Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB3552

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-08-2007
Datum publicatie
18-09-2007
Zaaknummer
AWB 06/60980, 05/29996
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / vrijstelling / gezondheidstoestand / uitstel van vertrek / BMA-advies / toets is momentopname

De toets of iemand op grond van artikel 64 Vw uitstel van vertrek wordt verleend is een momentopname waaraan in een vervolgprocedure geen rechten kunnen worden ontleend. Een verklaring ex artikel 64 Vw staat er niet aan in de weg een nieuw onderzoek te initiëren teneinde de huidige gezondheidstoestand van eiseres opnieuw te beoordelen. De verklaring van de behandeld arts kan evenmin voldoende grond opleveren voor het oordeel dat de medische situatie van eiseres ertoe noopt haar vrij te stellen van het mvv-vereiste. De uitleg van verweerder acht de rechtbank hiertoe overtuigend, met name de wijze waarop de vertrouwensband tussen behandelend arts en patiënt de objectiviteit kan beïnvloeden, alsook het feit dat een behandelend arts niet is gespecialiseerd in de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst. Verweerder heeft in hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht geen aanleiding hoeven zien voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van het BMA van 9 juni 2005 omtrent de medische situatie van eiseres en de behandelmogelijkheden in Azerbeidjan. Ook is op geen enkele wijze onderbouwd dat het BMA onvoldoende objectief zou zijn. De enkele niet onderbouwde stelling dat het BMA altijd in het nadeel van de vreemdeling beslist overtuigt niet.

Het feit dat verweerder desondanks aangeeft een nieuw medisch onderzoek te willen laten verrichten door het BMA getuigt eerder van bijzonder zorgvuldig handelen van de kant van verweerder dan van het tegendeel. Het feit dat eiseres haar medewerking aan dit nieuwe onderzoek weigert dient dan ook voor rekening en risico van eiseres te komen. Verweerder mocht om deze reden voor wat betreft het medische oordeel en de behandelmogelijkheden in Azerbeidjan afgaan op het BMA-rapport van 9 juni 2005. Verweerder had het bezwaar evenwel desondanks niet op basis van het BMA-rapport van 9 juni 2005 ongegrond mogen verklaren. Eiseres dient een mvv niet in Azerbeidjan, doch in Georgië aan te vragen. Dit was ook reeds het geval ten tijde van het bestreden besluit. Het BMA- rapport van 9 juni 2005 ziet evenwel slechts op de behandelmogelijkheden voor eiseres in Azerbeidjan. Dat eiseres weigert haar medewerking te verlenen aan een onderzoek naar haar huidige medische situatie, betekent niet dat verweerder niet de medische gegevens die aan het BMA-rapport van 9 juni 2005 ten grondslag hebben gelegen had kunnen en moeten gebruiken voor een nieuw medisch advies met betrekking tot de behandelmogelijkheden voor eiseres in Georgië. Strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 06/60980 en AWB 05/29996

V-nr: 070.207.3507

inzake:

[Eiseres], geboren op [geboortedatum] 1977, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, wonende te [woonplaats],

eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres,

gemachtigde: mr. A. van Driel, advocaat te Alkmaar,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. H.A. Koppert, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 21 juni 2005 heeft verweerder de aanvraag van 17 februari 2005 van eiseres van tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “verblijf bij partner [partner]” afgewezen. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiseres na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat zij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken moet verlaten.

2. Bij bezwaarschrift van 1 juli 2005 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 1 juli 2005 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. Het door eiseres ingestelde beroep tegen niet tijdig beslissen op het bezwaar is bij uitspraak van 2 oktober 2006 (AWB 06/38405) van deze rechtbank en zittingsplaats, gegrond verklaard. Het bezwaar is bij besluit van 15 november 2006 ongegrond verklaard.

3. Op 12 december 2006 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Volgens het besluit schort het beroep de rechtsgevolgen niet op. Bij brief van 15 januari 2007 heeft eiseres verzocht het petitum van het reeds ingediend verzoek om een voorlopige voorziening te wijzigen in die zin dat wordt verzocht verweerder te verbieden eiseres uit te zetten totdat op het beroep is beslist.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2007. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door een kantoorgenoot van haar gemachtigde, mr. F.W. Verbaas. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig de heer [partner].

5. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

6. Bij beslissing van 20 juli 2007 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde nadere inlichtingen van verweerder te ontvangen. Verweerder heeft bij brief van 2 augustus 2007 een reactie aan de rechtbank doen toekomen. Eiseres heeft bij brief van 9 augustus 2007 hierop gereageerd. Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

II. FEITEN

1. Bij besluit van 30 augustus 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 1 april 2002 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, wegens ongeloofwaardigheid van het asielrelaas. Het door eiseres ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 26 mei 2004 (AWB 02/74529) ongegrond verklaard. Het door eiseres bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van 17 augustus 2004 (200405251) ongegrond verklaard, waarmee het besluit van 30 augustus 2002 onherroepelijk is geworden.

