Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB5601

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
15-10-2007
Zaaknummer
AWB 07/1333 en AWB 07/1336
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Brief waarin verweerder de medewerking van verzoekster aan een onderzoek vordert, is een besluit in de zin van art. 1:3, lid 1, Awb. Dit besluit is ingevolge een belastingwet - de AWR - genomen. Het besluit is evenwel geen belastingaanslag en geen voor bezwaar vatbare beslissing.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak met nummer AWB 07/1336. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:86 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk verklaren.Voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1966 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, voorzieningenrechter

Procedurenummer: AWB 07/1333 en AWB 07/1336

Uitspraakdatum: 23 mei 2007

Uitspraken als bedoeld in artikel 8:84 en artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

op het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X.] B.V., gevestigd te [Y.], verzoekster,

inzake het na te noemen besluit van 14 november 2006 van

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij brief van 8 augustus 2006 heeft verweerder aangekondigd op 22 augustus 2006 bij verzoekster een onderzoek in te stellen ter uitvoering van een uit het buitenland ontvangen inlichtingenverzoek.

1.2. Verzoekster heeft op 14 augustus 2006 tegen het door haar in deze aankondiging onderkende besluit bezwaar gemaakt bij verweerder, welk bezwaar bij uitspraak van 28 augustus 2006 door verweerder niet-ontvankelijk is verklaard. Verzoekster heeft bij brief van oktober 2006 beroep tegen de uitspraak op bezwaar ingesteld. In dezelfde brief heeft zij een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Het beroep en het verzoek zijn geregistreerd onder nummer AWB 06/8849, onderscheidenlijk nummer AWB 06/8848.

1.3. Verweerder heeft bij brief van 14 november 2006 enkele vragen aan verzoekster gesteld en tevens verzocht om toezending van een aantal documenten. Verzoekster heeft op 22 november 2006 tegen het door haar in deze brief onderkende besluit bezwaar gemaakt. Omdat een beslissing op dat bezwaar uitbleef, heeft zij bij brief van 14 februari 2007 op de voet van artikel 6:12 van de Awb beroep ingesteld. In dezelfde brief heeft zij een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Het beroep en het verzoek zijn geregistreerd onder nummer AWB 07/1336, onderscheidenlijk nummer AWB 07/1333.

1.4. Verweerder heeft de bezwaarschriften van 14 augustus 2006 en 22 november 2006 opgevat als mede te zijn gericht tegen de beslissing van de Minister van Financiën waarin deze verweerder heeft opgedragen het onder 1.1 bedoelde onderzoek te laten uitvoeren. Verweerder heeft de bezwaarschriften daarom doorgezonden aan de Belastingdienst FIOD-ECD/kantoor Amsterdam, waarna op de bezwaren tegen de zo-even genoemde beslissing van de Minister van Financiën twee maal uitspraak is gedaan namens de Staatssecretaris van Financiën. De eerste uitspraak is gedagtekend 4 april 2007 en is ondertekend door mr. [A.]; de tweede uitspraak is gedagtekend 13 april 2007 en is ondertekend door mr. [B.]. In beide uitspraken is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraken is verzoekster niet bij afzonderlijk(e) beroepschrift(en) opgekomen.

1.5. De onder 1.2 en 1.3 genoemde verzoeken om een voorlopige voorziening zijn behandeld ter zitting van 17 april 2007 te 's-Gravenhage. Aldaar is namens verzoekster verschenen [...], bijgestaan door [...]. Namens verweerder zijn verschenen mrs. [C.], [A.] en [D.].

2. Beoordeling van het verzoek om voeging

2.1. Bij brief van 19 maart 2007 heeft verzoekster gevraagd om voeging van de procedures met de nummers AWB 07/1336 en AWB 06/8849, onderscheidenlijk de nummers AWB 07/1333 en AWB 06/8848. Daarbij heeft zij het standpunt ingenomen dat het door haar in de brief van 14 november 2006 (zie onder 1.3) onderkende besluit geen nieuw besluit is, maar een herroeping of een wijziging als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb van het door haar in de brief van 8 augustus 2006 onderkende besluit (zie onder 1.1).

2.2. In de brief van 14 november 2006 stelt verweerder: "Onverlet ons recht een onderzoek in te stellen bij [X.], waarover thans een fiscale procedure aanhangig is gemaakt, stellen wij u bij deze in de gelegenheid enkele vragen betreffende (de administratie van) [X.] te beantwoorden". De voorzieningenrechter leidt uit deze passage af dat verweerder met de brief van 14 november 2006 niet heeft bedoeld het gestelde in de brief van 8 augustus 2006 te herroepen of te wijzigen. De voorzieningenrechter volgt verzoekster dan ook niet in haar onder 2.1 omschreven standpunt.

2.3. De voorzieningenrechter ziet ook overigens geen reden tot voeging van de voormelde procedures, zodat hij het verzoek tot voeging afwijst.

3. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

3.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In deze belangenafweging speelt een centrale rol het oordeel van de voorzieningenrechter of het bestreden besluit in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

3.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

3.3. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2 is overwogen, begrijpt de voorzieningenrechter het beroep met nummer AWB 07/1336 (hierna: het beroep) en het verzoek om een voorlopige voorziening met nummer AWB 07/1333 (hierna: het verzoek om een voorlopige voorziening) aldus dat verzoekster met het beroep wil bereiken dat voor recht wordt verklaard dat zij de onder 1.3 genoemde informatie niet aan verweerder behoeft te verstrekken en dat het verzoek om een voorlopige voorziening ertoe strekt dat het door haar in de brief van 14 november 2006 onderkende besluit wordt geschorst totdat is beslist op het beroep.

