Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB3544

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-08-2007
Datum publicatie
18-09-2007
Zaaknummer
AWB 06/34767, 06/34768, 06/34769, 06/34773
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2008:BD2177, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asielbeleid Afghanistan / westerse levensstijl / 8 EVRM

Bij vaststelling beleid voor Afghaanse vrouwen is geen rekening gehouden met meisjes en jonge vrouwen die hier te lande opgroeien. Het beleid maakt onderscheid tussen vrouwen die in Afghanistan al een andere levensstijl hadden aangenomen en vrouwen die eerst in Nederland een westerse levensstijl hebben aangenomen. Van de laatsten wordt verwacht dat zij zich bij terugkeer weer aanpassen, omdat zij zich voor vertrek ook conformeren. Eiseressen vallen onder geen van beide groepen. Zij zijn op jonge leeftijd naar Nederland gekomen en hadden nog geen bepaalde levensstijl aangenomen. Zij hadden geen keuze in het ontwikkelen van een westerse levensstijl en zij kunnen geen vroegere levensstijl aannemen. Bij de vaststelling van het beleid heeft verweerder zich hiervan geen rekenschap gegeven. Beleid in zoverre onredelijk. Besluiten eiseressen ondeugdelijk gemotiveerd.

Recht op privéleven omvat recht op autonomie over het eigen leven en invulling daarvan, maar dit is geen absoluut recht. Het omvat niet het recht deze levensstijl voort te zetten bij terugkeer dan wel de verplichting om daartoe verblijf toe te staan. Rechtbank komt niet toe aan belangenafweging omtrent vraag of inbreuk op dit recht gerechtvaardigd is. Beroep eiser ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/484

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 06/34767, AWB 06/34768, AWB 06/34769, AWB 06/34773

V.nr.: 120.900.7878, 120.900.7879, 120.900.7880, 120.900.7881

inzake:

[Eiseres 1], geboren op [geboortedatum] 1987, eiseres 1,

[Eiser], geboren op [geboortedatum] 1989, eiser,

[Eiseres 2], geboren op [geboortedatum] 1990, eiseres 2,

[Eiseres 3], geboren op [geboortedatum] 1993, eiseres 3,

allen van Afghaanse nationaliteit, wonende te [woonplaats], tezamen: eisers,

gemachtigde: mr. A.M. van Eik, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. Ch.R. Vink, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 10 oktober 2004 hebben eisers een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

2. Bij uitspraak van 9 mei 2006 heeft deze rechtbank en zittingsplaats eisers’ beroep tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvragen gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen vier weken een besluit neemt onder verbeurte van een dwangsom.

3. Op 23 mei 2006 heeft verweerder aan eisers schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvragen af te wijzen. Bij brieven van 16 juni 2006 hebben eisers hun zienswijze op deze voornemens naar voren gebracht. Bij besluiten van 26 juni 2006 heeft verweerder de aanvragen afgewezen.

4. Bij beroepschriften van 18 juli 2006 hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van de beroepen zijn ingediend bij brief van 16 augustus 2006. Op 18 september 2006 zijn de op de zaken betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 13 maart 2007 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2007. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was G. de Vries, tolk Dari, ter zitting aanwezig.

6. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. Op 16 september 1999 heeft de moeder van eisers, mede ten behoeve van eisers, een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Op 26 januari 2000 heeft de vader van eisers eveneens een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Deze aanvragen zijn bij besluiten van 10 respectievelijk 20 maart 2003 afgewezen. De door hun ouders hiertegen ingestelde beroepen zijn bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juli 2003 niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet (tijdig) indienen van gronden. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 januari 2004 is het verzet van de moeder van eisers ongegrond verklaard. Het door de vader van eisers tegen de niet-ontvankelijkverklaring ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 december 2004 ongegrond verklaard.

2. Op 10 oktober 2004 respectievelijk 13 mei 2005 hebben de ouders van eisers een (herhaalde) aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De beroepen tegen de afwijzing van hun aanvragen zijn eveneens behandeld ter zitting van 23 maart 2007. In die zaken wordt heden uitspraak gedaan onder nummers AWB 06/34765, 06/34766 en 06/50823.

III. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

2. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

3. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ten aanzien van alle beroepen

4. Eisers hebben allereerst aangevoerd dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming en een motiveringsgebrek, nu in de bestreden besluiten niet dan wel onvoldoende is ingegaan op hetgeen eisers in hun zienswijze hebben aangevoerd. Deze - algemeen geformuleerde - beroepsgrond kan, gezien de omvang van die zienswijze, het ontbreken van een specifieke aanduiding van het onderdeel daarvan waaraan in het bestreden besluit voorbij zou zijn gegaan en een toelichting op de stelling dat dit een tot vernietiging aanleiding gevend gebrek in het besluit zou opleveren, niet slagen.

