Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6251

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
AWB 07/2165
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Family life tussen (meerderjarige) broer en zus / art. 8 EVRM / more than the normal emotional ties

De rechtbank volgt verweerders visie niet dat eerst sprake is van family-life in de zin van artikel 8 van het EVRM, indien de afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent uitstijgt boven hetgeen gebruikelijk is voor broers en zussen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, nu daarvoor geen steun is te vinden in de jurisprudentie van het EHRM en de ECRM. Uitgangspunt dient te zijn of de afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent de afhankelijkheidsrelatie die in zijn algemeenheid tussen een meerderjarige zuster en haar broer aanwezig kan worden geacht in zodanige mate overstijgt, dat gesproken kan worden van ‘further elements of dependency involving more than the normal emotional ties’. Blijkens de jurisprudentie van de ECRM en het EHRM (onder meer de beslissing van de ECRM inzake Akhtar en Johangir van 29 juni 1992) zijn voor die beoordeling de volgende factoren van belang: eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst. Toetsing van de afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent aan deze elementen leidt ertoe dat ervan moet worden uitgegaan dat sprake is van family-life in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiseres is in zeer belangrijke mate financieel afhankelijk van referent, zij is vanwege haar doofheid niet in staat zelfstandig aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen, sinds de dood van haar ouders is de begeleiding die zij in dat opzicht nodig heeft weggevallen, referent draagt sindsdien voor de belangrijke zaken zorg en heeft door tussenkomst en met behulp van de buurman enkele keren per week telefonisch contact eiseres. Eiseres heeft weliswaar twee zusters in Turkije maar deze wonen ver weg en het huis dat eiseres bewoont is van referent. Met het oog op finale geschillenbeslechting wordt ook ingegaan op de door verweerder gemaakte belangenafweging. Verweerder heeft ten onrechte niet alle relevante omstandigheden kenbaar betrokken bij de belangenafweging. Beroep gegrond wegens strijd met artikel 8 EVRM en artikel 7:12 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/552
RV20070030 met annotatie van Reurs M.A.G. Marcel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 en 72, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 07/2165

V-nr.: 802.535.9131

inzake:

[Eiseres], geboren op [geboortedatum] 1972, van Turkse nationaliteit, wonende te Turkije, eiseres,

gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen, advocaat te ’s-Gravenhage,

tegen:

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigden: eerst mr. M. Bijvank, later mr. J.M. Kobus, ambtenaren bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 8 juni 2006, verzonden op 14 juni 2006, heeft verweerder de aanvraag van 10 februari 2006 om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “verruimde gezinshereniging bij broer [referent] (hierna te noemen: referent)” afgewezen. Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 11 december 2006, verzonden op 15 december 2006, ongegrond verklaard. Op 12 januari 2007 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van 12 februari 2007 heeft eiseres de gronden van het beroep ingediend. In het verweerschrift van 10 april 2007 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

2. Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft plaatsgevonden op 8 mei 2007. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. Bij beslissing van 10 mei 2007 heeft de rechtbank het onderzoek op grond van artikel 8:68 van de Awb heropend teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere standpunten in te nemen over de betekenis van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voor het onderhavige beroep. Bij brief van 14 mei 2007 heeft de rechtbank aan partijen voorts medegedeeld dat zij besloten heeft de zaak op grond van artikel 8:10, tweede lid, van de Awb door te verwijzen naar een meervoudige kamer. Bij brief van 24 mei 2007 heeft eiseres haar standpunt naar voren gebracht. In het verweerschrift van 30 mei 2007 heeft verweerder zijn standpunt naar voren gebracht.

3. Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats is hervat op 27 juni 2007. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. J.M. Kobus. Tevens was ter zitting aanwezig referent. Daarnaast was aanwezig H. Zengir, als tolk in de Turkse taal.

