Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6011

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/53671
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / excessief formalisme / gelijkheidsbeginsel

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet beschikt over een geldige mvv. Evenmin is tussen partijen in geschil dat eiser niet valt onder de in artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 genoemde categorieën vreemdelingen die van het bezit van een (geldige) mvv zijn vrijgesteld. Verweerder heeft zich in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat er geen reden aanwezig is voor toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000. Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat sprake is van excessief formalisme door te stellen dat eiseres reeds in 1996 een mvv aan had moeten vragen. Daarbij wijst eiseres op arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens inzake Rodrigues Da Silva en Hoogkamer (JV 2006/90). De rechtbank overweegt dienaangaande dat de aanvraag om afgifte van een mvv de overheid in staat stelt te onderzoeken of de vreemdeling aan alle voor toelating gestelde eisen voldoet, zonder daarbij door diens aanwezigheid hier te lande voor een voldongen feit te worden geplaatst. Een mvv kan niet worden verleend om de binnenkomst in Nederland achteraf te legaliseren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het vasthouden aan het mvv-vereiste in beginsel geen excessief formalisme is. De stelling van eiseres dat als zij in 1996 een mvv had aangevraagd, zij deze net als haar moeder zou hebben gekregen, kan niet leiden tot het oordeel dat in dit concrete geval sprake is van excessief formalisme. Een eventueel in 1996 verkregen mvv kan immers niet voor de onderhavige aanvraag worden gebruikt. Bovendien is de aanvraag van haar moeder waartoe die mvv in 1996 diende indertijd verleend ten behoeve van gezinshereniging met haar toenmalige echtgenoot, en heeft die overigens nimmer geleid tot verlening van een vergunning tot verblijf, omdat die echtgenoot wegens (langdurige) detentie niet over voldoende middelen van bestaan beschikte en de moeder tevens een vergunning voor verblijf bij haar toenmalige schoonouders is geweigerd. Voor verblijf bij haar moeder en de toenmalige echtgenoot van haar moeder, zou eiseres, net als haar moeder, op die grondslag evenmin in aanmerking zijn gekomen voor een vergunning tot verblijf en zou zij dus sindsdien zonder verblijfstitel in Nederland verblijven. In zoverre verschilt deze zaak dan ook essentieel van de uitspraak Rodrigues Da Silva en Hoogkamer, waar eiseres zich op beroept. Voorts doet eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel nu in november 2006 twee Turkse meisjes van het mvv-vereiste zijn vrijgesteld (zie beantwoording kamervragen aan de Minister van Justitie, Kamervragen met antwoord 2006-2007, nr. 575 Tweede Kamer).

De rechtbank overweegt dat bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel de belanghebbende het gelijke geval enkel gemotiveerd behoeft te stellen. Het is vervolgens aan verweerder om naar het mogelijk gelijke geval een onderzoek in te stellen. Verweerder heeft immers het meeste zicht op de consistentie van zijn eigen beleid en dient dat te bewaken. De rechtbank overweegt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in iedere zaak een individuele belangenafweging plaatsvindt en dat de onderhavige zaak geen gelijk geval betreft met het geval van de twee Turkse meisjes. De rechtbank acht daarbij van belang dat zowel de vader als de stiefmoeder van de twee Turkse meisjes een verblijfstitel hebben, terwijl de biologische moeder en grootouders in Turkije verblijven. Met deze moeder en grootouders hebben de meisjes geen contact en de moeder en grootouders zijn niet bereid de meisjes op te nemen. De moeder van eiseres echter verblijft illegaal in Nederland.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 17
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/551
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB06/53671

Datum uitspraak: 1 oktober 2007

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiseres],

geboren op [datum] 1991,

v-nummer [nummer],

van Turkse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. C.A. Madern,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 15 februari 2005 heeft eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘gezinshereniging bij ouder(s)’ aangevraagd. Bij besluit van 11 mei 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

Daartegen heeft eiseres op 24 mei 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 oktober 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 1 november 2006 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 18 september 2007. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L. Verheijen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘gezinshereniging bij ouder(s)’ afgewezen, omdat eiseres niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv), en voorts niet is gebleken dat eiseres behoort tot één van de categorieën vreemdelingen in artikel 17, eerste lid, a tot en met f, van de Vw 2000 dan wel in artikel 3.71, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), die voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komen. De door eiseres aangevoerde gronden leiden naar de mening van verweerder niet tot het oordeel dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste zou leiden tot onbillijkheid van overwegende aard. Het vasthouden aan het vereiste dat een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) moet worden aangevraagd is niet in strijd met artikel 8 van het (Europees) Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) nu dit niet betekent dat uitoefening van het gezinsleven nimmer zal worden toegestaan.

