Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB5137

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-08-2007
Datum publicatie
09-10-2007
Zaaknummer
09/535495-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft meerdere malen vergaande seksuele handelingen gepleegd met zijn (half)zusje en nichtje die destijds 9 respectievelijk 12 jaar oud waren. Verdachte heeft het de rechtbank onmogelijk gemaakt zich een goed beeld te vormen van zijn persoonlijkheid doordat hij van meet af aan, aan ieder justitieel onderzoek naar zijn geestvermogens niet heeft willen meewerken. Aan het onderzoek door het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) heeft verdachte slechts gedeeltelijk en selectief willen meewerken waardoor een volledig gedragsdeskundig onderzoek van verdachte niet heeft kunnen plaatsvinden.

Onduidelijk blijft in hoeverre de kans bestaat dat verdachte in de toekomst wederom dergelijke feiten zal plegen. Derhalve kan er geen advies over een behandeling of begeleiding in een strafrechtelijk kader worden gegeven. Bij deze stand van zaken kan bij de straftoemeting geen rekening worden gehouden met dit PBC-rapport. De rechtbank gaat er bij de strafoplegging van uit dat de feiten verdachte volledig kunnen worden toegerekend. Straf gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht. Gevangenisstraf van 3 jaar, met aftrek, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

REHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/535495-06

's-Gravenhage, 31 augustus 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [ ...] op [ ...],

thans gedetineerd in [...] te [...]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 23 november 2006, 19 januari 2007, 12 april 2007, 4 juli 2007 en 17 augustus 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. G.A. Speelman, advocaat te Amersfoort, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. L.E. van der Leeuw heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 2 telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 (primair) en 3 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 2 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen.

De raadsman heeft een algehele vrijspraak van zijn cliënt bepleit. Daartoe heeft de raadsman ten aanzien van het onder feit 1 telastgelegde - kort samengevat - betoogd dat:

- het studioverhoor eerst plaatsvond vijf weken nadat [slachtoffer A] met haar verhaal zou zijn gekomen, terwijl inmiddels uitgebreid over de zaak was gesproken door ondermeer de beide de auditu getuigen, te weten [slachtoffer A]'s moeder en [X];

- het verslag van het studioverhoor door een onbekende persoon op een onbekend tijdstip vanaf een cassettebandje is uitgewerkt en door verbalisant Deelman slechts is gecontroleerd, zodat dit verslag niet als een ambtsedig proces-verbaal kan gelden, maar slechts als een ander geschrift dat slechts door twee de auditu getuigen wordt bevestigd, hetgeen onvoldoende bewijs is;

- het enige bewijs wordt gevormd door de de auditu getuigen en het dubieuze studioverhoor;

- het waarschijnlijk is dat [X] bij [slachtoffer A] de verhalen over "hand in broek" en "vinger in broek" etc. heeft ingeprent;

- de de auditu verklaringen van [slachtoffer A]'s moeder en van [X] onbetrouwbaar zijn, aangezien [X] motieven heeft om zijn cliënt te beschuldigen.

Onder feit 1 op de dagvaarding wordt de verdachte beschuldigd van seksueel misbruik van zijn halfzusje, genaamd [slachtoffer A], geboren op [geboortedartum] 1997, gepleegd in de periode toen zij negen jaar oud was.

De verdachte ontkent het hem telastgelegde volledig.

Ten aanzien van het tijdsverloop tussen de dag waarop [slachtoffer A] haar moeder over het seksueel misbruik vertelde en de datum waarop het studioverhoor met [slachtoffer A] heeft plaatsgevonden, is de rechtbank uit de inhoud van het dossier het volgende gebleken. Blijkens de aangifte van [slachtoffer A]'s moeder heeft zij op 23 april 2006 van haar dochter [slachtoffer A] vernomen dat verdachte haar seksueel had misbruikt en heeft zij op 26 april 2006 contact opgenomen met de politie. Daarop heeft op 10 mei 2006 in het bureau van politie te [...] een informatief gesprek plaatsgevonden met [slachtoffer A]'s moeder, waarna zij op 18 mei 2006 aangifte heeft gedaan jegens verdachte, zijnde haar oudste zoon, wegens seksueel misbruik van haar dochter [slachtoffer A] Vervolgens heeft het studioverhoor met [slachtoffer A] plaatsgevonden op 24 mei 2006.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank de normale procedure gevolgd en is het verstrijken van een termijn van vijf weken niet ongebruikelijk lang.

