Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB3537

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-08-2007
Datum publicatie
18-09-2007
Zaaknummer
AWB 06/34765, 06/34766, 06/50823
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / 1(F) Vluchtelingenverdrag / 3 EVRM / terugkomen op eerder ingenomen standpunt / ne bis in idem

In eerdere besluiten is aan man en vrouw, beiden officier van de Afghaanse veiligheidsdiensten onder het communistische regiem, artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag tegengeworpen. In verband daarmee heeft verweerder niet uitgesloten geacht dat zij het risico liepen op een onmenselijke behandeling of bestraffing, en besloten hen niet uit te zetten. Op een tweede aanvraag werpt verweerder opnieuw artikel 1(F) tegen, maar neemt het 3 EVRM-risico nu niet aan en wil eisers uitzetten.

De beslissingen na beroepen tegen het niet tijdig beslissen zijn niet genomen met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is gegeven. Dat volgt ook niet daaruit dat het (later gewijzigde) besluit van de man de motivering bevat die betrekking heeft op de vrouw.

De brieven van het Openbaar Ministerie, de getuigenverklaringen en de overgelegde rapporten zijn geen nova. Geen herhaalde rechterlijke beoordeling van de tegenwerping 1(F). Het besluit bevat nu wel een op de persoon gerichte beoordeling van het 3 EVRM-risico en die leidt bovendien tot een andere conclusie, namelijk dat eisers wel kunnen worden uitgezet naar Afghanistan. Ne bis in idem is niet van toepassing op de vraag of eisers kunnen worden uitgezet.

Eisers beroepsgrond dat niet afdoende gemotiveerd is waarom verweerder nu tot een andere beoordeling komt, slaagt na de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2007 (JV 2007, 240).

Verweerder heeft zich ten aanzien van eiseres onvoldoende rekenschap gegeven van het feit dat maar weinig vrouwen officier waren in de Khad/Wad, dat eiseres onder meer bekend was door de media, dat zij nadien bekeerd is tot het Christendom en daarvan voor de Afghaanse radio met naam bekendheid heeft gegeven.

Beroepen gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.107
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/490
JNVR 2007/190

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 06/34765, AWB 06/34766 en AWB 06/50823

V.nr.: 121.901.1806 en 120.900.7865

inzake:

[Eiser], geboren op [geboortedatum] 1961, eiser,

en [eiseres], geboren op [geboortedatum] 1965, eiseres,

beiden van Afghaanse nationaliteit, wonende te IJmuiden, tezamen: eisers,

gemachtigde: mr. A.M. van Eik, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. Ch.R. Vink, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 10 oktober 2004 respectievelijk 13 mei 2005 hebben eisers een (herhaalde) aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

2. Bij uitspraken van 3 februari 2006 en 9 mei 2006 heeft de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvragen gegrond verklaard en is verweerder opgedragen binnen zes weken respectievelijk vier weken een besluit te nemen, waarbij in laatstgenoemde uitspraak tevens aan verweerder een dwangsom is opgelegd.

3. Op 19 mei 2006 heeft verweerder aan eisers schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvragen af te wijzen. Bij brieven van 16 juni 2006 hebben eisers hun zienswijzen op deze voornemens naar voren gebracht. Bij afzonderlijke besluiten van 23 juni 2006 heeft verweerder de aanvragen afgewezen.

4. Bij beroepschriften van 18 juli 2006 hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van de beroepen zijn ingediend bij brieven van 15 augustus 2006, 29 en 30 augustus 2006, 28 en 29 september 2006. Op 18 september 2006 zijn de op de zaken betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen.

5. Bij brief van 3 oktober 2006 heeft verweerder een besluit toegezonden dat, in tegenstelling tot het besluit van 23 juni 2006, inhoudelijk betrekking heeft op eiser. Tegen dit besluit heeft eiser op 17 oktober 2006 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 06/50823. In dit beroep heeft de gemachtigde van eiser op 17 november 2006 de gronden aangevuld.

