Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6260

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-09-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
AWB 07/2852
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mvv / gezinsleven / positieve verplichting

Referent, de vader van eiser, heeft zich in 1990 in Nederland gevestigd. Kort daarna heeft hij gehoord dat zijn in Suriname wonende ex-partner zwanger was. Referent heeft eiser erkend, maar eiser is in Suriname bij zijn moeder opgegroeid. In juli 2004 is eisers moeder vrij plotseling overleden. Volgens verweerder vloeit uit artikel 8 van het EVRM geen positieve verplichting voort om eiser thans in Nederland toe te laten. De rechtbank acht in het kader van de belangenafweging het volgende van belang. Dat referent er destijds voor heeft gekozen om in Nederland te blijven wonen en eiser bij zijn moeder in Suriname achter te laten kan, niet worden gezien als een onherroepelijke beslissing om elk zicht op gezinshereniging op te geven. Daar komt bij dat de omstandigheden waaronder referent destijds deze keuze heeft gemaakt, inmiddels ingrijpend zijn gewijzigd door het overlijden van de moeder van eiser. Eiser bevindt zich hierdoor in een kwetsbare positie en is, meer dan voorheen, van eiser afhankelijk. Eiser heeft gelet op zijn kwetsbare positie na het overlijden van zijn moeder, een bijzonder belang bij opname in het gezin van referent. Verweerder heeft dit als zodanig niet betwist, maar acht Suriname het meest aangewezen land voor gezinshereniging. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Referent en zijn huidige echtgenote wonen al zeer lang in Nederland en hebben hier beiden een vaste baan. Hun kinderen, ten tijde van het bestreden besluit elf en vijf jaar oud, zijn in Nederland geboren en getogen, gaan hier naar school en hebben hier hun sociale leven opgebouwd. Zij hebben behalve de afkomst van hun ouders geen band met Suriname. Eiser, zijn echtgenote en hun kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. Voorts zijn de families van referent en zijn echtgenote ook in Nederland woonachtig. Gelet op het voorgaande bestaan er naar het oordeel van de rechtbank ernstige bezwaren tegen gezinshereniging in Suriname. Toelating van eiser tot Nederland is dan ook de meest aangewezen weg om de gezinshereniging tussen eiser en referent te effectueren. Door van referent en zijn gezin te verlangen dat zij afstand nemen van hetgeen zij in Nederland hebben opgebouwd, heeft verweerder verzuimd een rechtvaardig evenwicht te vinden tussen de belangen van eiser, referent en zijn gezin enerzijds en het belang van de Nederlandse Staat bij een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Beroep gegrond. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van de uitspraak een machtiging tot voorlopig verblijf verstrekt aan eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 en 72, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 07/2852

V-nr.: 270.769.2092

inzake:

[Eiser], geboren op [geboortedag] november 1990, van Surinaamse nationaliteit, wonende te Suriname, eiser,

gemachtigde: mr. M. Berg, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. J.M.K. Frijters, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 30 mei 2005 heeft eiser bij de Nederlandse ambassade te Paramaribo een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “verblijf als minderjarig kind bij ouder [referemt]” (hierna: referent). Bij besluit van 28 juli 2005 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij op 20 augustus 2005 ingekomen bezwaarschrift heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 8 december 2005 is referent gehoord door een ambtelijke commissie. Bij besluit van 28 december 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 23 januari 2006 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 18 juli 2006, kenmerk AWB 06/4685, heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, het beroep gegrond verklaard.

3. Tegen deze uitspraak heeft verweerder hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 16 januari 2007, kenmerk 200605895/1, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 18 juli 2006 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2007. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig referent en zijn echtgenote.

5. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in haar eerdergenoemde uitspraak van 18 juli 2006 - kort samengevat - het volgende overwogen. Verweerder was niet gehouden op grond van artikel 3.13 en 3.14 van het Vb aan eiser een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen. De daartegen gerichte beroepsgronden zijn ongegrond verklaard. Het bestreden besluit ontbeert echter een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat verweerder heeft nagelaten zich middels het horen van eiser op de hoogte te stellen van de huidige situatie van eiser. Dit leidt tot het oordeel dat verweerder onvoldoende informatie heeft vergaard om een adequate belangenafweging te kunnen maken. Voorts is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd omdat in het bestreden besluit geen, althans onvoldoende, aandacht is besteed aan de betekenis van het overlijden van eisers moeder voor de beoordeling van het onderhavige geschil. Door dit overlijden is een nieuwe situatie ontstaan ten aanzien van eisers verzorging ten opzichte van de oorspronkelijke keuze van de ouders. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

4. De AbRS heeft in haar uitspraak van 16 januari 2007 - eveneens kort samengevat - als volgt overwogen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen heeft de minister bij de voorbereiding van de beslissing de nodige kennis vergaard omtrent de situatie van eiser in Suriname, en deze blijkens het bestreden besluit op inzichtelijke wijze betrokken bij de afweging van de belangen van de vreemdeling enerzijds en het algemeen belang anderzijds. Ook de betekenis van de dood van de moeder van eiser is in de procedure aan de orde gekomen en betrokken in de belangenafweging in het bestreden besluit. Derhalve valt volgens de AbRS niet in te zien dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

III. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Wet op de Raad van State (Wet RvS), voor zover thans van belang, wijst de AbRS de zaak terug naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld, indien zij van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld.