Omtrent de betrouwbaarheid van het bewijs, overweegt de rechtbank als volgt.

De verklaring die [slachtoffer A] heeft afgelegd op 24 mei 2006 in een aparte studio, bestemd voor het verhoor van kinderen, is audiovisueel vastgelegd op DVD. In het dossier is een zo veel mogelijk woordelijk uitgewerkt verslag van de audio-opname opgenomen (pagina 13 t/m 30).

De rechtbank overweegt ten aanzien van hetgeen door de raadsman over dit verslag is betoogd het volgende.

In het proces-verbaal "Beschrijving studioprocedure" d.d. 24 mei 2006 (pagina 10) staat vermeld dat ten tijde van het studioverhoor W. Deelman in de regiekamer aanwezig was.

Tevens heeft W. Deelman, brigadier van politie Hollands Midden, gecertificeerd zedenrechercheur, het proces-verbaal "van uitwerking van een studioverhoor" d.d. 8 augustus 2006, blijkens pagina 30, op ambtseed opgemaakt en ondertekend. Voorts blijkt uit het proces-verbaal op ambtseed opgemaakt en ondertekend door W. Deelman, d.d. 8 augustus 2006 (pagina 12), dat het verslag van de audio-opname door hem is gecontroleerd en dat hij heeft vastgesteld dat het verslag overeenkomt met de audio-opname en dat het als bijlage bij dit op ambtseed opgemaakt proces-verbaal wordt gevoegd.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman, inhoudende dat het verslag van het studioverhoor niet als een ambtsedig proces-verbaal kan gelden, maar slechts als een ander geschrift.

Omdat de rechtbank een eigen indruk wilde krijgen van de wijze waarop het studioverhoor is verlopen en van het gedrag van [slachtoffer A] tijdens het verhoor, heeft de rechtbank, evenals de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman, de DVD van het studioverhoor bekeken en daarbij het volgende geconstateerd:

- het studioverhoor is soms onverstaanbaar doch niet op wezenlijke punten;

- [slachtoffer A] kan zich uitstekend uitdrukken in de Nederlandse taal en begrijpt deze taal ook goed;

- de gebaren die tijdens het verhoor door [slachtoffer A] zijn gemaakt zijn duidelijk waarneembaar en door middel van deze gebaren heeft [slachtoffer A] bijvoorbeeld aangegeven hoe de verdachte met zijn hand in haar broek zou zijn gegaan (1).

De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer A] betrouwbaar en geloofwaardig. Zij komt niet suggestibel over. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat [slachtoffer A] de verhoorder spontaan corrigeert als laatstgenoemde zegt: "want [verdachte] heeft je dan in je toenie aangeraakt" (2). Voorts is de uitgebreide verklaring van [slachtoffer A] in het studioverhoor consistent en vertelt zij veel details, onder andere over de fysieke ongemakken die zij ten gevolge van het seksueel misbruik heeft ondervonden. Daarnaast is hetgeen [slachtoffer A] aan haar moeder en aan [X] heeft verteld consistent met hetgeen zij in het studioverhoor heeft verklaard en vertelt [slachtoffer A] in het studioverhoor ook dingen die zij niet tegen haar moeder heeft verteld (3). Op grond van deze omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat beïnvloeding van [slachtoffer A] door derden, waardoor haar verklaring niet betrouwbaar is te achten, niet aannemelijk is geworden. In dit verband is tevens van belang dat verdachte er geen verklaring voor heeft kunnen geven dat [slachtoffer A] belastend over hem heeft verklaard, nu naar zijn zeggen de relatie met [slachtoffer A] goed was.