4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, zoals toegelicht in de verweerschriften en ter zitting - samengevat - op het volgende standpunt gesteld. Eiseres komt niet voor de gevraagde mvv in aanmerking nu zij niet voldoet aan de in artikel 3.24 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 genoemde voorwaarden. Eiseres behoorde immers in het land van herkomst niet feitelijk tot het gezin van referent. Voorts valt niet in te zien dat eiseres zich in Turkije niet staande kan houden. Uit de bij de aanvraag en in bezwaar overgelegde informatie blijkt dat eiseres na het overlijden van haar beide ouders in respectievelijk 2004 en 2005 zelfstandig en alleen in het ouderlijk huis is blijven wonen. Gebleken is dat eiseres een sociaal vangnet heeft gecreëerd waardoor zij tot op heden naar behoren kan functioneren. Haar inkomen en sociale zekerheid zijn geregeld via een aan haar toegekende “Bag-Kur”-uitkering van de Turkse overheid. Gebleken is voorts dat referent regelmatig geld naar eiseres stuurt. Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk dat eiseres geïsoleerd en in erbarmelijke omstandigheden leeft. Voorts heeft referent tijdens de hoorzitting verklaard dat zijn zus gehandicapt is, maar dat zij verder gezond van lijf en leden is. Evenmin is gebleken dat eiseres handelingsonbekwaam zou zijn. Derhalve is niet komen vast te staan dat eiseres geen aanvaardbare toekomst in Turkije heeft.

Ten aanzien van het beroep op artikel 8 van het EVRM stelt verweerder zich op het standpunt dat de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (ECRM) zo moet worden gelezen dat er tussen volwassen familieleden pas sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM als er ‘more than the normal emotional ties’ tussen hen bestaan. In het geval van eiseres en referent moet er sprake zijn van ‘more than the normal emotional ties’ dan die welke bestaan tussen een broer en zus in gelijke omstandigheden als die van het onderhavige geval. Nu niet is aangetoond dat eiseres zich niet staande kan houden in Turkije, referent eiseres maar enkele keren heeft bezocht en niet is gebleken dat eiseres volledig financieel afhankelijk is van referent, is van dergelijke banden geen sprake.

2. Eiseres heeft in het beroepschrift, zoals toegelicht ter zitting, - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Eiseres betwist dat in het bestreden besluit nog immer aan eiseres wordt tegengeworpen dat zij niet voldoet aan het vereiste van de feitelijke gezinsband. Daartegen zijn dan ook geen beroepsgronden geformuleerd. In het kader van de beoordeling van de vraag of sprake is van onevenredige hardheid heeft verweerder ten onrechte gesteld dat eiseres een sociaal vangnet om zich heen heeft gecreëerd. De zussen wonen ver van eiseres vandaan. De buurman van eiseres geeft haar geld, dat door referent op zijn rekening is overgemaakt, maar meer hulp biedt hij niet. Referent is de persoon die de beslissingen neemt en zorgt dat de zakelijke dingen voor eiseres geregeld zijn. Eiseres ontvangt slechts een uitkering van € 65,-- , waarmee zij niet rond kan komen. Eiseres verkeert wel degelijk in erbarmelijke omstandigheden.

Voorts is, nu het verslag van de hoorzitting tegelijk met het bestreden besluit is verzonden, aan eiseres de mogelijkheid ontnomen om de juistheid ervan te controleren en, waar nodig, aan te vullen. Hierdoor is eiseres in haar belangen geschaad.

Voorts meent eiseres dat artikel 8 van het EVRM is geschonden. Er is sprake van family life. De beoordeling of sprake is van ‘more than the normal emotional ties’ in relaties tussen volwassen familieleden vindt plaats in het kader van de belangenafweging. Deze belangenafweging is ten onrechte gemaakt vanuit het oogpunt van economisch welzijn. Eiseres en referent behoorden lange tijd, namelijk tot het moment dat haar broer naar Nederland vertrok, tot hetzelfde gezin. Daarna is eiseres samen met de echtgenote en kinderen van referent bij haar ouders blijven wonen. Het hele gezin is steeds financieel afhankelijk gebleven van referent. Na het overlijden van hun ouders heeft referent de financiële en morele rol van gezinshoofd op zich genomen. Er is wel sprake van ‘more than the normal emotional ties’ tussen een broer en een zus.

III. FEITEN

Bij de beoordeling houdt de rechtbank rekening met de volgende niet bestreden feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft tot het vertrek van referent naar Nederland samen met de ouders van eiseres en referent, alsmede met referent zelf en diens gezin in het huis van haar ouders gewoond. Sinds 1986 woont referent in Nederland. Eiseres is sinds haar zestiende, derhalve sinds omstreeks 1988, volledig doof. De echtgenote en kinderen van referent zijn in oktober 2003 in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen. Referent is inmiddels tot Nederlander genaturaliseerd. De vader van eiseres is op 2 juni 2004 overleden en haar moeder op 2 december 2005. De onderhavige aanvraag is twee maanden na het overlijden van de moeder van eiseres ingediend. Eiseres is na het overlijden van haar ouders in dezelfde woning blijven wonen. Van die woning is referent thans de eigenaar.