1.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 23 maart 2005 (JV 2005, 190) dient artikel 44 van de Wet RvS zo te worden opgevat dat een teruggewezen zaak moet worden beoordeeld en beslist binnen de grenzen van het geding, zoals dat was afgebakend in eerste aanleg, eventueel gecorrigeerd in hoger beroep en met inachtneming van de oordelen van de AbRS aangaande de aangevoerde beroepsgronden en omtrent de te verrichten ambtshalve toetsing.

2. Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag in hoeverre de rechtbank nog ruimte heeft om te beoordelen of het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 8 van het EVRM, gelet op voornoemde uitspraak van de AbRS.

3. De gemachtigde van verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat deze beroepsgrond door de AbRS volledig is besproken en derhalve niet meer ter beoordeling van de rechtbank staat. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Zoals ook namens eiser is betoogd, strekt het oordeel van de AbRS zich slechts uit over de vraag in hoeverre verweerder alle van belang zijnde feiten in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft verzameld en kenbaar in de belangenafweging in het bestreden besluit heeft betrokken. De AbRS heeft het oordeel hieromtrent van de rechtbank in haar uitspraak van 18 juli 2006 onjuist geacht en deze uitspraak om die reden vernietigd. Evenmin als de meervoudige kamer in haar uitspraak van 18 juli 2006 heeft de AbRS zich echter uitgelaten over de vraag of de door verweerder gemaakte belangenafweging, zoals neergelegd in het bestreden besluit, inhoudelijk in strijd is met artikel 8 van het EVRM en in zoverre niet in overeenstemming is met artikel 3:4 van de Awb.

3. Laatstgenoemde vraag ligt derhalve thans nog bij de rechtbank voor. Voor de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en door verweerder niet bestreden omstandigheden.

4. Referent heeft zich in 1990 in Nederland gevestigd. Kort daarna heeft hij gehoord dat zijn in Suriname wonende ex-partner zwanger was. Begin 1991 is referent naar Suriname gegaan om zijn pasgeboren kind te erkennen. Na enige tijd in Suriname te hebben verbleven is referent weer teruggekeerd naar Nederland. Eiser is bij zijn moeder in Suriname gebleven. In 1992 is referent hier te lande getrouwd met zijn huidige echtgenote. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, één in 1994 en één in 2000. Referent, zijn echtgenote en hun kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. Verder is referent verscheidene keren voor korte perioden naar Suriname gegaan om eiser te bezoeken. Ook onderhielden referent en eiser telefonisch contact en heeft referent aan het onderhoud van eiser bijgedragen. Samen met zijn nieuwe gezin heeft referent in 1997 een bezoek aan eiser gebracht. In 2000 is tevergeefs getracht een visum voor eiser te verkrijgen. In 2003 is eiser wel een visum verleend en heeft hij een maand bij referent en diens gezin in Nederland verbleven. In juli 2004 is eisers moeder vrij plotseling overleden. In datzelfde jaar heeft referent de Visadienst verzocht advies uit te brengen omtrent de afgifte van een mvv ten behoeve van eiser, op welk verzoek negatief is geadviseerd. Bij beschikking van 12 januari 2005 heeft de kantonrechter te Suriname referent benoemd tot eisers voogd.

5. Verweerder heeft ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM als volgt overwogen. Eiser en referent hebben nimmer in gezinsverband samengeleefd. Het is de keuze van referent geweest om zich in Nederland te vestigen en daarmee het family-life met eiser die inhoud te geven die het sindsdien heeft gehad. Eiser is vanaf zijn geboorte door zijn moeder verzorgd. Sinds het overlijden van eisers moeder in juli 2004 is de zorg overgenomen door zijn grootmoeder aan moederszijde. Eiser is in Suriname geboren en opgegroeid, hij is thans vijftien jaar oud en gaat daar naar school. Mede gelet hierop is de conclusie gerechtvaardigd dat sprake is van worteling in het land van herkomst, waardoor het voor hand ligt dat Suriname het meest aangewezen land is voor gezinshereniging tussen referent en eiser. Dat referent en zijn echtgenote in Nederland een gezinsleven hebben opgebouwd met hun twee kinderen, wordt niet als een zwaarwegend beletsel gezien. Ten aanzien van eiser wordt aangenomen dat de mate van worteling in Suriname, gelet op zijn leeftijd, sterker is dan die van de jongere kinderen in Nederland. Bovendien acht verweerder van belang dat referent en zijn echtgenote beiden van Surinaamse afkomst zijn.