3.4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de brief van 14 november 2006 de vastlegging van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Bij dit oordeel neemt de voorzieningenrechter het volgende in aanmerking. In de brief vordert verweerder dat verzoekster hem de daarin genoemde informatie verstrekt. Deze vordering is een beslissing, inhoudende een publiekrechtelijke rechthandeling. Zij doet immers rechtsgevolg in de verhouding tussen verweerder en verzoekster ontstaan doordat zij rechtstreeks ingrijpt in de rechtspositie van verzoekster (vgl. Centrale Raad van Beroep 30 oktober 1997, AB 1998, 166). Voorts ontleent verweerder de bevoegdheid tot het doen van de vordering aan een speciaal voor hem bij of krachtens de wet, meer in het bijzonder de hierna onder 3.5. genoemde bepalingen, geschapen grondslag.

3.5. Verweerder stelt en de voorzieningenrechter acht aannemelijk dat verweerder het besluit van 14 november 2006 heeft genomen in het kader van een door hem op de voet van artikel 8, eerste lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (hierna: WIB) ingesteld onderzoek ten behoeve van de verstrekking van inlichtingen welke van belang kunnen zijn voor de heffing van een in artikel 1 van de WIB bedoelde belasting van derden op verzoek van een bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de WIB. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de WIB zijn bij een dergelijk onderzoek de bepalingen van Hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de AWR, met uitzondering van artikel 53, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 8 van de WIB strekt artikel 8, tweede lid, van de WIB ertoe voor een krachtens artikel 8, eerste lid, van de WIB uit te voeren onderzoek dezelfde regels van toepassing te doen zijn als voor een onderzoek dat ten behoeve van de Nederlandse belastingheffing zou worden verricht (Kamerstukken II 1984/85, 18 852, nr. 3, blz. 14), waarbij de inspecteur de aan hem in de hierboven genoemde bepalingen van de AWR toegekende bevoegdheden kan uitoefenen (Kamerstukken II 1984/85, 18 852, nr. 6, blz. 7-8 en nr. 9, blz. 8).

3.6. Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder het besluit van 14 november 2006 genomen op grond van de bevoegdheden welke hij ontleent aan de onder 3.5 genoemde bepalingen van de AWR, meer in het bijzonder aan de artikelen 47, 48 tot en met 50 en 53. Nu de AWR in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de AWR is aangemerkt als belastingwet, is het besluit van 14 november 2006 een ingevolge de belastingwet genomen besluit als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de AWR. Ingevolge die bepaling staat tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit, in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, slechts beroep open indien sprake is van een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. Aangezien het besluit van 14 november 2006 geen belastingaanslag in de zin van artikel 2, derde lid, aanhef en onderdeel e, van de AWR is en evenmin bij of krachtens de wet met zoveel woorden als voor bezwaar vatbare beschikking is geduid, staat daartegen geen beroep bij de rechtbank open en - ingevolge het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb - evenmin bezwaar bij het bestuursorgaan.

3.7. Nu sprake is van een door verweerder genomen besluit, is verweerder gehouden op het daartegen bij hem ingediende bezwaar uitspraak te doen. Hieraan doet niet af dat, naar volgt uit hetgeen onder 3.6 is overwogen, slechts één beslissing op het bezwaar mogelijk is, te weten de niet-ontvankelijkverklaring daarvan.

3.8. De termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit bedraagt een jaar (artikel 25, eerste lid, AWR). Uit de vaststaande feiten volgt dat deze termijn nog niet is verstreken zodat verweerder niet in gebreke is tijdig een uitspraak op bezwaar te doen. Van het niet tijdig nemen van een besluit, waartegen op de voet van artikel 6:2, aanhef en onderdeel b, van de Awb juncto artikel 26 van de AWR beroep kan worden ingesteld, was ten tijde van de indiening van het beroepschrift en is nog steeds geen sprake. Evenmin is gesteld of gebleken dat ten tijde van de indiening van het beroep reeds uitspraak op bezwaar was gedaan of verzoekster redelijkerwijs kon menen dat zulks het geval was (artikel 6:10, eerste lid, Awb).

3.9. De uitspraken die op 4 en 13 april 2007 namens de Staatssecretaris van Financiën zijn gedaan op het bezwaar van 22 november 2006 hebben blijkens de onder 1.4 vermelde feiten betrekking op een ander primair besluit en zijn gedaan door een ander bestuursorgaan dan het orgaan dat - naar hiervoor is overwogen - dient te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 14 november 2007, zijnde verweerder. Er is dan ook geen grond om het beroep met nummer AWB 07/1336 op de voet van artikel 6:20, derde lid, van de Awb aan te merken als mede te zijn gericht tegen de uitspraken op bezwaar van 4 en 13 april 2007. Nu tegen die uitspraken ook geen afzonderlijk beroep is ingesteld, kunnen zij in dit geding niet aan de orde komen. De daarop betrekking hebbende stellingen van verzoekster behoeven geen bespreking.

3.10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak met nummer AWB 07/1336. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:86 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3.11. Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak is er geen reden voor het treffen van een voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

4. Proceskosten

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

5. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage:

verklaart het beroep (AWB 07/1336) niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 07/1333) af.

Deze uitspraken zijn vastgesteld op 23 mei 2007 en de beslissingen zijn op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Holdert, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak (AWB 07/1336) kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.