Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB3677

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-07-2007
Datum publicatie
18-09-2007
Zaaknummer
AWB 07/12834
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid beroep / fax met mededeling dient als beroepschrift te worden beschouwd

Bij de rechtbank liep een verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar. Door de gemachtigde van eiser is, binnen de beroepstermijn, een fax verzonden aan de rechtbank met de mededeling dat inmiddels beroep was ingesteld tegen de beslissing op bezwaar en met het verzoek om de voorlopige voorziening op het beroep betrekking te doen hebben. Na het verstrijken van de beroepstermijn is gebleken dat het door de gemachtige veronderstelde beroepschrift nooit is ingediend.

De rechtbank overweegt dat uit de bewoordingen van de fax volgt dat deze niet bedoeld was als beroepschrift. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het feit dat een schriftelijk stuk niet als beroepschrift is bedoeld, echter niet altijd met zich dat het stuk ook niet als zodanig kan worden opgevat. Indien uit een schriftelijk stuk kenbaar is dat een belanghebbende zich niet kan verenigen met een bepaald besluit, dient dat stuk als bezwaar- of beroepschrift beschouwd te worden. De rechtbank verwijst in dit verband naar uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 17 mei 2004 (LJN: AO9586) en van de Centrale Raad van Beroep van 6 september 2002 (LJN: AE8894).

Uit de in de fax opgenomen mededeling dat inmiddels beroep was ingesteld en het verzoek om de voorlopige voorziening op het beroep betrekking te doen hebben volgt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat eiser zich niet kon verenigen met de beslissing op bezwaar, dat hij in de veronderstelling leefde dit inmiddels door middel van een beroepschrift kenbaar te hebben gemaakt en dat hij voornemens was zijn vermeend ingestelde beroep voort te zetten.

Nu verder sprake was van een, aan de vreemdelingenkamer van de Rechtbank ’s Gravenhage gericht schriftelijk stuk dat is ingediend door een belanghebbende bij een bepaald besluit dient de fax als beroepschrift te worden beschouwd. De omstandigheid dat de fax aan de zittingplaats Arnhem in plaats van aan het CIV is toegezonden doet aan het vorenstaande niet af. De rechtbank verwijst in dit verband naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 mei 2006 (LJN: AX7114) en de Rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 22 september 2005 (LJN: AU3696). Het beroep is derhalve tijdig ingesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNVR 2007/218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB07/12834

Datum uitspraak: 19 juli 2007

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[Eiser],

geboren op [geboortedatum] 1956,

v-nummer 170.020.3322,

van Ghanese nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. T. Sönmez,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 28 november 2006 heeft eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking voortgezet verblijf aangevraagd. Bij besluit van 28 november 2006 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

Daartegen heeft eiser op 4 december 2006 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 februari 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 28 februari 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 5 juli 2007. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. V.A.N.W. 't Hoen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘conform beschikking minister’. Aangezien eiser niet in het bezit is van een geldige machtiging voor voorlopig verblijf (hierna: mvv) en niet is gebleken dat eiser valt onder een van de beperkingen in de Vw 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) is de aanvraag afgewezen. Verweerder stelt daartoe dat eiser niet voldoende gemotiveerd heeft aangegeven, dat hij door bijzondere en individuele omstandigheden niet over een geldige of juiste mvv kan beschikken. Er zijn door eiser geen feiten en omstandigheden aangevoerd waardoor niet van eiser verlangd kan worden dat hij de mvv-procedure afwacht in het land van herkomst dan wel dat hij zich in het land van herkomst niet staande heeft kunnen houden. Eiser is volgens verweerder nimmer in het bezit geweest van een verblijfsvergunning en daarom voldeed hij ook niet aan de vereisten voor een wijziging van de beperking tot voortgezet verblijf.

3. Hiermee kan eiser zich niet verenigen en daartoe wordt het volgende aangevoerd. Eiser stelt dat hij sinds 8 december 1998 in Nederland verblijft en op die datum een verblijfsvergunning onder de beperking verblijf bij partner heeft ingediend. Verweerder heeft vervolgens pas op 4 augustus 2005 op het bezwaar negatief beslist. Vervolgens heeft eiser wederom een aanvraag ingediend op 23 augustus 2005, maar de beschikking is verzonden naar de laatst bekende gemachtigde en niet naar hem. Daarom heeft hij tegen die beslissing geen rechtsmiddelen aangewend.

