Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB5120

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
AWB 07/35758
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / ontvankelijkheid / kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht

De advocaat heeft de rechtbank telefonisch meegedeeld dat de reden dat hij beroep heeft ingesteld, was gelegen in het feit dat hij was benaderd door de familie van eiser die aangaf dat zij geen contact met eiser kon krijgen en dat deze was verdwenen. Om uit te vinden of eiser zich wellicht in vreemdelingrechtelijke bewaring bevond heeft de advocaat het onderhavige beroep ingesteld. De rechtbank stelt vast dat eiser zich niet in vreemdelingrechtelijke bewaring bevindt, hetgeen ter zitting door de gemachtigde van verweerder nogmaals is bevestigd. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er van uit dat de advocaat, voorafgaande aan het instellen van het beroep, daarover geen contact heeft gehad met eiser. Niet staat vast dat eiser zelf heeft ingestemd met het instellen van het onderhavige beroep en dientengevolge is niet komen vast te staan dat de advocaat bepaaldelijk gevolmachtigd was tot het instellen van het beroep. De rechtbank stelt daarom vast dat de advocaat de procedure op eigen titel is begonnen en dat hij, hoewel jegens hem geen maatregel strekkende tot vrijheidsontneming ingevolge de Vw 2000 is genomen, als partij in deze procedure dient te worden aangemerkt. Het beroep is niet-ontvankelijk nu aan het instellen van het beroep geen besluit in de zin van de Awb ten grondslag ligt. Nu de advocaat wordt aangemerkt als eisende partij, alsmede nu de rechtbank van oordeel is dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, acht de rechtbank voorts termen aanwezig om de advocaat ingevolge artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door verweerder gemaakte proceskosten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 93
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/35758

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2007

inzake

[Eiser],

geboren op [geboortedatum] 1982,

nationaliteit Soedanese,

eiser,

gemachtigde mr. J.P.H. Thissen,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. P.M.W. Jans.

Procesverloop

Op 17 september 2007 heeft mr. J.P.H. Thissen, advocaat te ’s-Gravenhage, beroep ingesteld tegen een vreemdelingrechtelijke maatregel tot vrijheidsontneming die aan eiser zou zijn opgelegd op 14 september 2007.

De zaak is behandeld op de zitting van 25 september 2007, waar eiser noch mr. Thissen is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 93, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), voor zover thans van belang, wordt een ingevolge hoofdstuk 5 van deze wet genomen maatregel strekkende tot vrijheidsontneming voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet Bestuursrecht (hierna: de Awb) gelijkgesteld met een besluit. Het tweede lid bepaalt dat artikel 7:1 van de Awb niet van toepassing is.

2. Voor de beoordeling van deze bijzondere zaak gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

3. Naar aanleiding van de indiening van het onderhavige beroepschrift heeft de griffier van deze rechtbank bij brief van 19 september 2007 verweerder verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden. In reactie op deze brief heeft verweerder de rechtbank op 20 september 2007 telefonisch laten weten dat eiser zich niet in vreemdelingenbewaring bevindt en dat verweerder derhalve geen gehoor kan geven aan het verzoek om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden. De griffier van deze rechtbank heeft daarop telefonisch contact opgenomen met mr. Thissen. Deze heeft vervolgens – kort weergegeven – meegedeeld dat de reden dat hij beroep heeft ingesteld, was gelegen in het feit dat hij was benaderd door de familie van [eiser] die aangaf dat zij geen contact met Hoji kon krijgen en dat deze was verdwenen. Om uit te vinden of hij zich wellicht in vreemdelingrechtelijke bewaring bevond heeft mr. Thissen het onderhavige beroep ingesteld. De rechtbank stelt vast dat [eiser] zich niet in vreemdelingrechtelijke bewaring bevindt, hetgeen ter zitting door de gemachtigde van verweerder nogmaals is bevestigd.

4. De rechtbank gaat er, gezien het hiervoor overwogene, allereerst van uit dat mr. Thissen, voorafgaande aan het instellen van het beroep, daarover geen contact heeft gehad met [eiser]. Niet staat vast dat [eiser] zelf heeft ingestemd met het instellen van het onderhavige beroep en dientengevolge is niet komen vast te staan dat mr. Thissen bepaaldelijk gevolmachtigd was tot het instellen van het beroep. De rechtbank stelt daarom vast dat mr. Thissen de procedure op eigen titel is begonnen en dat hij, hoewel jegens hem geen maatregel strekkende tot vrijheidsontneming ingevolge de Vw 2000 is genomen, als partij in deze procedure dient te worden aangemerkt.

5. Nu aan het instellen van het beroep geen besluit in de zin van de Awb ten grondslag ligt, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

6. Ingevolge artikel 8:75 Awb – voor zover hier van belang – is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, redelijkerwijs heeft moeten maken. Een natuurlijk persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in het onderhavige geval sprake is en overweegt daartoe het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank had van mr. Thissen mogen worden verwacht dat hij, alvorens beroep in te stellen, pogingen had ondernomen om duidelijkheid te krijgen over de vraag of ten aanzien van eiser daadwerkelijk een (vreemdelingrechtelijke) maatregel tot vrijheidsontneming was genomen. Door er op voorhand vanuit te gaan dat Hoji zich in vreemdelingenbewaring bevond, terwijl daarvoor geen enkele aanwijzing bestond, heeft mr. Thissen zich ten onrechte ontdaan van de verantwoordelijkheid te voorkómen dat onnodig zou worden geprocedeerd. Daar komt bij dat mr. Thissen, zonder enige vorm van berichtgeving, niet is verschenen op de zitting van 25 september 2007, terwijl dat voor hem juist bij uitstek de gelegenheid zou zijn geweest om duidelijkheid te krijgen in zijn zaak. Door het, zonder bericht, niet verschijnen ter zitting heeft mr. Thissen het de rechtbank bovendien verhinderd om de bij haar gerezen vragen in deze zaak aan hem voor te leggen en beantwoord te krijgen. Niet valt dan ook in te zien welk belang mr. Thissen nastreeft met het indienen van het onderhavige beroep anders dan het anderen te bewegen opheldering te verschaffen in de door hem geconstateerde onduidelijkheid over de verblijfplaats van eiser.

7. Nu hiervoor is vastgesteld dat mr. Thissen wordt aangemerkt als eisende partij in dit geding, alsmede nu de rechtbank van oordeel is dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, acht de rechtbank termen aanwezig mr. Thissen te veroordelen in de door verweerder gemaakte proceskosten. Voor de vaststelling van de hoogte hiervan zoekt de rechtbank aansluiting bij het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Op voet van het bepaalde hierin stelt de rechtbank de kosten aan zijde van verweerder gemaakt vast op in totaal € 322,00:

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

8. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring niet-ontvankelijk;

- veroordeelt mr. Thissen in de door verweerder gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 322,00.

Aldus gedaan door mr. E.H.M. Druijf als rechter in tegenwoordigheid van H.J. Renders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2007.