 Op grond van het bepaalde in paragraaf B1/5.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden, tenzij bij het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) of in de toepasselijke materiehoofdstukken van de Vc anders is bepaald.

2.4 Uit artikel 3.4, eerste lid, onder r, Vb volgt dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend onder de beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling. In artikel 3.46 Vb is neergelegd dat de hierboven genoemde vergunning kan worden verleend indien Nederland naar het oordeel van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering daarvan naar het oordeel van deze minister deugdelijk is geregeld.

2.5 Met betrekking tot een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder de hierboven vermelde beperking zijn in hoofdstuk B8 Vc beleidsregels opgenomen. Ingevolge paragraaf B8/3 Vc kan de Minister, indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.46 Vb, op grond van de hem ingevolge artikel 3.4, derde lid, Vb toekomende discretionaire bevoegdheid een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen indien sprake is van een medische noodsituatie. Dat is die situatie waarin betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstig geestelijke of lichamelijke schade.

2.6 In paragraaf B1/8.3.2 Vc is bepaald dat om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning in verband met een medische noodsituatie betrokkene zich in Nederland dient te bevinden en sprake dient te zijn van de situatie dat:

a. stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en

b. de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen; en

c. de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting langer dan één jaar zal duren.

2.7 Verweerder heeft zich op het volgende standpunt gesteld. De aanvraag van eiser is terecht afgewezen onder verwijzing naar het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 17 januari 2007 (het BMA-advies). Uit het BMA-advies blijkt dat er in verband met een inmiddels genezen Hepatitis C-virus nog slechts een tweetal nacontroles dient plaats te vinden en dat eiser in de tussenliggende periode niet wordt behandeld door de internist. Mocht het nodig zijn, dan is medische behandeling voor eiser mogelijk in Afghanistan. Bij uitblijven van de behandeling wordt geen medische noodsituatie verwacht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat nu eiser niet aan de hiervoor in 2.6 genoemde voorwaarden heeft voldaan, er geen aanleiding is de geldigheidsduur van de aan eiser verleende verblijfsvergunning te verlengen. Verweerder heeft afgezien van het horen van eiser op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.8 Eiser heeft hiertegen in beroep het volgende aangevoerd. Eiser lijdt nog steeds aan een chronische Hepatitis C, type 1B. Pas nadat de specialistische onderzoeken medio juli 2007 en medio juli 2008 hebben plaatsgevonden kan worden vastgesteld of eiser genezen is. Eiser verwijst naar een overgelegde brief van zijn behandelend internist, dr. Van Wijngaarden, van 15 maart 2007. Eiser is van mening dat er op grond van deze brief concrete aanknopingspunten zijn om aan de juistheid van de inhoud van het BMA-advies te twijfelen. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 Awb. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hij ten onrechte niet is gehoord naar aanleiding van zijn bezwaarschrift.

2.9 Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat eiser geen concreet aanknopingspunt heeft aangevoerd dat leidt tot twijfel aan de juistheid van het BMA-advies. De in bezwaar overgelegde brief van dr. Van Wijngaarden bevestigt volgens verweerder de in het BMA-advies geschetste situatie.

2.10 Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder gesteld dat BMA een onderscheid maakt tussen behandeling in enge zin en behandeling in ruime zin. In het BMA-advies bedoelt BMA aan te geven dat geen sprake is van behandeling in enge zin en dat behandeling in ruime zin, waaronder begrepen de nacontroles mogelijk is in het land van herkomst, aldus verweerder. De gemachtigde van eiser heeft hierop ter zitting gereageerd en aangegeven dat nu het BMA-advies niet op voorhand duidelijk is en interpretatie behoeft, het BMA-advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.11 Naar aanleiding van de aanvraag van eiser heeft verweerder medisch advies verzocht aan BMA. Op 17 januari 2007 heeft BMA een rapport uitgebracht, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“1b. Zo ja, wat is de aard van de klachten?

