Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB5102

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
AWB 07/33832
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / voortvarendheid / vertraging bij overdracht dossier / risico verweerder

Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2007, registratienummer 200703728/1, kan er niet van worden uitgegaan dat de staatssecretaris in beginsel, ongeacht de in een individuele zaak voorliggende feiten en omstandigheden, een periode van veertien dagen de tijd heeft om met de uitzettingshandelingen aan te vangen, aangezien dit zich niet verdraagt met de bij iedere uitzetting vereiste voortvarendheid. Dit impliceert dat aan de hand van de feiten in ieder afzonderlijk geval zal moeten worden beoordeeld of de vereiste voortvarendheid is betracht.

Gegeven het feit dat blijkens voornoemde uitspraak zelfs in het geval een identiteitsonderzoek door de vreemdelingendienst dan wel de Koninklijke Marechaussee moet plaatsvinden, overdracht van het dossier aan DT&V binnen enkele dagen kan plaatsvinden, en dat in het onderhavige geval een dergelijk identiteitsonderzoek niet noodzakelijk was, valt niet in te zien dat overdracht van het dossier van eiseres niet reeds op de eerste werkdag na de inbewaringstelling, derhalve 30 augustus 2007, heeft kunnen plaatsvinden. De ontstane vertraging dient voor rekening van verweerder te komen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/515
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/33832

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2007

inzake

[Eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1972,

nationaliteit Franse,

verblijvende te Rotterdam in het Uitzetcentrum Zestienhoven,

eiseres,

gemachtigde mr. M.M.G. Crompvoets,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. D.B. Deckers.

Procesverloop

Op 29 augustus 2007 is eiseres op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Op 30 augustus 2007 is namens eiseres tegen haar inbewaringstelling beroep ingesteld. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

De zaak is behandeld op de zitting van 10 september 2007, waar eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2. Namens eiseres is – kort weergegeven – aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiseres werkt. De gemachtigde van eiseres geeft hierbij aan dat de einddatum van de, aan de inbewaringstelling voorafgaande, strafrechtelijke detentie tijdig bekend was en dat eiseres in het bezit is van een geldige Franse identiteitskaart. Voorts wordt aangevoerd dat namens eiseres telefonisch contact is opgenomen met de vreemdelingenpolitie in Rotterdam, waarbij is medegedeeld dat eiseres bereid is zelf een treinkaartje te kopen voor de terugreis naar Frankrijk. Eiseres geeft aan dat zij bereid is haar medewerking te verlenen aan haar verwijdering uit Nederland.

3. Namens verweerder is ter zitting aangevoerd dat enige vertraging is opgelopen bij de overdracht van het dossier van de vreemdelingendienst naar de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna DT&V), maar dat verweerder desalniettemin met voldoende voortvarendheid aan de uitzetting van eiseres heeft gewerkt, nu op 6 september 2007, te weten de achtste dag na de inbewaringstelling, een vlucht voor eiseres is aangevraagd. De datum waarop de vlucht plaats zal vinden is nog niet bekend. De gemachtigde merkt op dat verweerder het niet wenselijk acht dat eiseres per trein naar Frankrijk vertrekt, daar verweerder het risico te groot acht dat eiseres zich dan alsnog aan haar uitzetting zal onttrekken.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden eiser krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in het belang van de openbare orde en met het oog op de uitzetting, in bewaring heeft gesteld. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat onweersproken is gebleven dat eiseres

- geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft;

- onvoldoende middelen van bestaan heeft;

- niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats;

- is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf;

- ongewenst is verklaard.

Het voorgaande is voldoende grond ernstig te vermoeden dat eiseres zich aan haar uitzetting zal onttrekken.

5. De rechtbank stelt vast dat de grieven van eiseres zich slechts richten op het onvoldoende voortvarend handelen van verweerder na de inbewaringstelling van eiseres. Derhalve komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van verweerders inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie als bedoeld in paragraaf A5/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

6. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiseres voorafgaand

aan de inbewaringstelling strafrechtelijk gedetineerd is geweest. De einddatum van de strafrechtelijke detentie was bekend en bovendien heeft gemachtigde van eiseres per faxbericht van 21 augustus 2007 de vreemdelingenpolitie in Rotterdam gewezen op de aanstaande vrijlating van eiseres en haar bereidwilligheid om mee te werken aan haar uitzetting naar Frankrijk. Kort na de inbewaringstelling heeft gemachtigde van eiseres nogmaals per faxbericht en telefonisch contact gezocht met de heren Kolsteren en Meuwese van de vreemdelingenpolitie in Rotterdam en nogmaals gevraagd om een spoedige uitzetting. Voorts is blijkens het proces-verbaal van overbrenging en ophouding reeds voorafgaand aan de inbewaringstelling vastgesteld dat eiseres beschikt over een Franse identiteitskaart met documentnummer 060259300429, geldig tot 7 februari 2016.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. Blijkens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2007, registratienummer 200703728/1, kan er niet van worden uitgegaan dat de staatssecretaris in beginsel, ongeacht de in een individuele zaak voorliggende feiten en omstandigheden, een periode van veertien dagen de tijd heeft om met de uitzettingshandelingen aan te vangen, aangezien dit zich niet verdraagt met de bij iedere uitzetting vereiste voortvarendheid. Dit impliceert dat aan de hand van de feiten in ieder afzonderlijk geval zal moeten worden beoordeeld of de vereiste voortvarendheid is betracht.

Gegeven het feit dat blijkens voornoemde uitspraak zelfs in het geval een identiteitsonderzoek door de vreemdelingendienst dan wel de Koninklijke Marechaussee moet plaatsvinden, overdracht van het dossier aan DT&V binnen enkele dagen kan plaatsvinden, en dat in het onderhavige geval een dergelijk identiteitsonderzoek niet noodzakelijk was, valt niet in te zien dat overdracht van het dossier van eiseres niet reeds op de eerste werkdag na de inbewaringstelling, derhalve 30 augustus 2007, heeft kunnen plaatsvinden. De ontstane vertraging dient voor rekening van verweerder te komen.

9. Nu de dienst DT & V blijkens de mededeling van verweerders gemachtigde ter zitting na ontvangst van het dossier op heel korte termijn tot het aanvragen van een vlucht is overgegaan valt niet in te zien dat in het onderhavige geval niet uiterlijk op de tweede werkdag na de datum waarop het dossier had kunnen zijn ontvangen, derhalve op 4 september 2007, een vlucht had kunnen zijn aangevraagd.

10. Gelet op het voorafgaande moet de bewaring met ingang van 5 september 2007 onrechtmatig worden geacht en dient het beroep gegrond te worden verklaard.

11. Op grond van het bepaalde in artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreedeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

12. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 95,00 voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van € 70,00 voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht.

13. Nu de bewaring blijkens het voorgaande met ingang van 5 september 2007 onrechtmatig is, acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om eiseres schadevergoeding toe te kennen.

14. Overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is geëindigd, te weten 11 september 2007, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding, zodat eiseres over de periode van 5 september 2007 tot en met 10 september schadevergoeding toekomt. In totaal bedraagt de schadevergoeding

6 x € 70,- is € 420,-.

15. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal € 322,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van het beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

16. Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

17. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiseres met ingang van 11 september 2007;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van € 420,00;

- veroordeelt verweerder in de door de eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. de Win als griffier op 11 september 2007.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van

€ 420,00 (ZEGGE; VIERHONDERDTWINTIG EURO)

Aldus gedaan op 11 september 2007 door mr. A.F.C.J. Mosheuvel.