2. Bij brief van 19 januari 2005 aan de Vreemdelingenpolitie Noord-Holland-Noord heeft de heer B. Schaap, sociaal- en forensisch geneeskundige van de GGD Noord-Kennemerland, in het kader van artikel 64 van de Vw 2000, op basis van een gesprek met eiseres en medische informatie van de behandelend psychiater geconcludeerd dat eiseres vliegongeschikt is en dat er een zeer sterke dreiging van zelfmoord is. Schaap adviseert in deze brief om na twee jaar een herbeoordeling te laten plaatsvinden.

3. Op 25 april 2005 heeft verweerder naar aanleiding van de onderhavige aanvraag het Bureau Medische Advisering (BMA) verzocht te adviseren omtrent de gezondheidstoestand van eiseres. Op 9 juni 2005 heeft het BMA een advies uitgebracht, waarin is geconcludeerd dat bij eiseres sprake is van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en depressieve stoornis. Zij heeft slaapstoornissen, eetstoornissen, concentratieproblemen en ernstige depressieve klachten met suïcidale ideeën en is in 2003 opgenomen na een suïcidepoging. Eiseres staat onder behandeling van een psychiater met medicatie. De behandeling is langdurig van aard. Gerichte behandeling en afname van klachten is pas te verwachten wanneer een stabiele thuis- en verblijfssituatie aanwezig is. Klinische en ambulante behandeling in het land van herkomst is mogelijk in twee ziekenhuizen in Baku. Medicijnen zijn eveneens beschikbaar. Het optreden van een medische noodsituatie als gevolg van het staken van de medicatie is op korte termijn mogelijk, gezien het feit dat eiseres reeds eerder een serieuze suïcidepoging deed. Eiseres kan reizen met de gangbare vervoermiddelen. Nauwkeurige observatie in de periode voor vertrek, reizen onder begeleiding, de mogelijkheid om de huidige medicatie voort te zetten en overdracht aan een behandelaar na aankomst is noodzakelijk om suïcide te voorkomen.

4. Bij brief van 15 september 2006 concludeert de behandelend psychiater van eiseres, L. van Leerdam, dat terugkeer naar het land van herkomst het trauma zou kunnen doen herleven, wat kan leiden tot een ernstige crisis met suïcidaliteit en/of psychose.

5. Eiseres is op 1 november 2006 gehoord door een ambtelijk commissie. Hierbij was tevens haar, inmiddels, echtgenoot de heer [partner] aanwezig.

6. Bij brief van 7 november 2006 heeft verweerder aan eiseres laten weten een nieuw BMA advies noodzakelijk te achten, gelet op hetgeen ter zitting ter sprake is gekomen en hetgeen blijkt uit het departementale dossier van eiseres. Eiseres heeft bij brief van 14 november 2006 laten weten dit, gezien de brief van 15 september 2006 van de behandelend psychiater, het feit dat artikel 64 van de Vw 2000 op eiseres van toepassing is en de verstreken beslistermijn, onnodig te vinden.

III. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

1.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning aangezien zij niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Zij komt niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, van de Vw 2000. Eiseres heeft geen toestemming gegeven voor een nieuw advies van het BMA, terwijl dit in het kader van een zorgvuldig onderzoek naar de mogelijkheid van eiseres om terug te kunnen reizen naar het land van herkomst, noodzakelijk wordt geacht. Derhalve dient uitgegaan te worden van het BMA-advies van 9 juni 2005, waaruit blijkt dat eiseres wel kan reizen, opgesteld vijf maanden na de brief van Schaap in het kader van artikel 64 van de Vw over de vliegongeschiktheid van eiseres. Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die nopen tot het oordeel dat het advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De inhoud van de brief van de behandelend psychiater van eiseres van 15 september 2006 is onvoldoende om het BMA rapport te weerleggen. Hierbij verwijst verweerder naar de richtlijnen van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst (KNMG). Een geneeskundige verklaring bevat een op medische gegevens gebaseerd waardeoordeel Het geven van een waardeoordeel, dat een ander doel dient dat behandeling/begeleiding, moet objectief en deskundig gebeuren en derhalve door een onafhankelijke arts die deskundigheid heeft op het gebeid waarop de vraagstelling zich afspeelt. Een behandelend arts wordt niet geacht objectief te zijn ten opzichte van zijn patiënt. Daarnaast beschikt een behandelend arts meestal niet over de specifieke deskundigheid die nodig is voor het geven van een waardeoordeel. Een behandelend arts is veelal niet op de hoogte van de medische criteria waaraan verweerder toetst, zoals bijvoorbeeld de behandelmogelijkheden in het land van herkomst. Bovendien kan de vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt aangetast worden als het oordeel van de arts niet gunstig is voor de patiënt.