Eiser is van mening dat hij buiten zijn schuld om reeds vanaf 8 december 1998 bezig is met het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Deze situatie is niet aan hem te wijten. Hij is ten onrechte nimmer door verweerder in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Daarom stelt eiser zich op het standpunt dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ten eerste overweegt de rechtbank ten aanzien van de vraag of het beroep van eiser ontvankelijk is het volgende.

6. Bij brief van 15 februari 2007 heeft de rechtbank aan de gemachtigde van eiser een afschrift doen toekomen van het besluit van 13 februari 2007. Daarbij is de gemachtigde verzocht binnen twee weken een reactie te geven omtrent het verdere verloop van bovengenoemd verzoek.

7. Op 28 februari 2007 heeft de gemachtigde van eiser een fax aan de rechtbank toegezonden. Deze fax bevat, voor zover thans van belang, de volgende passage:

“(…)

Inzake: [Eiser]/Beroep

Ons kenmerk: 2700237/PJ

Uw kenmerk: 06/59573

Geachte dames/heren,

Inmiddels heb ik namens cliënt een beroepschrift ingediend. Bijgaand treft u hiervan een kopie aan en ik verzoek u dan ook de voorlopige voorziening betrekking te laten hebben op het beroep. (…)”

Bij deze fax was als bijlage het verzoek om een voorlopige voorziening van 4 december 2006 gevoegd.

8. Op 20 maart 2007 heeft de gemachtigde van eiser een fax gezonden aan de rechtbank. Deze fax bevat, voor zover thans van belang, de volgende passage:

“(…) Bij schrijven van 28 februari jl. heb ik bericht dat belanghebbende inmiddels beroep zou hebben ingesteld tegen de ongegrond verklaring van het bezwaarschrift. (…)

Bij nadere screening van het dossier is dezerzijds geconstateerd dat er geen pro forma beroepschrift is ingediend. (…)”

9. Op 22 maart 2007 heeft de gemachtigde van eiser een fax gezonden aan het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken (CIV) met het verzoek het beroep in te schrijven. Bij deze fax heeft de gemachtigde als bijlagen de faxen van 28 februari en 20 maart 2007 gevoegd.

10. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat de fax van 28 februari 2007 niet als beroepschrift is aan te merken. Deze fax bevat slechts een feitelijk verzoek om de lopende voorlopige voorziening betrekking te laten hebben op het beroep. Dat in de fax wordt gemeld dat inmiddels beroep is ingediend, kan niet afdoen aan het feit dat er in werkelijkheid geen beroep was ingediend. Nu uit de bewoordingen van de fax volgt dat deze niet bedoeld was als beroepschrift kan de fax niet achteraf toch als beroepschrift worden aangemerkt. Nu eiser pas na het verstrijken van de beroepstermijn een echt beroepschrift heeft ingediend, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

11. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de fax van 28 februari 2007 geen ruimte laat om een andere conclusie te trekken dan dat hij beroep heeft willen aantekenen. Verder laat de fax geen ruimte om anders te concluderen dan dat deze van de gemachtigde van eiser afkomstig is zodat deze fax als pro forma beroepschrift aangemerkt dient te worden.

12. De rechtbank overweegt dat uit de bewoordingen van de fax van 28 februari 2007 volgt dat deze fax niet bedoeld was als beroepschrift. In de fax werd immers gesteld dat inmiddels beroep was ingesteld en dat het beroep als bijlage was bijgevoegd. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het feit dat een schriftelijk stuk niet als beroepschrift is bedoeld, echter niet altijd met zich dat het stuk ook niet als zodanig kan worden opgevat. Indien uit een schriftelijk stuk kenbaar is dat een belanghebbende zich niet kan verenigen met een bepaald besluit, dient dat stuk als bezwaar- of beroepschrift beschouwd te worden. De rechtbank verwijst in dit verband naar uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 17 mei 2004 (LJN: AO9586) en van de Centrale Raad van Beroep van 6 september 2002 (LJN: AE8894).

13. Uit de in de fax van 28 februari 2007 opgenomen mededeling dat inmiddels beroep was ingesteld en het verzoek om de voorlopige voorziening op het beroep betrekking te doen hebben volgt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat eiser zich niet kon verenigen met het besluit van 13 februari 2007, dat hij in de veronderstelling leefde dit inmiddels door middel van een beroepschrift kenbaar te hebben gemaakt en dat hij voornemens was zijn vermeend ingestelde beroep voort te zetten.