Naast de verklaring van [slachtoffer A] gebruikt de rechtbank voor het bewijs de de auditu verklaringen van [slachtoffer A]'s moeder en van [X], alsmede de verklaring van [X], inhoudende dat [slachtoffer A] erg veel moest huilen, toen zij haar over de handelingen van verdachte vertelde en de verklaring van [slachtoffer A]'s moeder, inhoudende dat zij heeft gezien dat verdachte zijn hand voor de mond van [slachtoffer A] deed toen [slachtoffer A] haar over verdachte wilde vertellen.

Dat de verklaring van [X] onbetrouwbaar zou zijn, omdat zij motieven heeft om verdachte te beschuldigen, is een loutere veronderstelling, die niet aannemelijk is gemaakt. De stelling dat zij op grond van deze motieven alles, inclusief de verklaring van [slachtoffer A], in scène heeft gezet, is een mogelijkheid die de rechtbank als te onwaarschijnlijk passeert.

Onder feit 3 op de dagvaarding wordt de verdachte beschuldigd van - kort gezegd - seksueel misbruik van zijn nichtje, genaamd [slachtoffer B]., geboren op [geboortedatum] 1992, gepleegd in de periode toen zij twaalf jaar oud was.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 3 eveneens vrijspraak van zijn cliënt bepleit. Daartoe heeft de raadsman - kort samengevat - aangevoerd dat het wettig en vooral overtuigend bewijs ontbreekt, nu de verklaringen van [slachtoffer B]. tegenstrijdig zijn en tevens strijdig zijn met de verklaringen van de de auditu getuigen.

De verdachte ontkent dit hem telastgelegde feit eveneens volledig.

Omtrent de betrouwbaarheid van de aangifte, overweegt de rechtbank als volgt.

De raadsman heeft hierover betoogd dat mogelijke motieven voor de valse beschuldigingen door [slachtoffer B]. tegen zijn cliënt worden gevormd door de mishandelingen thuis door haar ouders en door haar mogelijke wens in de buurt van haar vriend te kunnen verblijven. Los van het feit dat de ouders van [slachtoffer B]. de mishandelingen hebben ontkend, hebben de door de verdediging mogelijk geachte motieven het karakter van louter veronderstellingen, die niet aannemelijk zijn gemaakt.

De verklaringen van [slachtoffer B]. acht de rechtbank betrouwbaar. Zij zijn uitgebreid, gedetailleerd en consistent en hetgeen zij over de modus operandi heeft verklaard vertoont overeenkomsten met de - geheel onafhankelijk van haar - afgelegde verklaring van [slachtoffer A]

[Slachtoffer B]. heeft in haar aangifte verklaard dat zij veel eerder aangifte had willen doen, maar dat haar moeder haar daarvan destijds heeft weerhouden en dat zij thans wel aangifte heeft gedaan, doordat zij zich gesterkt voelde door het feit dat [slachtoffer A] nu ook haar verhaal heeft gedaan. Dit is naar het oordeel van de rechtbank totaal iets anders dan dat de aangifte van [slachtoffer B]. mede is beïnvloed door wat zij over [slachtoffer A] heeft vernomen, zoals door de raadsman is gesteld.

De moeder van [slachtoffer B]. heeft over het doen van aangifte verklaard dat zij in die tijd wel contact met de politie heeft opgenomen, maar dat haar werd geadviseerd eerst hulp te zoeken voor [slachtoffer B]. en dat om die reden toen geen aangifte is gedaan. Deze verklaring van haar moeder over het (niet) doen van aangifte is niet in tegenspraak met de verklaring van [slachtoffer B]. op dit punt.

