Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB5269

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-08-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/17359
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verbijfsvergunning / taalanalyse / vertrouwensbeginsel

Verweerder heeft bij besluit van 26 juni 2006 de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken omdat uit een onderzoek taalanalyse is gebleken dat eiser niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen de Nuba-bergen. Het beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van 12 mei 2005 van deze rechtbank gegrond verklaard.

Nu verweerder tegen de uitspraak van 12 mei 2005 geen hoger beroep heeft ingesteld was verweerder gehouden aan die uitspraak uitvoering te geven en te motiveren waarom eiser niet langer het voordeel van de twijfel gegund werd en als nog een taalanalyse werd opgestart. Verweerder heeft dit niet gedaan en geeft als verklaring hiervoor dat uit de stukken is gebleken dat de reden van inwilliging van de aanvraag destijds niet was gelegen in het geven van het voordeel van de twijfel maar in het niet verder overschrijden van de wettelijke beslistermijn. De rechtbank vermag niet in te zien waarom verweerder deze verklaring niet reeds in de vorige beroepsprocedure naar voren heeft gebracht, terwijl toen reeds, gelet op de inhoud van interne minuten, bekend was, althans kon zijn, wat de reden was om tot vergunningverlening over te gaan. Door toen de interne minuten niet te raadplegen, heeft verweerder het risico genomen dat de rechtbank onjuiste informatie werd verschaft en (mede) op basis daarvan uitspraak zou doen. De rechtbank komt tot de conclusie dat het voor rekening van verweerder komt dat hij aan die uitspraak geen uitvoering heeft kunnen geven. Verweerder heeft reeds op 13 augustus 2002 een taalanalyse gestart vanwege gerezen twijfel aan de herkomst van eiser. Niettemin heeft verweerder eiser een verblijfsvergunning asiel verleend zonder hem daarbij van de gerezen twijfel mededeling te doen. Nu verweerder dit heeft nagelaten en ook overigens zonder het maken van enig voorbehoud eiser voor de duur van drie jaar een verblijfsvergunning asiel heeft verleend, mocht eiser er van uitgaan dat hij met zijn zienswijze verweerder alsnog van zijn Nuba afkomst had overtuigd en hem daarom de verblijfsvergunning was verleend. Onder die omstandigheden stond het verweerder niet meer vrij om, zonder in strijd te geraken met het vertrouwensbeginsel, van zijn bevoegdheid gebruik te maken om de verleende vergunning in te trekken.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/513

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 06/17359

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 20 augustus 2007

in de zaak van:

[Eiser],

geboren op [geboortedatum] 1973, van Soedanese nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. M. Woudwijk, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. H.K. Koppert, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verweerder heeft bij besluit van 26 juni 2006 de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, geldig van 30 oktober 2001 tot 30 oktober 2004 ingetrokken. Op 23 juli 2003 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is bij uitspraak van 12 mei 2005 van deze rechtbank en nevenzittingsplaats (AWB 03/40498) gegrond verklaard.

1.2 Bij besluit van 13 maart 2006 is de aan eiser verleende vergunning asiel voor bepaalde tijd wederom ingetrokken. Eiser heeft tegen dit besluit op 6 april 2006 beroep ingesteld.

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 3 mei 2007. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden ingetrokken, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen zou hebben geleid. Uit paragraaf C6/31.2.1.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) volgt, voor zover relevant, dat met artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, Vw wordt beoogd de situatie te herstellen zoals die rechtens zou zijn geweest, indien wel de juiste gegevens zouden zijn verstrekt.