6. Bij brieven van 2 en 22 november 2006 en 28 februari 2007 hebben eisers hun standpunt nader onderbouwd. In het verweerschrift van 13 maart 2007 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2007. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was G. de Vries, tolk Dari, ter zitting aanwezig.

8. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. Op 16 september 1999 heeft eiseres, mede ten behoeve van haar vier minderjarige kinderen, een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Op 26 januari 2000 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Deze aanvragen zijn bij besluiten van 10 respectievelijk 20 maart 2003 afgewezen. De door eisers hiertegen ingestelde beroepen zijn bij uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juli 2003 niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet (tijdig) indienen van gronden. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 januari 2004 is het verzet van eiseres ongegrond verklaard. Het door eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 december 2004 ongegrond verklaard.

2. Op 19 april 2006 heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) op verzoek van verweerder adviezen uitgebracht ten aanzien van eiser en eiseres.

3. Op 10 oktober 2004 hebben de kinderen van eisers een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De beroepen tegen de afwijzing van hun aanvragen zijn eveneens behandeld ter zitting van 23 maart 2007. In die zaken wordt heden uitspraak gedaan onder nummers AWB 06/34767, AWB 06/34768, AWB 06/34769 en AWB 06/34773.

III. OVERWEGINGEN

1.Verweerder heeft door toezending op 3 oktober 2006 van een besluit dat niet alleen in adressering maar ook inhoudelijk betrekking heeft op eiser, met toepassing van artikel 6:18 van de Awb het besluit van 23 juni 2006 dat eisers naam droeg, ingetrokken en daarvoor in de plaats een nieuw besluit genomen, namelijk hetgeen is toegezonden. Eisers eerste beroep werd ingevolge artikel 6:19, eerste lid van de Awb geacht mede tegen dit nieuwe besluit gericht te zijn. Eiser heeft vervolgens evenwel een nieuw beroep ingediend en daarin inhoudelijke gronden aangevoerd. Bij die stand van zaken heeft hij geen belang meer bij het op 18 juli 2006 ingediende beroep. Dat zal niet ontvankelijk worden verklaard.

2. De rechtbank zal allereerst - ambtshalve - de omvang van de door haar te verrichten beoordeling dienen te bepalen.

Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen, onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

3. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 4 april 2003, AB 2003, 315), moet de rechter, gelet op het algemene rechtsbeginsel volgens hetwelk niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak (ne bis in idem), dat voor de bestuursrechtspraak in vreemdelingenzaken nadere invulling vindt in artikel 8:1 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 69 van de Vw 2000, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in geval van een afwijzend besluit op een aanvraag in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb direct treden in de vraag of aan die aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

4. Bij besluiten van 10 respectievelijk 20 maart 2003 zijn de aanvragen van eisers om verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen onder verwijzing naar artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. In dezelfde besluiten is bepaald dat, aangezien niet valt uit te sluiten dat eisers bij terugkeer naar hun land van herkomst een reëel risico lopen het slachtoffer te worden van een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zij niet zullen worden uitgezet naar hun land van herkomst. Deze besluiten zijn rechtens onaantastbaar geworden.

5. De onderhavige aanvragen hebben eveneens betrekking op het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel en zijn derhalve herhaalde aanvragen, waarvoor, gelet op voornoemd toetsingskader, in beginsel geldt dat de rechter, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling, direct moet treden in de vraag of aan deze aanvragen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

6. De rechtbank constateert dat verweerder in de besluiten van 10 en 20 maart 2003, zoals hiervoor aangehaald, te kennen heeft gegeven geen gevolg te zullen geven aan de rechtsgevolgen die op de voet van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 uit de afwijzing van de aanvragen voortvloeien. In de thans bestreden besluiten heeft verweerder daarentegen geconcludeerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat eisers bij terugkeer naar hun land van herkomst een reëel risico lopen het slachtoffer te worden van een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, en daaraan het rechtsgevolg verbonden dat eisers kunnen worden uitgezet naar het land van herkomst. De situatie die was ontstaan als gevolg van de besluiten van 10 en 20 maart 2003, te weten dat het verblijf van eisers hier te lande werd gedoogd, is daarmee feitelijk beëindigd.