3. Hiermee kan eiseres zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende, kort samengevat, aangevoerd. Verweerder heeft niet voortvarend gehandeld door bijna een jaar na de aanvraag een advies te vragen aan het Bureau Medisch Advies (hierna: het BMA). Eiseres is van mening dat (tijdelijk) vertrek naar Turkije van onevenredige hardheid is, nu eiseres naast haar medische problemen naar een school gaat voor zeer moeilijk lerende kinderen en haar school zal moeten onderbreken. Langdurig illegaal verblijf behoort bovendien geen negatief gevolg te hebben voor toepassing van de hardheidsclausule. Voorts doet eiseres een beroep op de artikelen 3 en 9 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) en artikel 8 van het EVRM. Eiseres stelt zich bovendien op het standpunt dat sprake is van excessief formalisme door nu te stellen dat eiseres in 1996 al een mvv aan had moeten vragen. Ten slotte doet eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel nu twee Turkse meisjes in Amsterdam wel zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. In artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 en in artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 worden categorieën vreemdelingen opgesomd die van het bezit van een (geldige) mvv zijn vrijgesteld.

6. Ingevolge het bepaalde in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 kan het mvv-vereiste niet worden tegengeworpen, indien toepassing daarvan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze bepaling wordt aangeduid als de hardheidsclausule. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1999-2000, 26732, nr. 7, p.108-109) blijkt dat de in deze bepaling neergelegde bevoegdheid beperkt van omvang is. Gevallen waaromtrent is voorzien dat het mvv-vereiste niet zal kunnen worden tegengeworpen, zijn bij artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 van dat vereiste uitgesloten, zodat toepassing van de hardheidsclausule beperkt kan blijven tot zeer uitzonderlijke gevallen die door de regelgever niet zijn voorzien.

7. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres niet beschikt over een geldige mvv. Evenmin is tussen partijen in geschil dat eiseres niet valt onder de in artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 genoemde categorieën vreemdelingen die van het bezit van een (geldige) mvv zijn vrijgesteld.

8. Derhalve staat de rechtbank voor de vraag of verweerder in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat er geen reden is voor toepassing van de hardheidsclausule.

9. Ter onderbouwing van het beroep op de hardheidsclausule heeft eiseres aangevoerd dat zij reeds lange tijd in Nederland verblijft, een progressieve spierziekte heeft, dat zij een school bezoekt voor zeer moeilijk lerende kinderen, dat zij gehecht is aan haar vader en dat in Nederland verschillende familieleden verblijven.

De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden niet kunnen leiden tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Uit de Vreemdelingencirculaire blijkt dat lang verblijf in Nederland geen aanleiding vormt om vrij te stellen van het mvv-vereiste. Dat eiseres haar school zou moeten onderbreken en gehecht is aan haar vader, maakt niet dat zij in dit opzicht verschilt van andere kinderen in dezelfde situatie. Uit het advies van het Bureau Medische Advisering van 27 april 2006 blijkt voorts dat eiseres kan afreizen naar Turkije om aldaar de verlening van een mvv af te wachten.

10. Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat sprake is van excessief formalisme door te stellen dat eiseres reeds in 1996 een mvv aan had moeten vragen. Daarbij wijst eiseres op Richtlijn 2003/86 van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de Richtlijn) en het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens inzake Rodrigues Da Silva en Hoogkamer (JV 2006/90).

De rechtbank overweegt dienaangaande dat de aanvraag om afgifte van een mvv de overheid in staat stelt te onderzoeken of de vreemdeling aan alle voor toelating gestelde eisen voldoet, zonder daarbij door diens aanwezigheid hier te lande voor een voldongen feit te worden geplaatst. Een mvv kan niet worden verleend om de binnenkomst in Nederland achteraf te legaliseren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het vasthouden aan het mvv-vereiste in beginsel geen excessief formalisme is. De stelling van eiseres dat als zij in 1996 een mvv had aangevraagd, zij deze net als haar moeder zou hebben gekregen, kan niet leiden tot het oordeel dat in dit concrete geval sprake is van excessief formalisme. Een eventueel in 1996 verkregen mvv kan immers niet voor de onderhavige aanvraag worden gebruikt. Bovendien is de aanvraag van haar moeder waartoe die mvv in 1996 diende indertijd verleend ten behoeve van gezinshereniging met haar toenmalige echtgenoot, en heeft die overigens nimmer geleid tot verlening van een vergunning tot verblijf, omdat die echtgenoot wegens (langdurige) detentie niet over voldoende middelen van bestaan beschikte en de moeder tevens een vergunning voor verblijf bij haar toenmalige schoonouders is geweigerd. Voor verblijf bij haar moeder en de toenmalige echtgenoot van haar moeder, zou eiseres, net als haar moeder, op die grondslag evenmin in aanmerking zijn gekomen voor een vergunning tot verblijf en zou zij dus sindsdien zonder verblijfstitel in Nederland verblijven. In zoverre verschilt deze zaak dan ook essentieel van de uitspraak Rodrigues Da Silva en Hoogkamer, waar eiseres zich op beroept. Het beroep op de richtlijn is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dan wel geconcretiseerd, zodat dit niet kan leiden tot gegrond verklaring van het beroep, mede in aanmerking nemend dat het stellen van het mvv-vereiste niet in strijd is met de Richtlijn.