Betrokkene is bekend met een genezen Hepatitis C. Hij werd gedurende een jaar met succes hiervoor behandeld. Een half jaar nadat de therapie was beëindigd was het virus nog steeds afwezig. Er zullen nog nacontroles moeten plaatsvinden in juli 2007 en juli 2008 omdat er een kleine kans is dat het virus opnieuw terugkeert. Intussen wordt betrokkene niet behandeld door de internist. […]

2a. Staat betrokkene voor de bovengenoemde klacht(en) onder medische behandeling, of wordt medische behandeling binnenkort gestart?

Ja. Zie ook 2b.

2b. Zo ja, wat is de aard van deze behandeling, door wie wordt deze behandeling gegeven en is de behandeling van tijdelijke- of blijvende aard?

Zie 1b. Er is geen behandeling, doch wel een jaarlijkse controle in verband met de genezen hepatitis infectie. Deze controles zijn tijdelijk. De laatste controle is gepland voor juli 2008. […]

3a. Worden dergelijke klachten behandeld in het land van herkomst of het land waarnaar verwijdering zal plaatsvinden? [...]

Uitgaande van de beschikbare informatie m.b.t. de therapiemogelijkheden in het land van herkomst/land van eventuele verwijdering, concludeer ik op basis van de eerder genoemde brondocumenten dat er wel voldoende adequate behandelmogelijkheden in Afghanistan aanwezig zijn. Behandeling door een internist is mogelijk. Er zijn vele ervaren internisten met name in Kaboel. […]

4. Zal, gelet op de huidige medische inzichten, het uitblijven van de onder 2. genoemde behandeling leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn (voorheen genoemd acute medische noodsituatie)?

Nee. Er zijn op basis van de beschikbare gegevens van de behandelend sector geen aanwijzingen dat een dergelijke situatie kan worden verwacht.”

2.12 Ingevolge vaste jurisprudentie dient een advies van BMA te worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. Indien een zodanig advies op een objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld, mag verweerder bij de besluitvorming op aanvragen in beginsel van dat advies uitgaan.

2.13 Ten aanzien van de stelling van eiser dat de opvatting van BMA dat sprake zou zijn van een ‘inmiddels genezen hepatitis C-virus’ feitelijk onjuist is waardoor aan de stelling dat het uitblijven van de behandeling niet tot een medische noodsituatie zal leiden, feitelijke grondslag ontbreekt, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het BMA-advies blijkt dat de strekking van het BMA-advies overeenkomt met de in bezwaar overgelegde brief van de behandelend internist. Uit de overgelegde brief blijkt immers, evenals uit het BMA-advies, dat een succesvolle behandeling heeft plaatsgevonden en dat er nacontroles plaatsvinden. Gelet op het voorgaande biedt de overgelegde brief geen concreet aanknopingspunt om te twijfelen aan het BMA-advies.

2.14 De rechtbank is echter van oordeel dat uit het BMA-advies niet duidelijk blijkt welke uitleg volgens BMA moet worden gegeven aan de term ‘behandeling’ in het antwoord op vraag 3a. Nu onduidelijk is of met de term ‘behandeling’ behandeling door middel van medicijnen en/of behandeling in de vorm van nacontroles wordt bedoeld, blijkt uit het BMA-advies niet welke behandeling in het land van herkomst mogelijk is. Dit is van belang, aangezien niet in geschil is dat in de periode van nacontroles recidive van het Hepatitis C-virus kan optreden, waarna behandeling met medicijnen hervat dient te worden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder zorgvuldigheidshalve niet van het BMA-advies had mogen uitgaan.

2.15 De overige gronden van beroep behoeven geen bespreking meer.

2.16 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 Awb.

2.17 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.18 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.19 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht vergoedt.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met in achtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- te betalen aan eiser;

3.5 draagt de Staat der Nederlanden op € 143,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.I. de Vreese-Rood, rechter, en op 15 augustus 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid mr. H. van Kamperdijk, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.