Tevens heeft de moeder van [slachtoffer B]. verklaard dat [slachtoffer B]. huilde toen zij vertelde dat zij door verdachte was verkracht. Voorts heeft deze getuige verklaard dat zij heeft gezien dat [slachtoffer B]. en verdachte in hetzelfde bed lagen.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 primair en 3 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft meerdere malen vergaande seksuele handelingen gepleegd met zijn (half)zusje en nichtje die destijds 9 respectievelijk 12 jaar oud waren.

Verdachte heeft door zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze meisjes en hen geconfronteerd met seksuele gedragingen, waartegen kinderen van zo jeugdige leeftijd nu juist beschermd moeten worden. Daarbij heeft verdachte misbruik gemaakt van het in hem als (half)broer dan wel als neef gestelde vertrouwen en, gezien het leeftijdsverschil, van het overwicht dat hij als volwassene op de meisjes had.

Ook heeft verdachte de slachtoffers hun gevoel van basisveiligheid afgenomen, nu de seksuele handelingen op plaatsen zijn verricht waar zij zich juist veilig zouden moeten kunnen voelen.

Dergelijke feiten veroorzaken in het algemeen veelal psychische schade en hebben vaak zeer nadelige gevolgen voor het verdere leven van de slachtoffers op emotioneel en seksueel gebied.

Verdachte heeft de slachtoffers het recht ontnomen om zich in hun eigen tempo lichamelijk en seksueel te ontwikkelen. Tevens heeft verdachte het vertrouwen dat de meisjes in hem als familielid moesten kunnen stellen ernstig beschaamd en daarmee mogelijk hun vertrouwen in volwassenen in het algemeen.

Verdachte is aan deze gevolgen en aan de schok die zijn gedrag in de familiekring van de slachtoffers teweeg heeft gebracht, volledig voorbijgegaan en heeft enkel oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Ook worden misdrijven als bewezen verklaard - ruimer - in de maatschappij als schokkend ervaren.

De rechtbank neemt mede in aanmerking dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 17 augustus 2006 - reeds eerder tot een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van aanmerkelijke duur is veroordeeld wegens onder andere bedreiging; de thans bewezen geachte delicten bevatten eveneens bedreigende c.q. gewelds componenten. Bovendien liep verdachte ten tijde van het plegen van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit nog in een proeftijd van vorenbedoelde voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Verdachte heeft het de rechtbank onmogelijk gemaakt zich een goed beeld te vormen van zijn persoonlijkheid doordat hij van meet af aan, aan ieder justitieel onderzoek naar zijn geestvermogens niet heeft willen meewerken. Aan het onderzoek door het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) heeft verdachte slechts gedeeltelijk en selectief willen meewerken waardoor een volledig gedragsdeskundig onderzoek van verdachte niet heeft kunnen plaatsvinden.

Onduidelijk blijft in hoeverre de kans bestaat dat verdachte in de toekomst wederom dergelijke feiten zal plegen. Derhalve kan er geen advies over een behandeling of begeleiding in een strafrechtelijk kader worden gegeven.

Bij deze stand van zaken kan bij de straftoemeting geen rekening worden gehouden met dit PBC-rapport. De rechtbank gaat er bij de strafoplegging van uit dat de feiten verdachte volledig kunnen worden toegerekend.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten in principe een gevangenisstraf met een langer onvoorwaardelijk deel dan door de officier van justitie is gevorderd zou kunnen rechtvaardigen. De rechtbank zal echter de officier van justitie in haar eis volgen, ook waar het de proeftijd van drie jaar betreft, teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom misdrijven te begaan.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 57, 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 telastgelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 3 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 17-08-2006,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 21-08-2006,

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 1 (één) jaar niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Donker, voorzitter,

Jofriet en Pabbruwe, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Maat, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 augustus 2007.

Mr. Pabbruwe is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

(1) Zie proces-verbaal ter terechtzitting van 19 januari 2007.

(2) Zie verslag studieverhoor d.d. 8 augustus 2006, pagina 21.

(3) Zie verslag studieverhoor d.d. 8 augustus 2006, pagina 18.