6. Namens eiser is aangevoerd dat de uitoefening van het gezinsleven in Suriname geen optie is. Referent en zijn echtgenote zijn volledig geworteld in Nederland en hebben behoudens hun afkomst geen banden meer met Suriname. Voorts zijn hun jonge kinderen zodanig in Nederland ingeburgerd wat betreft taal en onderwijs dat ook deswege het uitoefenen van het gezinsleven in Suriname geen aanvaardbare optie vormt. In dit verband is sprake van overeenkomsten met de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 21 december 2001 (Sen vs. Nederland, nr. 31465/96, JV 2002/30), waarop door eiser ook in bezwaar al is gewezen. Het feit dat sprake is van een gezin met kinderen die in Nederland zijn geworteld, is in de optiek van het EHRM doorslaggevend bij de beantwoording van de vraag waar het gezinsleven in een situatie als de onderhavige dient te worden uitgeoefend. De stelling van verweerder dat de worteling van het gezin in Nederland niet als zwaarwegend beletsel wordt gezien, wordt dan ook in strijd geacht met de jurisprudentie van het EHRM. Op verweerder rust derhalve de positieve verplichting eiser verblijf in Nederland toe te staan.

De rechtbank overweegt als volgt.

7. Op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op eerbiediging van zijn gezinsleven. Ingevolge het tweede lid van deze bepaling is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.

8. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen eiser en referent, zijn vader, sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, alsmede tussen referent en zijn echtgenote en hun kinderen. Dit is overigens ook niet in geschil.

9. Voorts is, gelet op het feit dat aan eiser nimmer verblijf in Nederland is toegestaan, in dit geval geen sprake van inmenging in het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Of in dit geval uit het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven niettemin voor verweerder een (positieve) verplichting voortvloeit om eiser verblijf in Nederland toe te staan, moet worden vastgesteld aan de hand van een redelijke afweging tussen de belangen van eiser en het algemeen belang van de Nederlandse samenleving. Daarbij dient tevens de vraag te worden betrokken of er ernstige belemmeringen bestaan om het gezinsleven in een ander land uit te oefenen.

10. In het kader van de belangenafweging acht de rechtbank het volgende van belang. Dat referent er destijds voor heeft gekozen om in Nederland te blijven wonen en eiser bij zijn moeder in Suriname achter te laten kan, zoals het Hof in haar eerdergenoemde uitspraak in de zaak Sen heeft overwogen, niet worden gezien als een onherroepelijke beslissing om elk zicht op gezinshereniging op te geven. Daar komt bij dat de omstandigheden waaronder referent destijds deze keuze heeft gemaakt, inmiddels ingrijpend zijn gewijzigd door het overlijden van de moeder van eiser. Eiser bevindt zich hierdoor in een kwetsbare positie en is, meer dan voorheen, van eiser afhankelijk. Alhoewel hij niet de jeugdige leeftijd heeft van het meisje Sinem in de eerdergenoemde zaak Sen, heeft eiser gelet op zijn kwetsbare positie na het overlijden van zijn moeder, een bijzonder belang bij opname in het gezin van referent. Verweerder heeft dit als zodanig niet betwist, maar acht Suriname het meest aangewezen land voor gezinshereniging. De rechtbank volgt dit standpunt niet en wel om de volgende redenen. Referent en zijn echtgenote wonen al zeer lang in Nederland en hebben hier beiden een vaste baan. Hun kinderen, ten tijde van het bestreden besluit elf en vijf jaar oud, zijn in Nederland geboren en getogen, gaan hier naar school en hebben hier hun sociale leven opgebouwd. Zij hebben behalve de afkomst van hun ouders geen band met Suriname. Referent, zijn echtgenote en hun kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. Voorts zijn de families van referent en zijn echtgenote ook in Nederland woonachtig. Gelet op het voorgaande bestaan er naar het oordeel van de rechtbank ernstige bezwaren tegen gezinshereniging in Suriname. De rechtbank acht toelating van eiser tot Nederland dan ook de meest aangewezen weg om de gezinshereniging tussen eiser en referent te effectueren, ook al is eiser geworteld in Suriname. Door van referent en zijn gezin te verlangen dat zij afstand nemen van hetgeen zij in Nederland hebben opgebouwd, heeft verweerder verzuimd een rechtvaardig evenwicht te vinden tussen de belangen van eiser, referent en zijn gezin enerzijds, en het belang van de Nederlandse Staat bij een restrictief toelatingsbeleid anderzijds.

11. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 8 van het EVRM en artikel 3:4 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd. Nu gelet op het voorgaande rechtens nog maar één beslissing mogelijk is, bestaat voor de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van de uitspraak aan eiser een mvv verstrekt.

12. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

13. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de recht¬bank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter ver¬goeding van het door eiser betaalde griffierecht.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. verklaart het bezwaar gegrond;

4. bepaalt dat verweerder binnen 4 weken na verzending van de uitspraak een machtiging tot voorlopig verblijf aan eiser verstrekt met als doel “verblijf als minderjarig kind bij ouder [referent]”;

5. stelt deze uitspraak met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, in de plaats van het vernietigde besluit;

6. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 805,-- (zegge: achthonderd en vijf euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiser;

7. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 138,-- (zegge: honderd en achtendertig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 24 september 2007 door mr. A.J. van Putten, voorzitter en mrs C.I.H. Fockens en E.H. de Jong - van Dooijeweert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Tax, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: ST

Coll: EW

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.