7. De rechtbank stelt vast dat dit verschil in rechtsgevolg voortkomt uit het verschil in de wijze waarop het beroep op artikel 3 van het EVRM in de besluiten uit 2003 respectievelijk thans is beoordeeld. In de besluiten uit 2003 heeft verweerder aan de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag de rechtstreekse gevolgtrekking verbonden dat niet valt uit te sluiten dat eisers bij terugkeer naar hun land van herkomst een reëel risico lopen het slachtoffer te worden van een schending van artikel 3 van het EVRM en bepaald dat zij om die reden niet zullen worden uitgezet. Een op de persoon van eisers betrekking hebbende beoordeling van dit risico heeft destijds niet plaatsgevonden, terwijl in de thans bestreden besluiten wel sprake is van een dergelijke beoordeling. Het feit dat thans wel een op de persoon van eisers betrekking hebbende beoordeling van genoemd risico is verricht en het feit dat verweerder zich, anders dan eerder werd beslist, thans op het standpunt stelt dat zich ten aanzien van eisers geen reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM voordoet, betekent dat eisers' gronden die zich tegen deze beoordeling richten, in de onderhavige beroepsprocedures voor het eerst door de rechter kunnen worden onderzocht. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit dat geen sprake is van eenzelfde geschil dat ten tweede male aan de rechter wordt voorgelegd. De conclusie moet dan ook zijn dat de beoordeling van het beroep van eisers, voor zover dit betrekking heeft op artikel 3 van het EVRM, niet wordt bepaald door eerdergenoemde ne bis in idem regel.

8. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of hetgeen hiervoor is overwogen gevolgen heeft voor de beoordeling van het beroep voor zover daarin de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (wederom) is bestreden. In dat kader wordt vastgesteld dat de besluiten van 10 en 20 maart 2003, waarbij aan eisers het bepaalde in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, en op grond waarvan de aanvragen van een asielvergunning zijn afgewezen, in rechte onaantastbaar zijn geworden. De onderhavige aanvragen zijn gericht op verkrijging van dezelfde vergunning. Aan de afwijzing daarvan ligt primair eveneens ten grondslag dat genoemd artikel 1(F) aan eisers wordt tegengeworpen. In zoverre betreft het beroep een materieel vergelijkbaar besluit, hetgeen in de weg staat aan een rechterlijke toetsing daarvan, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel indien zich een relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

De rechtbank ziet in de omstandigheid dat het beroep op artikel 3 van het EVRM, zoals eerder overwogen, in het onderhavige geval niet wordt bepaald door eerdergenoemde ne bis in idem regel, geen aanleiding van deze regel af te wijken voor zover het beroep ziet op het tegenwerpen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Daartoe wordt overwogen dat niet is gesteld of gebleken dat er een formele of materiële binding tussen beide onderdelen van de bestreden besluiten bestaat.

9. Ten aanzien van de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zal de rechtbank derhalve direct treden in de vraag of eisers aan de aanvragen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag hebben gelegd.

10. Aan de onderhavige aanvragen, voor zover deze zien op de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, hebben eisers brieven van het Openbaar Ministerie (OM) van 1 december 2003 en 27 april 2004 ten grondslag gelegd. In deze brieven is meegedeeld dat geen strafvervolging van eisers zal worden aangevangen. Bij brieven van 8 maart 2005 heeft het OM desgevraagd aan de gemachtigde van eisers verklaard dat de dossiers van eisers onvoldoende aanwijzingen opleveren om hen als verdachte aan te kunnen merken en een opsporingsonderzoek te rechtvaardigen.