Referent ondersteunt eiseres financieel door overmaking van € 400 á € 500 per maand aan de buurman van eiseres, die haar dat geld vervolgens geeft. Referent en eiseres onderhouden contact middels het schrijven van brieven, alsmede telefonisch, maar dit laatste door tussenkomst en met hulp van de buurman. Referent regelt alle belangrijke zaken voor eiseres, zoals bijvoorbeeld het onderhoud van en de reparaties aan de woning.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. Verweerder hanteert de vaste bestuurspraktijk dat een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) wordt verleend in gevallen waarin zodanig is voldaan aan de gestelde voorwaarden dat de Staatssecretaris van Justitie tot verlening van een verblijfsvergunning regulier zou overgaan.

3. Blijkens artikel 13 van de Vw 2000 geldt daarbij als uitgangspunt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts wordt ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

4. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

5. Ingevolge artikel 3.24 van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder een beperking verband houdend met gezinshereniging worden verleend aan een ander familielid van een Nederlander of van een vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, dan de echtgenoot of echtgenote, de al dan niet geregistreerde partner, of het minderjarige kind, indien:

a. de vreemdeling naar het oordeel van de Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de persoon bij wie deze vreemdeling wil verblijven, en

b. de achterlating van de vreemdeling naar het oordeel van de Minister een onevenredige hardheid zou betekenen.

De rechtbank overweegt als volgt.

6.1 Allereerst is de vraag aan de orde of het bestreden besluit al dan niet zo moet worden gelezen dat aan eiseres nog immer het gestelde in artikel 3.24, onder a, van het Vb 2000, wordt tegengeworpen. Voor beantwoording van die vraag acht de rechtbank het volgende van belang.

6.2. In het besluit in primo van 8 juni 2006 heeft verweerder - samengevat - als volgt overwogen. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarde, genoemd in artikel 3.24, onder a, van het Vb 2000, nu zij geen deel heeft uitgemaakt van het gezin dat referent in het land van herkomst dan wel in Nederland heeft gesticht. Nu eiseres niet reeds in het land van herkomst behoorde tot het gezin van referent, is er ook geen sprake van achterlating van betrokkene. Er is door verweerder daarom niet bezien of sprake is van onevenredige hardheid, zoals bedoeld in artikel 3.24, onder b, van het Vb 2000.

In de gronden van bezwaar heeft eiseres betoogd dat zij wel feitelijk tot het gezin van haar broer behoort, nu zij en haar broer altijd in hetzelfde gezin hebben gewoond en dat daarom ten onrechte door verweerder niet is beoordeeld of er in haar geval bij achterlating in het land van herkomst sprake is van onevenredige hardheid.

In het besluit op bezwaar zijn de overwegingen uit het besluit in primo niet ingelast. Dit besluit begint inhoudelijk met de volgende overweging:

“Zoals in de bestreden beschikking is overwogen vermeldt artikel 3.24 van het Vb 2000 dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdende met gezinshereniging onder bijzondere omstandigheden kan worden verleend aan een ander familielid van een Nederlander.

Volgens de Vreemdelingencirculaire (Vc) deel B2, hoofdstuk 8.5, betreft het hier gevallen, waarin door bijzondere omstandigheden de algemene belangen die zijn gediend met een restrictief toelatingsbeleid, niet opwegen tegen de belangen van de vreemdeling bij verblijf in Nederland bij de hier gevestigde familieleden”.

