Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB4497

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
28-09-2007
Zaaknummer
287806 - JE RK 07-1158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek vervangende toestemming tot wijziging verblijfplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2007, 141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Familie- en Jeugdrecht

Kinderrechter

AFWIJZING VERZOEK VERVANGENDE TOESTEMMING TOT WIJZIGING VERBLIJFPLAATS

zaak/rekestnummer: 287806 / JE RK 07-1158

datum uitspraak: 17 juli 2007

BESCHIKKING op de verzoekschriften van de William Schrikker Jeugdbescherming (verder WSJ) namens de Stichting Bureau Jeugdzorg:

De verzoekschriften hebben betrekking op de minderjarigen:

1. [minderjarig kind 1], geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1992,

kind van:

[moeder minderjarig kind 1] (verder de moeder van de minderjarige sub 1),

wonende [adres],

en

een onbekende vader,

en

2. [minderjarig kind 2], geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1995,

kind van:

[moeder minderjarig kind 2] (verder de moeder van de minderjarige sub 2),

wonende [adres],

en

een onbekende vader,

en

3.[minderjarig kind 3], geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1996,

kind van:

[moeder minderjarig kind 3] (verder de moeder van de minderjarige sub 3),

wonende [adres],

en

een onbekende vader.

Als belanghebbenden in deze procedure worden tevens aangemerkt: de heer [pleegouder] en mevrouw [pleegouder] (verder de pleegouders), wonende [adres].

De minderjarigen verblijven feitelijk elders.

PROCESGANG

Alle minderjarigen staan onder voogdij van de WSJ. Op 22 mei 2007 heeft de WSJ verzoekschriften met bijlagen ingediend daartoe strekkende dat de kinderrechter vervangende toestemming verleent tot wijziging van de verblijfplaats van de minderjarigen. De pleegouders verlenen hiervoor geen toestemming en doen een beroep op het bepaalde in artikel 1:336a lid 1 BW.

De kinderrechter heeft voorts kennis genomen van:

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 29 mei 2007, waarvan de inhoud als hier overgenomen moet worden beschouwd en waarbij de kinderrechter per gelijke datum vervangende toestemming heeft verleend tot wijziging van de verblijfplaats van de minderjarigen tot 18 juli 2007, teneinde de biologische moeders van de minderjarigen sub 1. en 3. te horen omtrent de verzoeken en de behandeling van de verzoeken voor het overige zijn aangehouden tot de terechtzitting van 17 juli 2007;

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 5 juli 2007, waarvan de inhoud als hier overgenomen moet worden beschouwd en waarbij mr. D. Soekarman-Weeteling tot bijzonder curator over voornoemde minderjarigen is benoemd,

- het faxbericht van 13 juli 2007 met bijlagen van mr. J.M. van der Linden, advocaat van de pleegouders, ter griffie ingekomen op 13 juli 2007;

- het faxbericht van 16 juli 2007, met bijlagen van mevrouw drs. [A], inhoudelijk manager William Schrikker Groep Jeugdbescherming.

De verzoekschriften zijn op 17 juli 2007 opnieuw ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- mevrouw [B], mevrouw [C] en mevrouw drs. [A], inhoudelijk manager, namens de WSJ;

- de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat, mr. J.M. van der Linden,

- de moeder van de minderjarige sub 1.,

- de bijzonder curator, mr. D. Soekarman-Weeteling.

De minderjarige sub 1. tot en met 3 zijn op 17 juli 2007 in raadkamer gehoord.

OVERWEGINGEN

De minderjarigen sub 1. tot en met 3. hebben in raadkamer - ieder voor zich - hun mening aan de kinderrechter kenbaar gemaakt.

De moeder van de minderjarige [minderjarig kind 3], mevrouw [moeder minderjarig kind 3], is conform de wettelijke vereisten opgeroepen, doch niet verschenen. Mevrouw [C] heeft er terechtzitting namens de WSJ meegedeeld dat zij en de gezinsvoogdes van de andere kinderen, de moeder van [minderjarig kind 3] hebben gesproken. De moeder is echter verhinderd om ter terechtzitting te verschijnen en heeft toegezegd schriftelijk per fax haar mening aan de rechtbank te zullen doen toekomen.