2.3 Verweerder stelt zich in het bestreden besluit - samengevat - op het volgende standpunt. Op 18 september 2002 heeft eiser zijn medewerking verleend aan een taalanalyse. De resultaten van de taalanalyse zijn opgenomen in het rapport van taalanalyse van 5 maart 2003. Uit het rapport is gebleken dat eiser eenduidig te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Soedan (Darfur in West Soedan) en dat hij eenduidig niet herleidbaar is tot de spraakgemeenschap binnen de Nuba-bergen. Hieruit volgt dat eiser onjuiste gegevens met betrekking tot zijn herkomst heeft verstrekt op grond waarvan de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning asiel wordt ingetrokken. Hoewel het een en ander in beroep procedureel duidelijker had kunnen worden toegelicht leidt dit niet per definitie tot de conclusie dat verweerder de situatie zoals deze had dienen te zijn niet kan en mag herstellen. Er is geen aanleiding om op grond van een van de andere gronden van artikel 29 Vw een verblijfsvergunning te verlenen.

2.4 Eiser heeft hiertegen in beroep - samengevat en voorzover hier van belang - het volgende aangevoerd. Bij het toekennen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is aan eiser het voordeel van de twijfel gegeven. Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. In het voornemen van 17 juni 2002 staat dat er reeds voor het nemen van de inwilligende beslissing een taalanalyse is opgestart. Indien verweerder meende dat de twijfel niet was weggenomen na de zienswijze, had er ook geen status verleend dienen te worden. Bovendien is er een vergunning verleend zonder dat daarbij werd meegedeeld dat er een taalanalyse werd gestart omdat er nog twijfel bestond over zijn afkomst. Verweerder had dienen aan te geven wat de aanleiding is geweest om alsnog een taalanalyse te laten plaatsvinden.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 In geschil is de vraag of verweerder op goede gronden de verblijfsvergunning asiel heeft ingetrokken. Bij beantwoording van die vraag is het volgende van belang.

2.6 Bij voornemen van 17 juni 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot afwijzing van de aanvraag van eiser wegens twijfel aan zijn afkomst. Niet geloofwaardig werd geacht dat eiser tot de Nuba-bevolkingsgroep behoort, omdat hij niet in staat is zijn stamtaal te spreken, maar uitsluitend Arabisch spreekt. In de zienswijze heeft eiser dit standpunt van verweerder gemotiveerd betwist. Verweerder is daarna bij besluit van 16 augustus 2002 overgegaan tot inwilliging van de aanvraag op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. In het verweerschrift in het beroep van eiser tegen het eerdere besluit van 26 juni 2003 heeft verweerder gesteld dat voornoemde verblijfsvergunning is verleend omdat eiser, voor wat betreft zijn afkomst, het voordeel van de twijfel werd gegeven. Op grond van het rapport van taalanalyse van 5 maart 2003 is de verleende verblijfsvergunning ingetrokken.

2.7 In de uitspraak van 12 mei 2005 heeft de rechtbank geoordeeld dat het eerdere besluit van 26 juni 2003 onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd, onzorgvuldig is voorbereid en in strijd is met het beginsel van rechtszekerheid. Overwogen is: Noch het besluit tot verlening noch de bestreden beslissing bevatten de grond waarop de vergunning is verleend. Nu verweerder kennelijk de door eiser gestelde afkomst niet langer ongeloofwaardig achtte, althans verweerder het aanmerkelijke risico heeft aanvaard op grond van onjuiste feiten de aanvraag van eiser in te willigen, had naar het oordeel van de rechtbank verweerder duidelijk dienen te motiveren wat de aanleiding is geweest om eiser niet langer het voordeel van de twijfel te geven en alsnog een taalanalyse te laten plaatsvinden. Hieromtrent heeft verweerder geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Een algemene verwijzing ter zitting naar de herkomstcheck en /of voortschrijdend inzicht is daartoe onvoldoende, zeker nu moet worden aangenomen dat is besloten tot deze taalanalyse kort na de verlening van de vergunning aan eiser. De rechtbank concludeert dat de bestreden beslissing op dat punt niet, althans onvoldoende is gemotiveerd en in strijd is met het beginsel van rechtszekerheid.