11. Ingevolge inmiddels vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraken van 27 juni 2005, JV 2005/375 en 18 september 2006, 200603500/1, niet gepubliceerd) wordt de vraag of de ten aanzien van een vreemdeling bekende feiten en omstandigheden, en de door hem afgelegde verklaringen (hierna kort aangeduid als: zijn dossier) voldoende aanknopingspunten bevat om de desbetreffende vreemdeling in strafrechtelijke zin als verdachte aan te merken, niet beantwoord aan de hand van dezelfde criteria als de vraag of de inhoud van dat dossier, bezien in samenhang met hetgeen overigens bekend is over het land van herkomst, de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van “personal and knowing participation”, als bedoeld in paragraaf C1/5.13.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Hier komt bij dat het OM niet ten aanzien van alle in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag genoemde misdrijven rechtsmacht heeft en voorts dat om doelmatigheidsredenen van vervolging kan worden afgezien. Of aan de vreemdeling artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag moet worden tegengeworpen, dient verweerder zelfstandig te beoordelen. Een enkele, niet nader toegelichte verklaring van het OM dat geen strafvervolging tegen de desbetreffende vreemdeling wordt ingesteld, kan als regel derhalve niet als een relevant nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.

12. Gelet hierop kunnen de overgelegde brieven van het OM van 1 december 2003 en 27 april 2004, die weliswaar dateren van na de eerdere besluiten, maar die geen motivering bevatten van het besluit om niet tot vervolging over te gaan niet als novum in de zin artikel 4:6, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.

13. De vraag of de aanvullende brieven van het OM van 8 maart 2005, waarin wordt opgemerkt dat uit het door verweerder aan het openbaar ministerie overgelegde dossier niet blijkt van een verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, nova zijn in de zojuist genoemde zin, en dus in dit geding in zoverre een rechterlijke beoordeling van de gehandhaafde tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag mogelijk maken, beantwoordt de rechtbank ontkennend, nu ook deze brieven geen aanknopingspunten bevatten die relevant zijn voor de vraag of sprake is van “personal and knowing participation” als bedoeld in paragraaf C1/5.13.3.3 van de Vc 2000, en dus niet afdoen kunnen doen aan de eerdere besluiten.

14. In beroep hebben eisers nog verschillende getuigenverklaringen overgelegd, eveneens ter onderbouwing van de stelling dat zij zich niet schuldig hebben gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Ten aanzien van eiseres is in dit verband in beroep tevens een rapport van dr. Mostafa Danesch (hierna: Danesch) overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kon redelijkerwijs van eisers worden verwacht deze stukken reeds in de bestuurlijke fase over te leggen, aangezien de reden van het doen van onderhavige aanvragen samenvalt met de stelling ter onderbouwing waarvan voornoemde stukken zijn ingebracht, en voor hen derhalve van meet af aan duidelijk moet zijn geweest dat zij deze stelling dienden te staven. Voorts hebben eisers, ook desgevraagd, geen verklaring gegeven voor het feit dat zij deze stukken eerst in beroep hebben overgelegd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eisers voornoemde stukken eerder over hadden moeten leggen. Zij zal de stukken dan ook niet bij de beoordeling betrekken.

15. Dit leidt tot de conclusie dat eisers geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, als bedoeld in het eerste lid van artikel 4:6 van de Awb, hebben gesteld die kunnen afdoen aan de eerdere besluiten, voor zover daarbij toepassing is gegeven aan artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

16. De rechtbank komt nu toe aan toetsing van de besluiten, voor zover daarin, in afwijking van de besluiten van 10 en 20 maart 2003, is beslist dat eisers wel naar hun land van herkomst mogen worden uitgezet.

17. Eisers hebben in dit verband allereerst aangevoerd dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming en een motiveringsgebrek, nu in de bestreden besluiten niet dan wel onvoldoende is ingegaan op hetgeen eisers in hun zienswijzen hebben aangevoerd.