Vervolgens wordt het beleid met betrekking tot achterlating, en daarmee samenhangende de vraag of er sprake is van onevenredige hardheid, weergegeven. Dan vermeldt het besluit: “Hiertoe wordt het volgende (aanvullend) overwogen” (onderstreping rechtbank) en wordt door verweerder ingegaan op de vraag of er in het geval van eiseres sprake is van onevenredige hardheid. Verweerder beantwoordt die vraag ontkennend en concludeert :

“Het vorenstaande in overweging genomen, komt betrokkene ingevolge het in het bestreden besluit reeds genoemde beleid niet in aanmerking voor de gevraagde mvv. “

6.3 De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven bewoordingen van het besluit op bezwaar en het feit dat daarin geen enkele overweging is gewijd aan de vraag of eiseres voldoet aan het vereiste van de feitelijke gezinsband - ook niet in reactie op het daarover gestelde in de gronden van bezwaar - , moet worden afgeleid dat hetgeen is bepaald in artikel 3.24, onder a, van het Vb 2000 niet langer aan eiseres wordt tegengeworpen. Overigens heeft verweerder ter zitting ook erkend dat eiseres de overwegingen in het bestreden besluit zo heeft kunnen opvatten.

7.1 Derhalve ligt de vraag voor of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat achterlating in Turkije in het geval van eiseres geen onevenredige hardheid oplevert.

7.2 Ingevolge paragraaf B2/8.5, thans vernummerd tot B2/6.5, van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is er van onevenredige hardheid sprake in die gevallen waarin door bijzondere omstandigheden de algemene belangen, die zijn gediend met een restrictief toelatingsbeleid, niet opwegen tegen de belangen van de vreemdeling bij verblijf in Nederland bij de hier gevestigde familieleden. In het algemeen kan die onevenredigheid slechts aanwezig zijn, indien sprake is van een of meer zeer bijzondere omstandigheden, die bovendien tot gevolg hebben dat de achterlating van de vreemdeling in het land van herkomst een schrijnende situatie zou opleveren. De rechtbank kan deze beoordeling door verweerder slechts terughoudend toetsen.

7.3 Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit op bezwaar in voldoende mate dat verweerder de in bezwaar en tijdens de hoorzitting van de ambtelijke commissie naar voren gebrachte omstandigheden betreffende de situatie van eiseres kenbaar heeft meegewogen bij de besluitvorming, hetgeen op zichzelf door eiseres in beroep ook niet is bestreden. Het standpunt van verweerder terughoudend toetsend is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op de in overweging II.1 weergegeven wijze in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aangevoerde omstandigheden in het onderhavige geval onvoldoende zijn om tot de conclusie te leiden dat de achterlating van eiseres in Turkije een schrijnende situatie oplevert. Daarbij heeft verweerder belang kunnen hechten aan het feit dat eiseres zich ook na de dood van haar moeder staande heeft kunnen houden en dat de financiële ondersteuning door referent vanuit Nederland kan worden voortgezet.

7.4 De in dit verband nog door eiseres naar voren gebrachte beroepsgrond dat, nu het verslag van de hoorzitting eerst tegelijk met het bestreden besluit aan haar is toegezonden, het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en daardoor voor vernietiging in aanmerking komt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Weliswaar kan aan eiseres worden toegegeven dat het bezoek van referent aan eiseres in 2003 niet staat vermeld in het verslag van de hoorzitting en het besluit op bezwaar, welke nalatigheid onzorgvuldig is te noemen. Dat neemt niet weg dat eiseres niet heeft kunnen aangeven, op welke wijze zij hierdoor in haar belangen is geschaad.

7.5 Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet voldoet aan de in artikel 3.24, onder b, van het Vb 2000 genoemde voorwaarde, zodat de onderhavige aanvraag op die grond kon worden afgewezen.

8.1 Daarmee is de vraag aan de orde in hoeverre eiseres aanspraak op een mvv kan maken op grond van artikel 8 van het EVRM.

8.2 Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft, voor zover thans van belang, een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven. Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economische welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

8.3 In verband met de beoordeling van de vraag of, en zo ja welke rechten eiseres aan artikel 8 van het EVRM kan ontlenen, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting van 8 mei 2007 geschorst en partijen verzocht zich uit te laten over de vraag of verweerder al dan niet op goede gronden heeft overwogen dat op de Nederlandse staat geen positieve verplichting rust om eiseres toe te laten, nu er (onder meer) geen sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent die de normale banden tussen volwassen familieleden overstijgt. De rechtbank heeft partijen in dit verband verzocht het feitencomplex in de onderhavige zaak te vergelijken met het feitencomplex in de volgende vier uitspraken:

- het arrest van het EHRM inzake I.B. Javeed van 3 juli 2001, nummer 47390/99;

- de beslissing van de ECRM inzake Akhtar en Johangir van 29 juni 1992, nummer RV 1992, 26;

- de beslissing van de ECRM van 10 december 1984 inzake S. en S. tegen het Verenigd Koninkrijk;

- een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 6 november 2002, JV 2002, 472, met noot van mr. M.M. van Asperen en mr. J. van Duijvendijk-Brand.