11. Voorts doet eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel nu in november 2006 twee Turkse meisjes van het mvv-vereiste zijn vrijgesteld (zie beantwoording kamervragen aan de Minister van Justitie, Kamervragen met antwoord 2006-2007, nr. 575 Tweede Kamer).

De rechtbank overweegt dat bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel de belanghebbende het gelijke geval enkel gemotiveerd behoeft te stellen. Het is vervolgens aan verweerder om naar het mogelijk gelijke geval een onderzoek in te stellen. Verweerder heeft immers het meeste zicht op de consistentie van zijn eigen beleid en dient dat te bewaken.

De rechtbank overweegt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in iedere zaak een individuele belangenafweging plaatsvindt en dat de onderhavige zaak geen gelijk geval betreft met het geval van de twee Turkse meisjes. De rechtbank acht daarbij van belang dat zowel de vader als de stiefmoeder van de twee Turkse meisjes een verblijfstitel hebben, terwijl de biologische moeder en grootouders in Turkije verblijven. Met deze moeder en grootouders hebben de meisjes geen contact en de moeder en grootouders zijn niet bereid de meisjes op te nemen. De moeder van eiseres echter verblijft illegaal in Nederland.

12. Eiseres heeft tevens een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), onder meer neergelegd in de uitspraak van 28 september 2004 (JV 2004/432), dient de vraag of artikel 8 van het EVRM zou moeten leiden tot toelating te worden beoordeeld in de mvv-procedure zelf en niet in het kader van de vraag of het mvv-vereiste aan eiseres mag worden tegengeworpen. Daarbij is van belang dat het handhaven van het mvv-vereiste in beginsel geen permanente verbreking van de gezinsrelatie tot gevolg heeft. In het licht van deze jurisprudentie bestaat voor een beoordeling of artikel 8 van het EVRM tot toelating dient te leiden in de onderhavige procedure in beginsel geen ruimte.

13. Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat bij de besluitvorming belangen van een kind de eerste overweging behoren te vormen en dat in het onderhavige geval dit niet is gebeurd, zodat sprake is van schending van artikel 3 en 9 van het IVRK.

Ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 3 van het IVRK overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer in de uitspraak van 23 september 2004) bevat artikel 3 van het IVRK geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Het beroep van eisers op de hiervoor vermelde bepaling van het IVRK slaagt dan ook niet.

Ten aanzien van het beroep op artikel 9 van het IVRK overweegt de rechtbank dat, voor zover deze verdragsbepaling al een direct toepasbare norm zou inhouden, deze geen aanspraak in het leven roepen die verder strekt dan artikel 8 van het EVRM (zie hiervoor onder meer JV 2006/109).

14. Ten slotte heeft eiseres een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel in het kader van het generaal pardon. Eiseres is van mening dat zij weliswaar nooit een asielaanvraag heeft ingediend, maar dat zij wel lange tijd (illegaal) in Nederland verblijft en daarmee recht heeft op een verblijfsvergunning in het kader van het generaal pardon.

De rechtbank overweegt dat op grond van WBV 2007/11 aan een specifiek aangeduide groep vreemdelingen, onder concrete voorwaarden, een verblijfsvergunning wordt verleend. Er is geen grond voor het oordeel dat de werking van deze regeling zou moeten worden uitgebreid tot vreemdelingen zoals eiseres, die niet tot die specifieke groep behoren. Ook deze grond slaagt derhalve niet.

15. Hetgeen door eiseres meer of anders is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

16. Derhalve is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.M. van Hoof, voorzitter, en mr. C. van Linschoten en mr. drs. G.A. van der Straaten, rechters, en in het openbaar uitgesproken door de voorzitter op 1 oktober 2007 in tegenwoordigheid van mr. M. van Esveld als griffier.

de griffier

de voorzitter