Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB5188

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-04-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
AWB 05/51404
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoorplicht / artikel 3.77 Vb 2000 ten onrechte toegepast

Nog daargelaten of verweerder de hoorplicht van artikel 4:8 Awb heeft geschonden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten eiser in bezwaarfase te horen. Het primaire besluit was louter gebaseerd op het bepaalde in artikel 3.77, eerste lid, onder c, Vb. In bezwaar is eiser tegen de toepasselijkheid van voornoemd artikel terecht opgekomen. Zoals door de Afdeling is overwogen in de uitspraak van 14 juni 2004 (JV 2004/318) is in de Vw noch het Vb een bepaling opgenomen waaruit volgt dat artikel 3.77 Vb van overeenkomstige toepassing is op gevallen, zoals de onderhavige, waarin sprake is van een ambtshalve beslissing. Het terechte bezwaar van eiser heeft verweerder er niet van weerhouden ook in het bestreden besluit de toepassing van artikel 3.77 Vb te handhaven. Daarnaast heeft verweerder paragraaf C2/9.3 aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Deze paragraaf bevat echter beleidsregels en vast staat dat verweerder eiser in het kader van de bezwaarprocedure niet in de gelegenheid heeft gesteld bijzondere omstandigheden, die tot afwijking daarvan zouden kunnen nopen, aan te voeren. Een hoorzitting was daartoe een geëigend middel geweest. Onder deze omstandigheden is - anders dan verweerder heeft overwogen - van een kennelijk ongegrond bezwaar geen sprake. Derhalve is eiser ten onrechte niet gehoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 05/51404

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 april 2007

in de zaak van:

[Eiser],

geboren op [geboortedatum] 1968, van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. M. Timmer, advocaat te ‘s-Gravenhage,

tegen:

de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.R. Verdoner, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Aan eiser is bij besluit van 23 mei 2005 ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdsverloop in de asielprocedure’ onthouden. Eiser heeft tegen het besluit op 20 juni 2005 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 21 november 2005 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 30 november 2005 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 29 januari 2007. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet (Vw), in verband met artikel 3.6 Vreemdelingenbesluit (Vb) kan ambtshalve een verblijfsvergunning regulier worden verleend onder een beperking verband houdende met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag. Ingevolge paragraaf C2/9.3 Vreemdelingencirculaire (Vc) wordt die vergunning niet verleend indien tijdens de driejarentermijn een strafbaar feit is begaan, ter zake waarvan een serieuze verdenking is ontstaan (het gaat om een misdrijf), tenzij de strafzaak is afgerond zonder veroordeling.

2.3 Ingevolge C2/9.3 Vc in onderlinge samenhang met B1/2.2.4 Vc wordt geen reguliere verblijfsvergunning verleend onder de beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag indien een delict is begaan voorafgaand aan de asielaanvraag of na het verstrijken van de driejaren termijn indien de vreemdeling ter zake een misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard of sprake is van een veroordeling of oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel, een taakstraf of een onvoorwaardelijke geldboete.

2.4 Verweerder heeft de vergunning op grond van het zogenaamde driejarenbeleid aan eiser onthouden omdat er sprake is van criminele antecedenten. Eiser is op 17 september 1999 onherroepelijk veroordeeld op grond van artikel 416, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht in verband met heling, tot een geldboete van 300 gulden subsidiair zes dagen hechtenis waarvan 200 gulden, subsidiair vier dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2.5 Eiser heeft in beroep - onder meer - aangevoerd dat het ambtshalve besluit om hem een verblijfsvergunning regulier wegens tijdsverloop te onthouden is aan te merken als een niet door eiser aangevraagd besluit waartegen hij naar verwachting van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie bedenkingen zal hebben. Eiser had vóór de ambtshalve onthouding, ingevolge artikel 4:8 Awb, in de gelegenheid moeten worden gesteld om daarover zijn zienswijze naar voren te brengen. Ten onrechte is dat niet gebeurd. Voorts heeft verweerder nagelaten dit verzuim te herstellen in de bezwaarfase door eiser niet te horen. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (de Afdeling) van 27 januari 2005, nummer 200406983/1.

2.6 Verweerder heeft zich in het verweerschrift - voor zover van belang - op het standpunt gesteld dat het beroep op artikel 4:8 Awb niet kan slagen, aangezien de hoorregeling van artikel 4:8 Awb niet van toepassing is in de bezwaarfase. De hoorplicht in bezwaar, waarbij een algehele heroverweging van de beschikking in primo plaatsvindt, is geregeld in artikel 7:2 Awb. Deze wetsbepaling is door verweerder bij de beoordeling van onderhavig bezwaarschrift in aanmerking genomen. Nu het bezwaar door verweerder als kennelijk ongegrond wordt aangemerkt kan op de voet van 7:3 Awb van horen worden afgezien.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.7 Nog daargelaten of verweerder de hoorplicht van artikel 4:8 Awb heeft geschonden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten eiser in bezwaarfase te horen. Het primaire besluit was louter gebaseerd op het bepaalde in artikel 3.77, eerste lid, onder c, Vb. In bezwaar is eiser tegen de toepasselijkheid van voornoemd artikel terecht opgekomen. Zoals door de Afdeling is overwogen in de uitspraak van 14 juni 2004 (JV 2004/318) is in de Vw noch het Vb een bepaling opgenomen waaruit volgt dat artikel 3.77 Vb van overeenkomstige toepassing is op gevallen, zoals de onderhavige, waarin sprake is van een ambtshalve beslissing. Het terechte bezwaar van eiser heeft verweerder er niet van weerhouden ook in het bestreden besluit de toepassing van artikel 3.77 Vb te handhaven. Daarnaast heeft verweerder paragraaf C2/9.3 aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Deze paragraaf bevat echter beleidsregels en vast staat dat verweerder eiser in het kader van de bezwaarprocedure niet in de gelegenheid heeft gesteld bijzondere omstandigheden, die tot afwijking daarvan zouden kunnen nopen, aan te voeren. Een hoorzitting was daartoe een geëigend middel geweest. Onder deze omstandigheden is - anders dan verweerder heeft overwogen - van een kennelijk ongegrond bezwaar geen sprake. Derhalve is eiser ten onrechte niet gehoord.

2.8 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren.

2.9 De overige gronden behoeven geen bespreking meer.

2.10 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt dit bedrag op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

2.11Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad € 138,-- dient te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van veertien weken opnieuw te beslissen op bezwaarschrift van 5 juli 2005, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 138,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, rechter, en op 23 april 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van L.M. Driessen, griffier.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.