Het feit dat aan eiseres in het verleden uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000 betekent niet dat zij reeds om die reden op grond van artikel 17, eerste lid, onder c van de Vw 2000 dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste, aangezien de toets hiertoe, die slechts ziet op de vlieggeschiktheid van eiseres, een momentopname is waaraan in een vervolgprocedure geen rechten kunnen worden ontleend. Het BMA heeft vijf maanden later geoordeeld dat eiseres wel in staat is te reizen.

Eiseres komt tevens niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv vereiste op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000. Het BMA-advies geeft aan dat van een medische noodsituatie geen sprake hoeft te zijn nu behandeling in het land van herkomst mogelijk is. Eiseres verkeert niet in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van een ongeneeslijke ziekte. (Asielgerelateerde) oorzaken van PTSS en de feitelijke toegankelijkheid zijn uit medisch oogpunt niet van belang om te kunnen bepalen of medische behandeling in het land van herkomst mogelijk is. De stelling dat de moeder van eiseres bij vertrek van eiseres zal decompenseren is onvoldoende aangetoond en kan niet worden gevolgd. Het beroep op artikel 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) faalt eveneens, aangezien in het onderhavige geval geen sprake is van een geval waarin een kind door optreden van overheidswege uit zijn gezinssituatie wordt gehaald, omdat het niet in het belang van het kind zou zijn om daar nog langer te verblijven. De stelling van eiseres dat zij gevaar loopt in het land van herkomst omdat haar vader en broer zijn vermoord faalt eveneens, nu ingevolge hoofdstuk B1/2.2.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000, indien asielgerelateerde gronden worden aangevoerd. Zij kan, indien zij hiertegen bescherming wenst, een asielaanvraag indienen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat de zaak van eiseres vergelijkbaar zou zijn met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 9 juli 2002 (AWB 01/40603 en AWB 01/40601), faalt eveneens nu van vergelijkbare gevallen en exact hetzelfde feitencomplex geen sprake is.

De weigering om aan eiseres verblijf hier te lande toe te staan betekent geen schending van het recht op eerbiediging van het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens vaste jurisprudentie is het mvv-vereiste immers niet in strijd met een eventuele uit artikel 8 van het EVRM voortvloeiende positieve verplichting, nu uitoefening van het gezinsleven hier te lande niet op voorhand wordt uitgesloten. Tevens is er geen sprake van inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven tussen eiseres, haar echtgenoot en haar dochter. De weigering eiseres verblijf toe te staan strekt er immers niet toe haar een verblijfstitel te ontnemen die haar tot het uitoefenen van het familie- of gezinsleven in staat stelde. Het feit dat de dochter de Nederlandse nationaliteit bezit, doet hieraan niet af.

1.2. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat het niet mogelijk is in Azerbeidjan een mvv aan te vragen, doch dat eiseres hiervoor waarschijnlijk naar Georgië zou moeten reizen. Tevens heeft verweerder verklaard na bestudering van het dossier, na hetgeen op de hoorzitting ter sprake is gekomen en gezien het feit dat eiseres naar Georgië zal moeten reizen voor de aanvraag van een mvv, een nieuw BMA-advies nodig te achten. Bij brief van 2 augustus 2007 heeft verweerder bevestigd dat zowel ten tijde van het nemen van het bestreden besluit als heden ten dage het niet mogelijk is een mvv aan te vragen in Azerbeidjan. Hiertoe dient een aanvraag te worden ingediend bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Georgië.

2.1. Eiseres heeft - zakelijk weergegeven – aangevoerd dat zij in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 en op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000. Ten tijde van het bestreden besluit was op eiseres artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing. Eiseres kan dus niet reizen en het lijkt niet logisch om desondanks het mvv-vereiste te stellen. Verweerder neemt het risico van zelfmoord blijkbaar serieus, gezien de aanbiedingsbrief bij het bestreden besluit, waarin verweerder de raadsman verzoekt contact op te nemen met de behandelende artsen alvorens eiseres in kennis te stellen van het voor haar negatieve besluit.