Mr. J.M. van der Linden heeft meegedeeld dat de kinderrechter op 29 mei jl. heeft geoordeeld dat de pleegvader in 2005 is veroordeeld vanwege seksueel overschrijdend gedrag ten aanzien van [D]. Nu zij wederom aangifte heeft gedaan van dergelijke gedragingen kan de veiligheid van de minderjarigen in het pleeggezin niet langer worden gewaarborgd. Thans blijkt dat [D] een valse aangifte heeft gedaan en dat er dus geen sprake is van wederom seksueel overschrijdend gedrag. Sinds 2000 heeft de pleegvader zich nooit en te nimmer meer schuldig gemaakt aan seksueel overschrijdend gedrag en al helemaal niet ten aanzien van bovengenoemde minderjarigen. Hiermee is de grondslag voor wijziging in de verblijfplaats van de minderjarigen komen te vervallen, aldus mr. Van der Linden. De minderjarigen dienen dan ook bij de pleegouders teruggeplaatst te worden en het verzoek van de WSJ afgewezen, aldus mr. Van der Linden.

Mevrouw [A] heeft ter terechtzitting namens de WSJ meegedeeld dat [D] vrij snel na de vorige zitting aangifte heeft gedaan van seksueel misbruik door de pleegvader. Mevrouw [A] heeft vernomen dat uit deze aangifte geen nieuwe feiten naar voren zijn gekomen. Destijds heeft de WSJ ervoor gekozen om de minderjarigen onder strenge voorwaarden bij de pleegouders te laten. De directie van de WSJ was met deze situatie niet bekend. Bovendien ontstond er voortschrijdend inzicht bij de WSJ. Zij zag zich voor het dilemma geplaatst of de minderjarigen in het pleeggezin konden blijven wonen. Tijdens een gesprek met de pleegouders is derhalve een stappenplan gemaakt en de WSJ zou binnen twee maanden een definitieve beslissing ten aanzien van het verblijf van de minderjarigen in het pleeggezin nemen. Echter na dit gesprek werden signalen van seksueel misbruik van [D] ontvangen en is er versneld actie ondernomen. Achteraf gezien wellicht te overhaast, omdat de signalen bleken te berusten op oude informatie uit het verleden. De therapeut van de pleegvader bij De Waag heeft aangegeven dat de pleegvader heeft meegewerkt aan de therapie en dat hij zich thans in het nazorgtraject bevindt. In gesprekken heeft mevrouw [A] evenwel waargenomen dat de schuld van hetgeen is gebeurd bij [D] wordt neergelegd. Zij vreest dat als de minderjarigen worden teruggeplaatst er een nieuwe zondebok zal worden gevonden. Dit wordt ook aangegeven door de therapeut bij De Waag. De in het verleden gemaakte afspraken dat er géén één op één contact van de pleegvader met de pleegkinderen mag zijn, is volgens mevrouw [A] onnatuurlijk. Zij stelt zich dan ook op het standpunt dat de minderjarigen niet terugkunnen naar de pleegouders, maar kan evenwel géén ander alternatief aandragen. Het verblijf van de minderjarige [minderjarig kind 1] in een voorziening voor crisisopvang doet hem geen goed.

De moeder van de minderjarige [minderjarig kind 1] heeft ter terechtzitting meegedeeld niet op de hoogte te zijn geweest van de situatie betreffende [D]. Tijdens haar bezoeken aan het pleeggezin heeft mevrouw [moeder minderjarig kind 1] de sfeer in het pleeggezin als plezierig ervaren. Zij wil graag dat de oude situatie wordt hersteld.

De bijzonder curator, mr. D. Soekarman-Weeteling heeft gepleit aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen. [minderjarig kind 2] en [minderjarig kind 3] hebben mr. Soekarman-Weeteling verzekerd dat de pleegvader volkomen normaal met hen omgaat. [minderjarig kind 1] ziet de pleegvader als zijn vriend en toeverlaat. Zijn schoolresultaten zijn zeer goed. [minderjarig kind 3] heeft geantwoord dat indien de pleegvader haar op een niet correcte wijze zou aanraken, zij hem te verstaan zou geven dat zij daarvan niet is gediend. De minderjarigen begrijpen niet dat een gebeurtenis uit het verleden tot de huidige maatregel heeft geleid. De minderjarigen erkennen dat hetgeen is gebeurd niet goed te praten valt, maar zijn van mening dat de pleegvader hiervoor is gestraft. De bijzonder curator vraagt zich af of het voortschrijdend inzicht te maken heeft met de strafrechtelijke vervolging van een gezinsvoogdes van wie de pupil door de moeder om het leven is gebracht. In de verzoeken van de WSJ wordt gesproken van zeer grote vermoedens dat er meer pedagogische misstanden in het pleeggezin zijn. Mr. Soekarman-Weeteling is hiervan niet van overtuigd geraakt. Van [D] heeft zij géén duidelijk beeld gekregen. Echter uit de verhalen van de minderjarigen komt zij zeker niet als een 'underdog' naar voren. De minderjarigen willen terug naar de pleegouders en de bijzonder curator acht het in hun belang dat het verzoek tot wijziging verblijf betreffende de minderjarigen dient te worden afgewezen.