2.8 Op 12 oktober 2005 heeft verweerder een nieuw voornemen tot afwijzing uitgebracht. Naar aanleiding van de uitspraak motiveert verweerder in dit voornemen als volgt waarom aan eiser destijds een verblijfsvergunning is verleend: "Voorts wordt overwogen dat op grond van de verklaringen van betrokkene tijdens de gehoren reeds in het voornemen van 17 juni 2002 is geconcludeerd dat het niet geloofwaardig is dat betrokkene tot een Nuba-bevolkingsgroep behoort. Omdat de zienswijze van 8 augustus 2002 deze twijfel niet heeft weggenomen, is op 13 augustus 2002 een taalanalyse opgestart. Echter – zoals hiervoor reeds is vermeld – om de wettelijke beslistermijn niet verder te overschrijden, is betrokkene vooralsnog in bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het categoriale beschermingsbeleid. Dit in afwachting van de uitslag van de reeds opgestarte taalanalyse. Een en ander blijkt uit de interne minuten bij zowel het voornemen van 17 juni 2002 als bij de beschikking van 16 augustus 2002 en voorts uit de aanvraag taalanalyse (zie bijlagen)".

De rechtbank overweegt als volgt.

2.9 Nu verweerder tegen de uitspraak van 12 mei 2005 geen hoger beroep heeft ingesteld was verweerder gehouden aan die uitspraak uitvoering te geven en te motiveren waarom eiser niet langer het voordeel van de twijfel gegund werd en alsnog een taalanalyse werd opgestart. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit niet gedaan heeft. De verklaring hiervoor is, blijkens het bestreden besluit, dat de interne minuten bij het voornemen van 17 juni 2002 en de inwilligende beschikking van 16 augustus 2002 hebben uitgewezen dat de reden voor de inwilliging van de aanvraag niet was gelegen in het geven van het voordeel van de twijfel maar in het niet verder overschrijden van de wettelijke beslistermijn. Hoewel de rechtbank niet twijfelt aan de juistheid van deze verklaring, vermag de rechtbank niet in te zien waarom verweerder deze verklaring niet reeds in de vorige beroepsprocedure naar voren heeft gebracht, terwijl toen reeds, gelet op de inhoud van de interne minuten, bekend was althans kon zijn wat de reden was om tot vergunningverlening over te gaan. Door toen de interne minuten niet te raadplegen, heeft verweerder het risico genomen dat de rechtbank onjuiste informatie werd verschaft en (mede) op basis daarvan uitspraak zou doen.

De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 12 mei 2005 althans dat het voor rekening van verweerder komt dat hij aan die uitspraak geen uitvoering heeft kunnen geven. Het bestreden besluit kan om die reden al geen stand houden.

2.10 Maar ook op andere grond komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

2.11 Het vertrouwensbeginsel, waarop eiser zich beroept, houdt in dat gerechtvaardigde verwachtingen, zo dat enigszins mogelijk is, worden gehonoreerd.

2.12 Naar in de onderhavige procedure pas duidelijk is geworden, heeft verweerder reeds op 13 augustus 2002 een taalanalyse opgestart vanwege gerezen twijfel aan de herkomst van eiser. Niettemin heeft verweerder, teneinde de beslistermijn niet verder te overschrijden, eiser een verblijfsvergunning asiel verleend zonder hem daarbij van de gerezen twijfel mededeling te doen. Nu verweerder dit heeft nagelaten en ook overigens zonder het maken van enig voorbehoud eiser voor de duur van – nota bene – drie jaar een verblijfsvergunning asiel heeft verleend, mocht eiser er van uitgaan dat hij met zijn zienswijze verweerder alsnog van zijn Nuba-afkomst had overtuigd en hem daarom de verblijfsvergunning op grond van het categoriale beschermingsbeleid was verleend. Onder die omstandigheden stond het verweerder niet meer vrij om, zonder in strijd te geraken met het vertrouwensbeginsel, van zijn bevoegdheid gebruik te maken om de verleende vergunning in te trekken.

2.13 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 3:46 Awb en met het vertrouwensbeginsel.

2.14 Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking meer. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren.

2.15 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt en de Staat der Nederlanden als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 644,- te betalen aan eiser;

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, rechter, en op 20 augustus 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van L.M. Driessen, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.