Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB3686

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-08-2007
Datum publicatie
18-09-2007
Zaaknummer
AWB 07/30712, 07/30713
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2008:BG7987, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / categoriaal beschermingsbeleid / afkomst niet aannemelijk / artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / individuele bedreiging / geen relevante wijziging van het recht

Het voor Centraal-Irak gevoerde categoriaal beschermingsbeleid kan voor verzoeker alleen als relevant nieuw recht worden aangemerkt indien verzoeker onder de reikwijdte van dat beleid valt. Daartoe dient in ieder geval aannemelijk te zijn dat verzoeker uit Centraal-Irak afkomstig is.

Bij het besluit van 6 juni 2006 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is dat verzoeker afkomstig is uit Centraal-Irak. Dat besluit staat na de uitspraak van de AbRS van 29 maart 2007 in rechte vast. Nu verzoeker ook bij de onderhavige aanvraag heeft gesteld uit Centraal-Irak afkomstig te zijn dient hij bewijs in te brengen waaruit volgt dat hij wél uit Centraal-Irak afkomstig is en dat niet vóór het nemen van het eerdere besluit kon en derhalve behoorde te worden ingebracht.

Verzoeker heeft met de door hem ingebrachte documentenniet aannemelijk heeft gemaakt dat hij afkomstig is uit Centraal-Irak, zodat het categoriaal beschermingsbeleid reeds om die reden voor hem geen relevant nieuw recht is.

Een asielzoeker valt slechts onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn indien er voor hem sprake is van een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat hij onder deze reikwijdte valt.

Daarbij dient in ieder geval ook aannemelijk gemaakt te worden dat sprake is van een individuele bedreiging. Artikel 15 van de Definitierichtlijn heeft gedurende de behandelingen door de Raad van de Europese Unie vorm gekregen. Met betrekking tot opnemen van het woord “individuele” wordt vermeld; “With regard to Article 15 general consensus was noted regarding sub-paragraphs (a) and (b). Concerning sub-paragraph (c) a vast majority of Member States supported the reference to “individual” in order tot avoid an undesired opening of the scope of this sub-paragraph.” (Presidency Note to Coreper/Council, 30 september 2002, 12382/02 ASILE 47).

Preambule 26 van de Definitierichtlijn luidt; “Gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld, vormen normaliter op zich geen individuele bedreiging die als ernstige schade kan worden opgemerkt”. Deze preambule maakte geen deel uit van het inleidende voorstel van de Europese Commissie van 31 oktober 2001 (COM(2001) 501 final), en is toegevoegd op 30 maart 2004 (Outcome of Proceedings, 30 maart 2004, 7944/04 ASILE 21), met dien verstande dat het laatste deel van de preambule toen nog luidde “do normally not create in itself an individual threat in line with Article 15 (c)”

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Definitierichtlijn volgt dat het woord “individuele” bewust is opgenomen in artikel 15 onder c van de Definitierichtlijn. Verzoeker dient dan ook aannemelijk te maken dat hij een individueel risico loopt. Het in dit verband door verzoeker aangevoerde omtrent zijn leeftijd en de omstandigheid dat hij Arabisch spreek acht de voorzieningenrechter onvoldoende.

Artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn is voor verzoeker geen relevante wijziging van recht omdat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er in zijn geval sprak is van een ernstige en individuele bedreiging van het leven als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in Noord-Irak.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/489
JNVR 2007/196

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Voorzieningenrechter

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer:

AWB 07/30713 (verzoek)

AWB 07/30712 (beroep)

Datum uitspraak: 23 augustus 2007

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[Verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1979,

v-nummer 270.170.4039,

van Iraakse nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde mr.drs. J.M. Walls,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2007 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 26 juli 2007 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is bekendgemaakt in het Aanmeldcentrum te Ter Apel. Verzoeker heeft daartegen op 1 augustus 2007 beroep ingesteld. Verzoeker is meegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Bij verzoekschrift van 1 augustus 2007 heeft verzoeker verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 17 augustus 2007. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L. Verheijen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat nader onderzoek na de zitting redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij op grond van artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daarvoor bestaat aanleiding.

3. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden. De toetsing of de aanvraag in een aanmeldcentrum mocht worden afgewezen, mondt uit in een beoordeling van het naar de gedane aanvraag verrichte onderzoek en de motivering van de afwijzing.

4. Op 29 augustus 2003 heeft verzoeker een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 6 juni 2006 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Dat besluit staat na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 29 maart 2007 in rechte vast.

5. Verzoeker stelt dat geen sprake is van een herhaalde aanvraag omdat sprake is van voor verzoeker relevant nieuw recht, primair omdat hij uit Centraal-Irak komt en voor dat gebied thans een categoriaal beschermingsbeleid geldt zoals neergelegd in het Besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 21 mei 2007, nr. 2007/09, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, nummer 2007/09 (verder: WBV 2007,09). Subsidiair doet verzoeker een beroep op artikel 15, aanhef en onder c van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn). Verzoeker stelt zich op het standpunt dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn een ruimere bescherming biedt dan artikel 29 van de Vw 2000 zodat er sprake is van nieuw recht en de aanvraag niet als herhaalde aanvraag behandeld had mogen worden.

6. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker met toepassing van het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb afgewezen onder verwijzing naar het besluit in de vorige procedure. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn valt volgens verweerder niet aan te merken als nieuw recht omdat de inhoud daarvan al bestreken wordt door artikel 29, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Verzoeker dient in dat kader aannemelijk te maken dat in zijn individuele geval sprake is van een ernstige bedreiging van het leven of de persoon. Verzoeker is daarin niet geslaagd.

7. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van het beroep op het categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal-Irak als volgt.

8. Het voor Centraal-Irak gevoerde categoriaal beschermingsbeleid kan voor verzoeker alleen als relevant nieuw recht worden aangemerkt indien verzoeker onder de reikwijdte van dat beleid valt. Daartoe dient in ieder geval aannemelijk te zijn dat verzoeker uit Centraal-Irak afkomstig is.

9. Bij het besluit van 6 juni 2006 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is dat verzoeker afkomstig is uit Centraal-Irak. Dat besluit staat na de uitspraak van de AbRS van 29 maart 2007 in rechte vast. Nu verzoeker ook bij de onderhavige aanvraag heeft gesteld uit Centraal-Irak afkomstig te zijn dient hij bewijs in te brengen waaruit volgt dat hij wél uit Centraal-Irak afkomstig is en dat niet vóór het nemen van het eerdere besluit kon en derhalve behoorde te worden ingebracht.

10. Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn aanvraag de volgende documenten overgelegd:

1. een brief van zijn gemachtigde, mr. M.P. Kiers, van 9 november 2006 met als bijlagen kopieën van een Iraakse identiteitskaart, een Iraaks bewijs van staatsburgerschap, een kopie van een visitekaartje en een kopie van het W-document van verzoeker;

2. Kopieën van de bladzijden met persoonsgegevens van de Nederlandse paspoorten van zijn partner en hun kind.

11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onder 1 genoemde stukken geen nieuw bewijs kunnen vormen als hierboven bedoeld nu de stukken al in het kader van de eerdere procedure zijn overgelegd, terwijl over de stukken toen is geoordeeld dat ze eerder geproduceerd hadden moeten worden. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de kopieën van de bladzijden met persoonsgegevens van de Nederlandse paspoorten van zijn partner en hun kind (genoemd onder nummer 2) evenmin kunnen worden beschouwd als nieuw bewijs nu deze documenten geen betrekking hebben op het land van herkomst van verzoeker, zijn asielrelaas of samenhangen met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst.

12. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij afkomstig is uit Centraal-Irak, zodat het categoriaal beschermingsbeleid reeds om die reden voor hem geen relevant nieuw recht is.

13. Ter onderbouwing van zijn beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn heeft verzoeker het volgende aangevoerd. Dit artikel is nieuw recht en verweerder had inhoudelijk moeten beoordelen of verzoeker in aanmerking komt voor bescherming op grond van dit artikel. Verzoeker stelt in aanmerking te komen voor die bescherming aangezien hij, als niet uit Centraal-Irak, dan dus uit Noord-Irak afkomstig moet zijn. In Noord-Irak is sprake van willekeurig geweld als gevolg van een binnenlands conflict en gelet op de in het artikel veronderstelde willekeur van dat geweld kan een verdere individualisering van het risico daarvan slachtoffer te worden niet worden verlangd.