Een nieuw BMA-advies zou niets hebben kunnen afdoen aan het feit dat op eiseres artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing was noch aan de brief van de psychiater van 15 september 2006, waaruit eveneens blijkt dat eiseres niet kan reizen. Op grond van deze informatie is voldoende duidelijk dat terugreizen naar het land van herkomst onverantwoord is. Eiseres kan weliswaar reizen, doch het BMA heeft niet de vraag beantwoord of eiseres kan reizen naar het land van herkomst waar haar trauma is ontstaan en daar vervolgens kan wachten op de afgifte van een mvv. Bovendien is niet duidelijk wat de kwalificaties zijn van de opsteller van het BMA-advies.

Daarnaast is er voldoende grond om artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 toe te passen, gezien de medische situatie van eiseres, het feit dat er geen familie is in het land van herkomst die haar op kan vangen en het feit dat eiseres een jong kind van nog geen jaar heeft. Het is de vraag of het verantwoord is om eiseres haar kind mee te laten nemen naar het land van herkomst.

De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 9 juli 2002 (AWB 01/40603 en AWB 01/40601) gaat over een vergelijkbare situatie, waarin de rechtbank uiteindelijk ook die conclusie trekt. Voor een beroep op het gelijkheidsbeginsel is het niet nodig dat een zaak volkomen identiek is. Een dergelijke situatie zal zich nooit voordoen, waarmee het gelijkheidsbeginsel geen bestaansrecht zou hebben.

In het kader van de in artikel 8 van het EVRM te maken belangenafweging had de balans behoren uit te vallen in het voordeel van eiseres. Er is niet alleen sprake van gezinsleven met haar echtgenoot en overige familieleven, maar ook met haar dochter. Het is niet in het belang van het kind dat zij van haar ouders gescheiden wordt.

De moeder van eiseres bevindt zich nog in een procedure over toelating tot Nederland. Verweerder kan derhalve niet zomaar stellen dat de moeder mogelijk wel met haar dochter mee terug kan keren.

2.2. Ter zitting heeft eiseres de rechtbank verzocht een deskundige te benoemen voor het vaststellen van de medische situatie van eiseres, zodat niet alsnog een BMA-rapport behoeft te worden opgemaakt. Eiseres is van mening dat het BMA niet onpartijdig is en altijd in het nadeel van de vreemdeling oordeelt. In reactie op de informatie van verweerder omtrent het aanvragen van een mvv in Georgië stelt eiseres dat dit gegeven reeds voldoende is voor gegrondverklaring van het beroep, nu niet is onderzocht of eiseres naar Georgië kan reizen.

IV. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 3.71, tweede lid, van het Vb 2000 is een aantal categorieën vreemdelingen vrijgesteld van het vereiste van het beschikken over een geldige mvv.

2. Vaststaat dat eiseres niet beschikt over een geldige mvv. Aan de orde is derhalve de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat eiseres niet van het mvv-vereiste dient te worden vrijgesteld. De rechtbank overweegt in dat kader als volgt.

3. Ingevolge artikel 17, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 wordt het mvv-vereiste niet tegengeworpen aan de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen. Voorts kan de Minister, ingevolge het vierde lid van artikel 3.71 van het Vb 2000, het mvv-vereiste buiten toepassing laten voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1999-2000, 26 732, nr.7, p. 108-109) blijkt dat in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 neergelegde bevoegdheid bedoeld is als discretionair van aard en beperkt van omvang. Gevallen, waaromtrent is voorzien dat het mvv-vereiste niet zal kunnen worden tegengeworpen, zijn bij en krachtens artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 van dat vereiste uitgesloten, zodat toepassing van de hardheidsclausule beperkt kan blijven tot zeer uitzonderlijke gevallen die door wet- en regelgever niet zijn voorzien. In de brief van de staatssecretaris aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 19 september 1997 (TK 1997-1998, 24 554, nr. 16, blz. 1) is voorts als beleidsuitgangspunt gekozen dat een beroep op de hardheidsclausule slechts in zeer uitzonderlijke individuele gevallen wordt gehonoreerd.

5. Ingevolge artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

6. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet reeds op grond van artikel 64 van de Vw 2000 vrijstelling van het mvv-vereiste kan worden verleend. Zoals verweerder terecht heeft overwogen, is de toets of iemand op grond van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek wordt verleend een momentopname waaraan in een vervolgprocedure geen rechten kunnen worden ontleend. In onderhavig geval is de duurzaamheid van de problematiek ingeschat en is geadviseerd over twee jaar een herbeoordeling te doen. Indien binnen deze periode van twee jaar een aanvraag als de onderhavige wordt gedaan, staat de verklaring ex artikel 64 van de Vw 2000 er niet aan in de weg reeds op dat moment een nieuw onderzoek te initiëren teneinde de huidige gezondheidstoestand van eiseres opnieuw te beoordelen.