8.4 De rechtbank is, zoals ook verweerder ter zitting heeft betoogd, van oordeel dat uit voornoemde jurisprudentie moet worden afgeleid dat de vraag of bij volwassen familieleden sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM afhangt van de invulling die aan het contact tussen de betreffende personen wordt gegeven. Indien niet aannemelijk is gemaakt dat daarbij sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie die de normale banden tussen volwassen familieleden overstijgt, kan niet van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM worden gesproken. Deze beoordeling gaat derhalve aan een eventuele belangenafweging vooraf. Indien geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, is er geen ruimte voor een belangenafweging. De rechtbank verwijst daarbij met name naar de beslissing in de zaak Akhtar van 29 juni 1992, waarin de ECRM onder meer het volgende heeft overwogen:

“The question of the existence or non-existence of ‘family life’ is essentially a question of fact depending upon the real existence in practice of close personal ties.

The Court has held in the Berrehab case that the bond which exists between a child and his parents amounts to family life, whereas cohabitation of parents with their minor children is no indispensable element of the existence of family life between them. The Court, however, also considered that subsequent events may break that tie.

(...)

Concerning the right to respect for the family life of Mr. Akhtar and A. Johangir, the Commission recalls the relationship between adults - a father and his 18 year old son in the present case - would not necessarily acquire the protection of Article 8 of the Convention without evidence of further elements of dependency, involving more than the normal emotional ties, which elements have not been established in the present case.”

8.5 De rechtbank volgt verweerder echter niet in zijn standpunt over de wijze waarop de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘further elements of dependency, involving more than the normal emotional ties’ dient plaats te vinden. In de visie van verweerder is eerst sprake van family-life in de zin van artikel 8 van het EVRM, indien de afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent uitstijgt boven hetgeen gebruikelijk is voor broers en zussen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Daarvoor is evenwel geen steun te vinden in de bovengenoemde jurisprudentie. Uitgangspunt voor die beoordeling dient naar het oordeel van de rechtbank te zijn of de afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent de afhankelijkheidsrelatie die in zijn algemeenheid tussen een meerderjarige zuster en haar broer aanwezig kan worden geacht in zodanige mate overstijgt, dat gesproken kan worden van ‘further elements of dependency involving more than the normal emotional ties’.

Blijkens voornoemde jurisprudentie van de ECRM en het EHRM zijn voor die beoordeling de volgende factoren van belang:

- eventuele samenwoning;

- de mate van financiële afhankelijkheid;

- de mate van emotionele afhankelijkheid;

- de gezondheid van de betrokkenen;

- de banden met het land van herkomst.

8.6 De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat toetsing van de afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent aan deze elementen ertoe leidt dat ervan moet worden uitgegaan dat sprake is van family-life in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank acht hiervoor het volgende redengevend. Met betrekking tot de financiële afhankelijkheid acht de rechtbank van belang dat eiseres, zoals ook blijkt uit de door referent overgelegde stukken, maandelijks € 400,-- tot € 500,-- van referent ontvangt en dat de wezenuitkering die zij van de Turkse autoriteiten ontvangt slechts (ongeveer) € 65,-- per maand bedraagt. Hieruit kan worden afgeleid dat eiseres in zeer belangrijke mate financieel afhankelijk is van referent. De eis van verweerder dat sprake dient te zijn van een volledige financiële afhankelijkheid vindt geen steun in de jurisprudentie. Daarbij komt dat eiseres woont in een huis, waarvan referent de eigenaar is, zodat zij ook in zoverre in financiële zin afhankelijk is van referent. Voorts betreft het hier een dove vrouw, die vanwege haar handicap niet in staat is zelfstandig aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen. Sinds de dood van haar ouders is de begeleiding die zij in dat opzicht nodig heeft weggevallen. Referent draagt sindsdien voor de belangrijke zaken zorg. De rechtbank acht voorts van belang dat is gebleken dat referent twee tot drie keer per week met de buurman telefonisch contact heeft om zo, via hem, met eiseres te communiceren en aldus te vernemen hoe het haar vergaat. Daarnaast onderhoudt referent regelmatig schriftelijk contact met eiseres. Tevens heeft referent zijn zus sinds hij in Nederland verblijft vier keer bezocht. In het kader van de binding van eiseres met Turkije is weliswaar van belang dat zij daar twee zusters heeft wonen. Deze wonen echter op grote afstand. Bovendien is voor de mate van binding met Turkije op grond van de jurisprudentie tevens van belang dat eiseres daar geen eigendom bezit: zoals reeds overwogen bewoont eiseres het huis van referent.

Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wel degelijk sprake is van bijzondere elementen in de afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent als gevolg waarvan die relatie in zoverre uitstijgt boven hetgeen tussen een meerderjarige broer en zijn zuster in het algemeen gebruikelijk kan worden geacht. Voor zover verweerder deze elementen al in de afweging heeft betrokken, heeft hij daaraan niet de juiste waarde toegekend. Het bestreden besluit is op dit punt derhalve ondeugdelijk gemotiveerd en in strijd met artikel 8 van het EVRM

9. Het besluit komt reeds om deze reden voor vernietiging in aanmerking. Teneinde verweerder een handvat te geven voor de verdere besluitvorming en met het oog op finale geschillenbeslechting als doel van het bestuursprocesrecht, ziet de rechtbank aanleiding om ook de beroepsgrond te behandelen die is gericht tegen de overweging die verweerder in het bestreden besluit heeft gewijd aan de vraag of, uitgaande van family-life, de belangenafweging tot toelating noopt. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

9.1 Uitgaande van family-life, dient, nu aan eiseres nimmer verblijf in Nederland is toegestaan, te worden bezien of in dit geval uit het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven voor verweerder een (positieve) verplichting voortvloeit om eiseres verblijf in Nederland toe te staan. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van een redelijke afweging (‘fair balance’) tussen de belangen van eiseres en het algemeen belang van de Nederlandse samenleving. Daarbij dient tevens de vraag te worden betrokken of er ernstige belemmeringen bestaan om het gezinsleven in een ander land uit te oefenen.

9.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit in het kader van deze belangenafweging aangegeven dat met name van betekenis wordt geacht dat referent de zorg voor eiseres uit eigen vrije wil op zich heeft genomen en dat de benodigde opvang, begeleiding en verzorging van eiseres in Turkije plaats kan vinden. Volgens verweerder is niet vast komen te staan dat een schrijnende situatie zou ontstaan doordat eiseres zich anders niet staande zou weten te houden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet met deze overweging heeft kunnen volstaan. Ten onrechte heeft verweerder in deze afweging niet betrokken de elementen die zijn weergegeven in overweging 8.5 en zijn besproken in overweging 8.6. De rechtbank acht voorts in het kader van de belangenafweging van belang dat de situatie voor eiseres sedert de dood van haar moeder is verslechterd, dat het voor eiseres niet is weggelegd naar een dovenschool te gaan, omdat de financiële middelen daartoe ontbreken en dat zij door haar handicap niet in staat is om in Turkije te werken, zodat zij geen zelfstandig bestaan kan opbouwen. Evenmin is aandacht besteed aan de belemmeringen die er voor referent bestaan om het familieleven met eiseres in Turkije uit te oefenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte voornoemde omstandigheden in de belangenafweging geen kenbare rol heeft laten spelen. Ook in zoverre is het besluit derhalve ondeugdelijk gemotiveerd.

10. Het beroep zal gegrond zal worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 8 van het EVRM en artikel 7:12 van de Awb. Verweerder zal worden opgedragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

11. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de nadere zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

12. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit van 11 december 2006;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 805,-- (zegge: acht honderd en vijf euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het griffierecht ad € 141,-- (zegge: honderd één en veertig euro) vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan op 1 oktober 2007 door mr. A.J. van Putten, voorzitter, en mrs. H.J.M. Baldinger en W.J. van Bennekom, rechters, in tegenwoordigheid van P. Deinum, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier,

De voorzitter,

Afschrift verzonden op:

Conc: PD

Coll: MvK

Bp: -

D: B

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.