Deze beroepsgrond faalt derhalve.

5. Eisers hebben voorts betoogd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. Eisers menen dat verweerder de bevoegdheid om te beslissen slechts heeft aangewend om de opgelegde dwangsom te stuiten.

De rechtbank volgt eisers hierin niet. Verweerder was immers gehouden te beslissen op hun aanvragen. Niet is aannemelijk gemaakt dat verweerder bij het nemen van de besluiten van 26 juni 2006 een ander doel heeft nagestreefd dan het doel waarvoor hem die bevoegdheid is verleend.

Ook deze beroepsgrond faalt.

Ten aanzien van het beroep van eiseressen 1, 2 en 3 (tezamen: eiseressen)

6. Eiseressen hebben allereerst aangevoerd dat zij bij terugkeer vervolging te vrezen hebben vanwege hun vrouw-zijn. De rechtbank begrijpt dit standpunt aldus dat eiseressen betogen dat ten aanzien van vrouwen in Afghanistan sprake is van prima facie vluchtelingschap. Verweerder heeft onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over Afghanistan van februari 2006 overwogen dat de situatie in Afghanistan voor vrouwen niet zodanig is dat vrouwen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Weliswaar is volgens verweerder de situatie in Afghanistan voor vrouwen verslechterd, maar dat is naar zijn oordeel onvoldoende om ten aanzien van deze groep tot prima facie vluchtelingschap te concluderen.

7. De rechtbank overweegt dat de veiligheidssituatie in Afghanistan in het algemeen slecht is te noemen. Zoals blijkt uit het voornoemde ambtsbericht en uit de door eiseressen in beroep aangehaalde passages uit rapporten van Human Rights Watch en de Afghan Independent Human Rights Commission, geldt dat ook voor vrouwen. Uit deze rapporten blijkt echter niet dat alle vrouwen in Afghanistan een zodanig ernstige vorm van bedreiging dan wel systematische discriminatie ondervinden dat ten aanzien van iedere Afghaanse vrouw dient te worden geconcludeerd dat sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

8. Eiseressen hebben voorts aangevoerd dat zij vanwege het communistisch verleden van hun ouders een reëel risico lopen om bij terugkeer slachtoffer te worden van een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Verweerder heeft in de bestreden besluiten gesteld dat eiseressen weliswaar hebben aangevoerd dat zij bij terugkeer mogelijk problemen zullen ondervinden als gevolg van het feit dat hun ouders in het verleden problemen hebben ondervonden, maar dat dit onvoldoende is voor de door eiseressen getrokken conclusie, nu eiseressen hebben gesteld noch aannemelijk gemaakt welke problemen dit zijn en waarom deze ook nu weer zouden ontstaan.

9. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eiseressen er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij vanwege de werkzaamheden van hun ouders voor de KhAD/WAD bij terugkeer in Afghanistan een reëel risico lopen te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. Uit het algemeen ambtsbericht omtrent de situatie in Afghanistan van februari 2006 volgt wel dat familieleden van leden van het Centraal Comité en van de provinciale comités risico lopen. De ouders van eiseressen behoren echter niet tot deze leden. Verder acht de rechtbank van belang dat het gestelde risico slechts op verwachtingen berust die eiseressen onvoldoende hebben geconcretiseerd. Ook naar aanleiding van het door verweerder ingenomen standpunt hebben eiseressen hun vermoedens op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. In het licht van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt dat in de werkzaamheden van hun ouders gegronde redenen zijn gelegen om aan te nemen dat zij bij uitzetting naar hun land van herkomst een reëel risico lopen te worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling.

10. Eiseres 1 heeft voorts gesteld dat zij als alleenstaande en ongehuwde moeder bij terugkeer in Afghanistan een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Zij heeft daartoe verwezen naar het ambtsbericht van februari 2006, waaruit blijkt dat alleenstaande (vrouwelijke) ouders met kleine kinderen zonder aanwezigheid van een kostwinner een verhoogd risico lopen het slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. Eiseres 1 meent dat aan het bestreden besluit ten aanzien van haar een motiveringsgebrek kleeft nu verweerder heeft nagelaten in te gaan op haar, om voornoemde redenen, bijzondere positie.

Deze beroepsgrond slaagt. Uit het bestreden besluit ten aanzien van eiseres 1 blijkt niet dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven van het feit dat eiseres 1 een alleenstaande en ongehuwde moeder met een klein kind is. Ter zitting is voorts gebleken dat eiseres 1 een tweede kind verwacht. Gezien de hiervoor aangehaalde passage uit het ambtsbericht loopt eiseres 1 door haar situatie een verhoogd risico het slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. Verweerder heeft bij de beoordeling van het beroep op artikel 3 van het EVRM hieraan derhalve niet zonder nadere motivering voorbij kunnen gaan. Het bestreden besluit ten aanzien van eiseres 1 is op dit punt dan ook onzorgvuldig voorbereid en ontbeert een draagkrachtige motivering.