14. Nu verder sprake was van een, aan de vreemdelingenkamer van de Rechtbank ’s Gravenhage gericht schriftelijk stuk dat is ingediend door een belanghebbende bij een bepaald besluit, te weten de beslissing op bezwaar in de procedure met kenmerk 06/59573, dient de fax van 28 februari 2007 als beroepschrift te worden beschouwd. De omstandigheid dat de fax aan de zittingplaats Arnhem in plaats van aan het CIV is toegezonden doet aan het vorenstaande niet af. De rechtbank verwijst in dit verband naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 mei 2006 (LJN: AX7114) en de Rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 22 september 2005 (LJN: AU3696). Het beroep is derhalve tijdig ingesteld.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep ontvankelijk is.

15. Vervolgens overweegt de rechtbank dat artikel 4:6 van de Awb voor de bestuurlijke besluitvorming invulling geeft aan het algemene rechtsbeginsel, volgens hetwelk niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak (ne bis in idem). De bepaling verleent het bestuur de bevoegdheid om een herhaalde aanvraag, waaraan geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, af te wijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit, doch laat het vrij om inhoudelijk op zo'n aanvraag te beslissen.

16. Het hiervoor genoemde algemeen beginsel geldt ook voor de rechtspraak. Buiten de aanwending van ingevolge de wet openstaande rechtsmiddelen, kan eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter worden voorgelegd. Voor de bestuursrechtspraak in vreemdelingenzaken vindt het beginsel nadere invulling in het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verband met artikel 69 van de Vw 2000. Deze wettelijke bepalingen verzetten zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen het besluit op een herhaalde aanvraag wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. Daarbij geldt dat de wet voor de rechtspraak, anders dan voor het bestuur niet voorziet in discretie, noch anderszins in uitzonderingen op de regel dat de weg naar de rechter slechts eenmaal gedurende een beperkte periode open staat. Voor de rechter geldt het beperkte toetsingskader derhalve ook, indien het bestuursorgaan artikel 4:6, tweede lid van de Awb niet heeft toegepast. De regels inzake de toegang tot de rechter staan niet ter vrije beschikking van partijen, maar zijn van openbare orde.

17. Gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader ziet de rechtbank zich allereerst gehouden ambtshalve te onderzoeken of eiser een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft ingediend.

18. Verweerder heeft in het besluit aangegeven dat eiser een aanvraag heeft gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘conform beschikking minister’. In de onderhavige aanvraag heeft eiser echter bij ‘6. Doel van het verblijf in Nederland’ een kruisje gezet bij het kopje ‘voortgezet verblijf’. Eiser heeft vervolgens bij ‘M. Verblijfsvergunning voortgezet verblijf’ een kruisje gezet bij ‘na 3 jaar verblijf bij (huwelijks)partner of geregistreerd partner’.

In de aanvraag van 23 augustus 2005 heeft eiser tevens bij ‘6. Doel van het verblijf in Nederland’ een kruisje gezet bij het kopje ‘voortgezet verblijf’. Eiser heeft ook bij

‘M. Verblijfsvergunning voortgezet verblijf’ een kruisje gezet bij ‘huwelijk, (geregistreerd) partnerschap na 3 jaar verblijf bij (huwelijks)partner’. De rechtbank is van oordeel dat eiser nu voor de tweede keer een aanvraag heeft ingediend voor voortgezet verblijf en dat hier derhalve sprake is van een herhaalde aanvraag.

Ter toelichting van de onderhavige aanvraag beroept eiser zich enkel op zijn, volgens eiser buiten zijn schuld om, langdurige verblijf in Nederland en de daarmee deels samenhangende stelling dat hij reeds bij zijn eerste aanvraag een reguliere vergunning met de beperking verblijf bij partner had moeten verkrijgen. Tegen het besluit van 4 augustus 2005, had eiser een bezwaarschrift kunnen indienen. En zo ook tegen het besluit van 13 september 2005. Dit heeft hij beide keren niet gedaan. De bovengenoemde stelling van eiser kan dus niet worden gezien als zijnde een nieuw feit of veranderde omstandigheid omdat hij deze in een eerdere procedure naar voren had kunnen brengen. Gezien het vorenstaande is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die kunnen afdoen aan het eerdere besluit. Er is dan ook geen plaats voor een rechterlijke beoordeling van het onderhavige besluit.

19. Derhalve is het beroep ongegrond. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. G.A. van der Straaten en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2007 in tegenwoordigheid van mr. I.L. Puister als griffier.

de griffier

de rechter