7. De verklaring van 15 september 2006 van de behandeld arts doet kan evenmin voldoende grond opleveren voor het oordeel dat de medische situatie van eiseres ertoe noopt haar vrij te stellen van het mvv-vereiste. De uitleg van verweerder, zoals hierboven onder III.1.1. verwoord, acht de rechtbank hiertoe overtuigend, waarbij met name belang wordt gehecht aan de wijze waarop de vertrouwensband tussen behandelend arts en patiënt de objectiviteit kan beïnvloeden, alsook het feit dat een behandelend arts niet is gespecialiseerd in de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst.

8. Met betrekking tot de vraag of het BMA de geëigende instantie is om de medische situatie van eiseres te beoordelen met het oog op de vraag of zij zou moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste overweegt de rechtbank het volgende. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRS), onder andere van 30 september 2003 (200304603/1), is het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies van het BMA een deskundigenadvies. Een zodanig advies dient op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de besluitvorming van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete uitgangspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid daarvan. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor reeds is overwogen omtrent de verklaring ex artikel 64 van de Vw 2000 en de brief van de behandelend psychiater is de rechtbank van oordeel dat verweerder in hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht geen aanleiding heeft hoeven zien voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van het BMA van 9 juni 2005 omtrent de medische situatie van eiseres en de behandelmogelijkheden in Azerbeidjan. Ook is op geen enkele wijze onderbouwd dat het BMA onvoldoende objectief zou zijn. De enkele niet onderbouwde stelling dat het BMA altijd in het nadeel van de vreemdeling beslist overtuigt niet.

9. Gelet hierop acht de rechtbank het feit dat verweerder op 7 november 2006 desondanks aangeeft een nieuw medisch onderzoek te willen laten verrichten door het BMA eerder getuigen van bijzonder zorgvuldig handelen van de kant van verweerder dan van het tegendeel. Het feit dat eiseres haar medewerking weigert dient dan ook voor rekening en risico van eiseres te komen. Verweerder mocht dan ook voor wat betreft het medische oordeel en de behandelmogelijkheden in Azerbeidjan afgaan op het BMA-rapport van 9 juni 2005.

10. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder het bezwaar evenwel desondanks niet op basis van het BMA-rapport van 9 juni 2005 ongegrond mogen verklaren. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

11. Zoals verweerder ter zitting heeft verklaard en in haar brief van 2 augustus 2007 nader heeft toegelicht, dient eiseres een mvv niet in Azerbeidjan, doch in Georgië aan te vragen. Dit was ook reeds het geval ten tijde van het bestreden besluit. Het BMA- rapport van 9 juni 2005 ziet evenwel slechts op de behandelmogelijkheden voor eiseres in Azerbeidjan. Het feit dat eiseres weigert haar medewerking te verlenen aan een onderzoek naar haar huidige medische situatie, betekent niet dat verweerder niet de medische gegevens die aan het BMA-rapport van 9 juni 2005 ten grondslag hebben gelegen had kunnen en moeten gebruiken voor een nieuw medisch advies met betrekking tot de behandelmogelijkheden voor eiseres in Georgië.

12. De rechtbank zal om deze reden het beroep gegrond verklaren wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Verweerder zal opnieuw onderzoek moeten verrichten naar de mogelijkheden van eiseres om terug te keren naar het land waar zij een mvv zal moeten aanvragen en afhalen, al dan niet op basis van de reeds bekende medische gegevens. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat indien verweerder gehouden zal zijn dit onderzoek te doen op basis van de reeds bekende gegevens, omdat eiseres haar weigerachtige houding voortzet, de gevolgen hiervan voor rekening en risico van eiseres zullen zijn.

13. Tot slot overweegt de rechtbank dat de toestemming van eiseres van 9 augustus 2007 zonder nadere zitting uitspraak te doen, enkel was gegeven in het geval dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren. Nu dit het geval is heeft de rechtbank besloten zonder nadere zitting uitspraak te doen.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

14. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

15. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

16. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

17. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 en artikel 8:82, vierde lid van de Awb wijst de recht¬bank, respectievelijk de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter ver¬goeding van het door eiser betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 06/60980

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

De voorzieningenrechter

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 05/29996

- wijst het verzoek af;

In beide zaken:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderd en zesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiseres.

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad € 279, -- (zegge: tweehonderd en negenenzeventig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 31 augustus 2007 door mr. C.I.H. Fockens, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van drs. Y.A.P. Huijbregts-Kegels, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: YHK

Coll: SC

D: B

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.