In de zienswijzen hebben eisers betoogd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door hen de rapporten van het BMA niet gelijktijdig met de voornemens te doen toekomen. De rechtbank stelt vast dat de rapporten van het BMA niet op 19 mei 2006 aan eisers zijn verzonden, tegelijk met de toezending van de voornemens die ten aanzien van hen zijn uitgebracht, maar op 22 mei 2006, gelijktijdig met de voornemens die ten aanzien van hun kinderen zijn uitgebracht. Gezien het feit dat eisers binnen drie dagen alsnog de beschikking hebben gekregen over de rapporten van het BMA, en nu gesteld noch gebleken is dat zij door deze gang van zaken op enigerlei wijze in hun belangen zijn geschaad, ziet de rechtbank geen aanleiding de klacht van eisers te honoreren.

De stelling van eisers dat de voornemens in strijd met artikel 3.115, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) vermelden dat de zienswijze binnen vier weken moet zijn gefaxt, waardoor hen de mogelijkheid is ontnomen hun zienswijze per post te verzenden, mist - wat er overigens van deze stelling zij - feitelijke grondslag nu onder punt 4 ‘indiening zienswijze’ niet wordt voorgeschreven op welke wijze de zienswijze moet worden ingediend. Dat verweerder eisers in de begeleidende brief in de gelegenheid heeft gesteld binnen vier weken hun zienswijze op het voornemen per fax naar voren te brengen, maakt dat niet anders. Ten overvloede wordt overwogen dat is gesteld noch gebleken dat eisers door de gestelde handelwijze van verweerder in hun belangen zijn geschaad.

De - algemeen geformuleerde - beroepsgrond ten slotte dat in de bestreden besluiten onvoldoende is ingegaan op de afzonderlijke zienswijzen, kan, gezien de omvang van die zienswijzen en het ontbreken van een nadere toelichting, evenmin slagen.

Deze beroepsgrond faalt derhalve.

18. Eisers hebben voorts betoogd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. Eisers menen dat verweerder de bevoegdheid om te beslissen slechts heeft aangewend om de opgelegde dwangsom te stuiten.

De rechtbank volgt eisers hierin niet. Verweerder was immers gehouden te beslissen op hun aanvragen. Niet is aannemelijk gemaakt dat verweerder bij het nemen van de besluiten van 23 juni 2006 een ander doel heeft nagestreefd dan het doel waarvoor hem die bevoegdheid is verleend.

De enkele omstandigheid dat het in eisers zaak op 23 juni 2006 genomen besluit gedeeltelijk voorzien was van een motivering die betrekking had op eiseres, is onvoldoende voor de conclusie dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.

Ook deze beroepsgrond faalt.

19. Eisers hebben vervolgens een beroep gedaan op artikel 3 van het EVRM.

Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vb 2000 wordt aan de vreemdeling, indien artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag in de weg staat aan verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, evenmin een verblijfsvergunning asiel verleend op één van de andere gronden van dat artikel. Het is vaste rechtspraak dat verweerder, ook indien hij aan een vreemdeling artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegenwerpt, dient te onderzoeken of artikel 3 van het EVRM zich duurzaam tegen diens uitzetting naar het land van herkomst of elders verzet. In de gevallen waarin de vreemdeling niet kan worden uitgezet en voorts sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie waarin de vreemdeling zich bevindt, kan het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel zijn.

20. In geschil is de vraag of artikel 3 van het EVRM aan de uitzetting van eisers naar Afghanistan in de weg staat, en zo ja, welke consequenties verweerder aan die omstandigheid in het onderhavige geval dient te verbinden. De rechtbank stelt voorop dat de eerste hiervoor omschreven vraag aan de hand van dezelfde criteria en bewijsregels moet worden beoordeeld, als wanneer het de vraag betreft of een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan worden verleend.

21. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ten aanzien van het beroep van eiser

22. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit - voor zover thans van belang - op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat juist hij bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Dat er thans een andere beslissing is genomen dan de beslissing van 10 maart 2003 vindt zijn oorzaak in het feit dat in de onderhavige procedure een nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar de omstandigheden van mogelijke terugkeer. Op basis van de daaruit naar voren gekomen feiten en omstandigheden is tot een andere conclusie gekomen, te weten dat eiser niet heeft kunnen aantonen dat hij onder de huidige omstandigheden (nog steeds) specifiek in de negatieve belangstelling staat van de Mujaheddin.

Ten aanzien van eisers beroep op zijn medische situatie heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat door het BMA weliswaar is geconstateerd dat er sprake zal zijn van een medische noodsituatie indien behandeling uitblijft, maar dat van een levensbedreigende situatie thans geen sprake is. De medische omstandigheden van eiser zijn dan ook niet zo uitzonderlijk dat in zijn geval terugkeer naar het land van herkomst een schending van artikel 3 van het EVRM betekent.

23. Eiser heeft in dit verband allereerst aangevoerd dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom, bij het ontbreken van gewijzigde omstandigheden, thans wordt geconcludeerd dat eiser bij terugkeer niet langer een reëel risico loopt te worden onderworpen aan in door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling.

In het besluit van 10 maart 2003 is bepaald dat, aangezien niet valt uit te sluiten dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, hij niet zal worden uitgezet naar zijn land van herkomst. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 11 april 2007 (JV 2007, 240) volgt uit dit standpunt dat verweerder toen aannemelijk heeft geacht dat eiser bij terugkeer naar zijn land een reëel risico zou lopen te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. In dat geval kan verweerder zich, aldus de Afdeling, in een later besluit niet op het standpunt stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van hem persoonlijk bij terugkeer naar zijn land sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM zonder te vermelden in welk opzicht hij is teruggekomen van zijn eerdere standpunt dat wel sprake was van een zodanige situatie en of, zo ja, in hoeverre, gewijzigde omstandigheden een rol hebben gespeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank ontbeert het thans bestreden besluit een motivering als in de Afdelingsuitspraak bedoeld. Verweerder heeft weliswaar, in reactie op de zienswijze, gesteld dat nader onderzoek heeft plaatsgevonden, maar niet aangegeven welke feiten en omstandigheden dat onderzoek heeft opgeleverd en waarom dat volgens verweerder een ander standpunt rechtvaardigt. Het bestreden besluit is op dit punt derhalve onvoldoende deugdelijk gemotiveerd en komt reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. Hetgeen overigens door partijen op dit punt is aangevoerd zal de rechtbank thans onbesproken laten.

Ten aanzien van het beroep van eiseres

24. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit - voor zover thans van belang - op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat juist zij bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Van belang is dat eiseres niet heeft onderbouwd dat er daadwerkelijk concrete redenen zijn, gelegen in haar persoon betreffende feiten en omstandigheden, die een dergelijke conclusie rechtvaardigen. Het enkele feit dat eiseres als voormalige medewerker bij de Afghaanse veiligheidsdienst KhaD/WAD tot een risicogroep behoort, is in dit verband onvoldoende. Of sprake is van een reëel risico hangt juist af van de individuele omstandigheden. Dat eiseres naar gesteld is bekeerd tot het christendom maakt het voorgaande niet anders, nu zij bij haar vertrek uit het land van herkomst nog niet bekeerd was en zij aan haar bekering bij terugkeer geen ruchtbaarheid hoeft te geven. De stelling van eiseres dat zij haar levensverhaal zou hebben verteld in een uitzending van een Afghaans christelijk radiostation en dat zij daardoor bij de bevolking en de autoriteiten wellicht bekend staat als bekeerlinge, wordt niet zonder meer gevolgd nu niet is gebleken dat eiseres in verband daarmee dreigementen heeft ontvangen.