11. Eiseressen hebben verder betoogd dat zij op jonge leeftijd naar Nederland zijn gekomen, hier te lande hun puberteit hebben doorgemaakt dan wel doormaken en zich hebben ontwikkeld tot jonge verwesterde vrouwen. Van hen kan niet worden verwacht dat zij terugkeren naar Afghanistan, waar zij gedwongen zullen zijn hun identiteit en levensstijl die zich hier te lande heeft ontwikkeld op te geven. Eiseressen menen om deze reden in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a dan wel b, van de Vw 2000. Subsidiair hebben eiseressen betoogd dat vanwege de bijzondere omstandigheden in hun geval, namelijk het feit dat de westerse levensstijl die zij nu hebben zich in hun puberteit heeft ontwikkeld, dient te worden afgeweken van het beleid, neergelegd in Wijzigingsbesluiten Vreemdelingencirculaire (WBV) 2004/60 en 2006/22, dat aan personen die een westerse levensstijl hebben aangenomen na hun vertrek uit Afghanistan op grond daarvan geen verblijfsvergunning wordt verleend.

12. Verweerder stelt dat het door eiseressen aangehaalde beleid niet op hen ziet. In het beleid is uitdrukkelijk bepaald dat geen vergunning zal worden verleend indien de betreffende persoon eerst na het vertrek uit Afghanistan een westerse levensstijl heeft aangenomen. Daarvan is in het geval van eiseressen sprake. Dit hangt weliswaar samen met hun leeftijd maar niet is gebleken dat zij al in Afghanistan die westerse levensstijl hadden ontwikkeld. Daar doet niet aan af dat zij inmiddels zowel qua uiterlijk als qua opvattingen zijn verwesterd. Voorts valt niet te zien dat eiseressen zich bij terugkeer niet aan de situatie in Afghanistan kunnen aanpassen. Eiseressen zijn het Dari nog machtig. Niet is onderbouwd waarom eiseressen in afwijking van de beleidsregel wel een vergunning zou moeten worden verleend.

13. Volgens de WBV's 2004/60 en 2006/22 kan, wanneer een individuele asielzoekster aannemelijk maakt dat zij vanwege haar levensstijl zwaarwegende problemen heeft ondervonden in Afghanistan en deze problemen (mede) aanleiding zijn geweest voor het vertrek, dit voldoende zijn om een verblijfvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000 te verlenen. Het aannemen van een andere levensstijl na het vertrek uit het land van herkomst zal in de regel niet leiden tot verblijfsaanvaarding, aangezien het feit dat betrokkene in Nederland gebruik heeft gemaakt van mogelijkheden en rechten van de Nederlandse samenleving niet betekent dat zij zich bij terugkeer niet wederom zal kunnen accommoderen.

14. Verweerder heeft bij het vaststellen van zijn beleid een onderscheid gemaakt tussen vrouwen die in Afghanistan al een andere dan de aldaar heersende levensstijl hadden aangenomen en vrouwen die eerst in Nederland een westerse levensstijl hebben aangenomen. De eerste groep vrouwen kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning wanneer aannemelijk is dat zij vanwege hun levensstijl zwaarwegende problemen hebben ondervonden. Van de tweede groep vrouwen wordt verwacht dat zij zich bij terugkeer weer aanpassen aan de in Afghanistan geldende sociale zeden. De rechtbank leidt hieruit af dat het relevante onderscheid tussen beide groepen volgens verweerder is dat deze laatste groep vrouwen zich voor het vertrek uit het land wist te conformeren aan de heersende levensstijl en dat daarom van deze vrouwen bij terugkeer kan worden verlangd, ook al zijn zij gedurende hun verblijf in Nederland verwesterd, dat zij zich wederom aanpassen.

De rechtbank stelt vast dat eiseressen onder geen van deze twee groepen vrouwen kunnen worden geschaard. Eiseressen zijn op jonge leeftijd, variërend in de leeftijd van 6 jaar tot 12 jaar, naar Nederland gekomen. Niet gezegd kan worden dat zij op dat moment al zelfstandig en/of bewust een bepaalde levensstijl hadden aangenomen. Vastgesteld wordt dat verweerder bij de vaststelling van zijn beleid voor Afghaanse vrouwen deze groep vrouwen buiten beschouwing heeft gelaten: de groep van meisjes en jonge vrouwen die hier te lande opgroeien, gebruik maken van de mogelijkheden en rechten van de Nederlandse samenleving en een daarbij behorende westerse levensstijl ontwikkelen. Anders dan voor de vrouwen die in Nederland een westerse levensstijl hebben aangenomen, geldt voor deze groep niet dat zij daarin een keuze hebben gehad of een andere levensstijl hebben afgelegd. Evenmin kan daardoor worden gezegd dat zij bij terugkeer de mogelijkheid hebben hun vroegere levensstijl aan te nemen.

Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder zich hiervan bij de vaststelling van zijn beleid voor Afghaanse vrouwen die een westerse levensstijl hebben aangenomen rekenschap moeten geven. Nu verweerder dit heeft nagelaten, acht de rechtbank het beleid onredelijk voor zover daarbij niet specifiek is ingegaan op de situatie van meisjes en jonge vrouwen die hier te lande opgroeien. Gelet hierop is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat geen grond bestaat eiseressen vanwege hun westerse levensstijl een verblijfsvergunning te verlenen onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd.

15. Uit al het voorgaande volgt dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Derhalve zullen de beroepen gegrond worden verklaard, de bestreden besluiten worden vernietigd en zal bepaald worden dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd, kan thans onbesproken blijven.

16. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseressen in verband met de behandeling van de beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

Ten aanzien van het beroep van eiser

17. Eiser heeft, net als eiseressen, aangevoerd dat hij vanwege het communistisch verleden van zijn ouders een reëel risico loopt om bij terugkeer slachtoffer te worden van een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat eiser weliswaar heeft aangevoerd dat hij bij terugkeer mogelijk problemen zal ondervinden als gevolg van het feit dat zijn ouders in het verleden problemen hebben ondervonden, maar dat dit onvoldoende is voor de door eiser getrokken conclusie, nu eiser niet heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt welke problemen dit daadwerkelijk zijn en waarom deze ook nu weer zouden ontstaan.

18.Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij vanwege de werkzaamheden van zijn ouders voor de KhAD/WAD bij terugkeer in Afghanistan een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. Ter motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 9 is overwogen.

19. Eiser heeft voorts een beroep gedaan op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en gesteld dat vanwege het langdurig verblijf in Nederland, het feit dat hij zijn puberteit in Nederland heeft doorgemaakt en er alles aan heeft gedaan om in de Nederlandse maatschappij te integreren, in redelijkheid niet van hem kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat deze omstandigheden geen aanleiding vormen om aan eiser een verblijfsvergunning op de gevraagde grond te verlenen.

20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid tot de beoordeling kunnen komen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen verband houden met de reden van vertrek uit het land van herkomst. Dat betekent dat niet is voldaan aan de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 genoemde voorwaarde dat de gebeurtenissen aanleiding moeten zijn geweest voor het vertrek van de asielzoeker uit het land van herkomst, zodat verweerder terecht heeft geweigerd op deze grond een verblijfsvergunning te verlenen.

21. Eiser heeft ten slotte gesteld dat het bestreden besluit een schending van het recht op eerbiediging van zijn privéleven betekent, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, aangezien hij als verwesterde man bij terugkeer in Afghanistan zal worden gedwongen zich naar de aldaar geldende normen en waarden te gedragen, hetgeen streng religieuze normen zijn, die hij niet deelt.

Verweerder heeft gesteld dat dit beroep niet kan worden meegenomen in de beoordeling van eisers asielaanvraag. In het verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt aldus aangevuld dat de in dit kader aangevoerde omstandigheden zien op de verwestering van eiser waarvan reeds is opgemerkt dat die op zichzelf niet leidt tot verblijfsaanvaarding.

22. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van Mens volgt dat het recht op eerbiediging van het privéleven ook omvat een recht op autonomie over het eigen leven en de invulling daarvan (bijvoorbeeld de uitspraak Bensaid vs UK van 6 februari 2001 (app. 44599/98), JV 2001, 103, paragraaf 47 en Pretty vs UK van 29 april 2002 (app. 2346/02), EHRC 2002, 47, paragrafen 61-67). Dit betreft evenwel geen absoluut recht. Uit die jurisprudentie volgt niet dat de eerbiediging van dit recht verdragsstaten verplicht om personen die een westerse levensstijl hebben aangenomen, te garanderen dat zij deze levenswijze kunnen voortzetten bij terugkeer naar hun land van nationaliteit en herkomst, en indien dit niet mogelijk is, hun verblijf op hun territoir toe te staan. Aan een belangenafweging omtrent de vraag of een inbreuk op dit recht gerechtvaardigd is, komt de rechtbank dan ook niet toe. Het in de beschikking neergelegde standpunt hieromtrent is, hoewel vatbaar voor een betere omschrijving, niet onjuist of onbegrijpelijk. Er kleeft op dit punt geen motiveringsgebrek aan het bestreden besluit.

23. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

24. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

25. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart de beroepen van eiseressen gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten ten aanzien van eiseressen;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. verklaart het beroep ten aanzien van eiser ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 24 augustus 2007 door mr. O.L.H.W.I. Korte, voorzitter, mrs. H.J. Fehmers en W.J. van Bennekom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Kolk, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: MK

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.