De pleegmoeder heeft aangegeven dat de vorige gezinsvoogd in juni 2006 bij het afsluitgesprek dat de pleegvader met de reclassering had, aanwezig is geweest. Tijdens dit gesprek was er slechts lof voor de pleegvader. In de onrust die landelijk is ontstaan na de moord op de peuter Savannah heeft de gezinsvoogd aan de pleegouders meegedeeld dat hij in paniek was over de situatie. De pleegmoeder heeft de gezinsvoogd meegedeeld dat zij dit kon begrijpen. Dat er géén 1:1 contact van de pleegvader met de minderjarigen mocht zijn, is onmogelijk en ook niet zo bedoeld, aldus de pleegmoeder. Dit was echter ter bescherming van [D] en om de pleegvader te beschermen tegen aantijgingen. De ruzies in het pleeggezin hadden betrekking op [D]. De pleegouders hebben de WSJ om meer begeleiding gevraagd. De pleegmoeder heeft de pleegvader het gebeurde vergeven.

De pleegvader heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij en zijn echtgenote altijd met lof zijn omschreven als perspectief biedend pleeggezin. De pleegvader vindt het argument dat het pleeggezin te kwetsbaar is, geen reden om de minderjarigen niet terug te plaatsen, te meer nu gebleken is dat er geen grond was voor de uithuisplaatsing. De pleegouders hebben nimmer de schuld van hetgeen is voorgevallen bij [D] neergelegd. Door de hechte band die de pleegouders met de minderjarigen hebben, verwacht de pleegvader dat de pleegouders hen alles kunnen bieden binnen een gezond opvoedklimaat. Tot op heden heeft de WSJ nog geen pleeggezin kunnen vinden voor [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2], die steeds meer getraumatiseerd raken. De kans dat zij in een pleeggezin worden geplaatst, is gelet op hun leeftijd en problematiek klein. Daar de minderjarigen aan elkaar en aan de pleegouders zijn gehecht en daar aan hun veiligheid nimmer is getwijfeld, is de meest traumavrije oplossing om de minderjarigen terug te plaatsen bij de pleegouders, aldus de pleegvader. Hij heeft voorts meegedeeld dat hetgeen waarvoor hij is veroordeeld, is gebeurd kort nadat [D] als acht-jarige in het pleeggezin kwam te komen wonen en wervend gedrag vertoonde. De pleegvader heeft een handeling van [D] verkeerd opgevat. Overigens heeft hij diepe spijt van het gebeurde.

De kinderrechter is van oordeel dat er geen gronden zijn om op de voet van artikel 1:336a, lid 2, BW vervangende toestemming te verlenen tot wijzing van de verblijfplaats van de minderjarigen, omdat zulks niet in het belang van de minderjarigen - die sinds hun babytijd in het pleeggezin verblijven - is. De kinderrechter neemt hierbij in overweging dat de WSJ gemeend heeft onderhavig verzoek in te dienen op grond van verkeerd geïnterpreteerde uitlatingen door de gewezen pleegdochter [D], welke uitlatingen betrekking hadden op gebeurtenissen uit het verleden, waarvoor de pleegvader is veroordeeld. Niet gebleken is dat dit seksueel grensoverschrijdend gedrag zich sinds 2000 heeft herhaald, of zich met enig ander pleegkind heeft voorgedaan. Bovendien heeft de WSJ het verblijf van de minderjarigen bij de pleegouders al die tijd gedoogd. De kinderrechter heeft er, gehoord de pleegouders en gezien de stukken, voldoende vertrouwen in dat er geen herhaling zal plaatsvinden van seksueel overschrijdend gedrag jegens één van de pleegkinderen. De pleegvader heeft zijn behandeling bij De Waag in de zomer van 2006 positief afgesloten. Hij en zijn echtgenote blijven er hun gesprekken vrijwillig voortzetten. De kans op recidive wordt door De Waag als zeer laag ingeschat. De pleegouders zijn altijd open geweest over het gebeurde en zien er de ernst voldoende van in. De kinderen ervaren veel geborgenheid en warmte, ook met elkaar, in dit gezin, waarin zij de pleegouders als hun eigen ouders en elkaar als echte broers en zusje beschouwen. Een gezinsleven als dit is buiten het gezin van deze pleegouders niet meer voor hen weggelegd. De kinderrechter heeft begrip voor de positie van de WSJ in deze netelige kwestie, maar neemt in het belang van de minderjarigen en in vol vertrouwen de verantwoording voor het terugplaatsen van de minderjarigen in het pleeggezin.

Derhalve wordt als volgt beslist.

BESLISSING

De kinderrechter:

wijst af het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming tot wijziging van de verblijfplaats van de minderjarigen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. van den Bergh, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2007, in tegenwoordigheid van P.A. Kok als griffier.