25. Eiseres heeft hiertegen - voor zover van belang - aangevoerd dat de bewijslast aannemelijk te maken dat juist zij bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, ten onrechte geheel bij haar is gelegd. Eiseres heeft deze stelling immers door verwijzing naar de onderliggende stukken van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000, in samenhang met het ambtsbericht van februari 2006, aannemelijk gemaakt en daarmee voldaan aan de ingevolge artikel 4:2 van de Awb op haar rustende bewijslast. Het is derhalve aan verweerder om aannemelijk te maken dat eiseres het gestelde risico bij terugkeer niet zal lopen.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat zij vanwege haar communistische verleden een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiseres is vanaf 1986 lid geweest van de Democratische Volkspartij van Afghanistan (DVPA) en zij heeft voor de Raad van Vrouwen gewerkt die onder de Afghaanse veiligheidsdienst viel. Zij heeft in deze hoedanigheid en door haar werkzaamheden veel contact gehad met de gewone bevolking. Eiseres loopt tevens risico vanwege haar bekering tot het Christendom.

26. Ter zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom, bij het ontbreken van gewijzigde omstandigheden, thans wordt geconcludeerd dat zij bij terugkeer niet langer een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. De rechtbank stelt vast dat eiseres deze beroepsgrond eerst ter zitting heeft voorgedragen en dat niet uit de door haar ingediende zienswijze of anderszins valt af te leiden dat zij reeds eerder op deze grond is opgekomen tegen het besluit. Niet valt in te zien dat eiseres, anders dan eiser, niet in staat is geweest deze grond eerder aan te voeren. Eiseres heeft daar ter zitting ook geen concrete redenen voor aangevoerd. Gelet hierop, en rekening houdend met de verschillen in gronden van beroep tussen eiser en eiseres, zal de rechtbank deze beroepsgrond wegens strijd met de goede procesorde niet bij de beoordeling van het beroep betrekken.

27. Uit het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van februari 2006 inzake Afghanistan, dat verweerder blijkens het bestreden besluit bij de beoordeling heeft betrokken, blijkt dat sommige voormalige militaire functionarissen, leden van de politie en de veiligheidsdiensten KhAD/WAD mogelijk risico lopen slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen, indien zij geen banden onderhouden met de huidige invloedrijke islamitische en politieke partijen of stammen. Zij lopen niet alleen risico van de zijde van de autoriteiten (met uitzondering van de regering), maar meer zelfs van de zijde van de bevolking (familie van slachtoffers) aangezien zij worden geïdentificeerd met de mensenrechtenschendingen gedurende het communistische regime.

28. Op grond hiervan kan niet de conclusie worden getrokken dat alle personen die banden hebben met het voormalige communistische regime in het huidige Afghanistan een reëel risico lopen te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. De mate waarin iemand risico loopt hangt volgens voornoemd ambtsbericht af van verschillende factoren, waaronder de persoonlijke omstandigheden, de familieachtergrond, de rang of positie die iemand ten tijde van het communistische regime heeft bekleed en de mate waarin iemand geassocieerd wordt met de mensenrechtenschendingen tussen 1978 en 1992.

29. Voorts volgt uit het ambtsbericht - voor zover hier van belang - dat personen die een hoge rang of positie hebben bekleed binnen de DVPA mogelijk risico lopen. Zij lopen met name risico indien zij publieke bekendheid genoten. Tot deze groep behoren onder meer sommige leiders en andere hooggeplaatste personen van sociale organisaties zoals de Democratische Vrouwen Organisatie.

30. Eiseres heeft verwezen naar het memorandum van 21 januari 2000, behorend tot de onderliggende stukken van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000, waaruit blijkt dat de voormalige KhaD/WAD-functionarissen die naar West-Europa zijn uitgeweken deel hebben uitgemaakt van de ideologisch bevlogen tak van de KhaD/WAD dan wel binnen Afghanistan, vanwege hun hardvochtige optreden, veel vijanden hebben gemaakt. Als gevolg hiervan lopen zij bij terugkeer het risico van strafvervolging waarbij een eerlijk proces zal ontbreken.