14. Verweerder betwist niet dat verzoeker uit Noord-Irak afkomstig is maar heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geen relevant nieuw recht vormt.

15. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

16. Volgens artikel 2, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn is een "persoon die voor de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt" een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2 niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen.

Volgens artikel 15 bestaat ernstige schade uit:

a) doodstraf of executie; of

b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of

c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Volgens artikel 18 verlenen lidstaten de subsidiaire beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.

17. Indien artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn inderdaad, zoals verzoeker aanvoert, moet worden aangemerkt als een wijziging van het recht, dan kan aan deze wijziging slechts de door hem gewenste betekenis toekomen, indien de wijziging voor hem relevant is. Een wijziging van het recht kan alleen als relevant nieuw recht worden aangemerkt indien verzoeker onder de reikwijdte van de desbetreffende bepaling valt. Dit volgt onder meer uit de uitspraak van de AbRS van 20 juli 2007, LJN: BB0917.

18. Verzoeker valt slechts onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn indien er voor hem sprake is van een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De voorzieningenrechter stelt daarbij voorop dat het aan verzoeker is om aannemelijk te maken dat hij onder deze reikwijdte valt.

19. Anders dan verzoeker hecht de voorzieningenrechter wel belang aan het in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn opgenomen vereiste dat sprake is van een individuele bedreiging.

20. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat artikel 15 van de Definitierichtlijn gedurende de behandelingen door de Raad van de Europese Unie vorm heeft gekregen. Met betrekking tot opnemen van het woord “individuele” wordt vermeld; “With regard to Article 15 general consensus was noted regarding sub-paragraphs (a) and (b). Concerning sub-paragraph (c) a vast majority of Member States supported the reference to “individual” in order tot avoid an undesired opening of the scope of this sub-paragraph.” (Presidency Note to Coreper/Council, 30 september 2002, 12382/02 ASILE 47).

21. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat preambule 26 van de Definitierichtlijn luidt; “Gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen is blootgesteld, vormen normaliter op zich geen individuele bedreiging die als ernstige schade kan worden opgemerkt”. Deze preambule maakte geen deel uit van het inleidende voorstel van de Europese Commissie van 31 oktober 2001 (COM(2001) 501 final), en is toegevoegd op 30 maart 2004 (Outcome of Proceedings, 30 maart 2004, 7944/04 ASILE 21), met dien verstande dat het laatste deel van de preambule toen nog luidde “do normally not create in itself an individual threat in line with Article 15 (c)”

22. Op grond van het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Definitierichtlijn volgt dat het woord “individuele” bewust is opgenomen in artikel 15 onder c van de Definitierichtlijn. Verzoeker dient dan ook aannemelijk dient te maken dat hij een individueel risico loopt. Het in dit verband door verzoeker aangevoerde omtrent zijn leeftijd en de omstandigheid dat hij Arabisch spreekt acht de voorzieningenrechter onvoldoende.

23. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verzoeker onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er in zijn geval sprake is van een ernstige en individuele bedreiging van het leven als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in Noord-Irak. Reeds om deze reden is het bepaalde in artikel 15 aanhef en onder c van de Definitierichtlijn voor verzoeker geen relevante wijziging van recht.

24. Uit het bovenstaande volgt dat de onderhavige aanvraag een herhaalde aanvraag is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Tevens volgt uit het bovenstaande, met name uit overweging 11, dat de overgelegde stukken niet kunnen worden beschouwd als nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb zodat voor een rechterlijke beoordeling van het onderhavige besluit geen plaats is.

25. Hetgeen verweerder verder heeft overwogen en wat daar zijdens verzoeker tegen in is gebracht, behoeft, nu niet is gebleken dat verzoeker daar procesbelang bij heeft, derhalve geen verdere bespreking.

26. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder op juiste gronden heeft besloten de aanvraag in het Aanmeldcentrum te Ter Apel af te wijzen. Derhalve is het beroep ongegrond. Gelet hierop dient het verzoek te worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek een voorlopige voorziening te treffen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. G.A. van der Straaten en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2007 in tegenwoordigheid van mr. D.G. Wessels-Harmsen als griffier.

de griffier

de voorzieningenrechter?