De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiseres met betrekking tot de bewijslast aldus dat haar speciale profiel, bezien in het licht van de in rechtsoverweging 29 aangehaalde passage uit het ambtsbericht van februari 2006, reeds maakt dat eiseres een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De in het memorandum beschreven situatie zag op het risico dat ex-communisten in 2000 liepen het slachtoffer te worden van strafvervolging zonder eerlijk proces. De in het ambtsbericht van februari 2006 beschreven situatie ziet daarentegen op het risico dat ex-communisten lopen het slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen, die zij, zoals blijkt uit het ambtsbericht, te duchten kunnen hebben van de autoriteiten (met uitzondering van de regering) maar meer zelfs van familieleden van slachtoffers van de KhaD/WAD. De stukken waar eiseres haar standpunt op heeft gebaseerd, zien derhalve op niet vergelijkbare situaties. Eiseres heeft dan ook niet kunnen volstaan met het inroepen van het memorandum. Nu ook overigens niet is gebleken van redenen die er toe nopen om van het in de wet en overige regelgeving neergelegde stelsel af te wijken is het primair aan haar om aannemelijk te maken dat zij op grond van haar werkzaamheden voor de Afghaanse veiligheidsdienst een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

31. In beroep heeft eiseres, ter onderbouwing van haar standpunt dat zij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling, het eerdergenoemde rapport van Danesch overgelegd. Blijkens het meegezonden curriculum vitae heeft Danesch een ruime kennis over Afghanistan opgebouwd, onder meer door onderzoek over en reizen naar dat land, en wordt hij in Duitsland, waar hij woont en van welk land hij de nationaliteit bezit, als een deskundige op het gebied van Afghanistan beschouwd. Zijn deskundigheid op zichzelf is door verweerder niet betwist. Wel heeft verweerder in het verweerschrift gesteld dat het rapport niet afkomstig is uit een objectieve bron, nu het is gebaseerd op een eigen mening en de eigen conclusies van de betreffende persoon. De rechtbank volgt verweerder niet in deze stelling, nu het zelfstandig analyseren en beoordelen van informatie en het trekken van conclusies inherent is aan het zijn van deskundige, en daar zelfs de kern van vormt. Ter zitting heeft verweerder dit standpunt vervolgens nog aldus toegelicht dat Danesch zijn conclusies onvoldoende heeft verantwoord met verwijzingen naar openbare bronnen. Ook hierin volgt de rechtbank verweerder niet. Redengevend daartoe is dat het deel van het rapport dat ziet op de mogelijke risico’s die eiseres bij terugkeer zal lopen, een mede op openbare bronnen gebaseerde waardering inhoudt van de feiten en omstandigheden die de persoon van eiseres betreffen, welke feiten en omstandigheden door verweerder niet worden betwist.

32. Anders dan namens verweerder is betoogd, kon van eiseres niet worden verwacht dat zij dit rapport bij haar aanvraag had overgelegd, nu het haar pas op grond van het voornemen duidelijk kan zijn geworden dat zij in een nadeliger positie dreigde te komen dan met het doen van de aanvraag was beoogd. In haar zienswijze op het voornemen heeft eiseres feiten aangevoerd op grond waarvan zij stelt bij terugkeer een reëel risico te lopen op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, welke stelling zij in beroep heeft gestaafd door overlegging van het rapport van Danesch. Gelet hierop, en mede in aanmerking genomen het feit dat verweerder binnen vijf weken na het uitbrengen van het voornemen een besluit heeft genomen, is de rechtbank van oordeel dat niet van eiseres kon worden verlangd dat zij het rapport reeds in de bestuurlijke fase had overgelegd. De rechtbank zal het rapport in zoverre dan ook bij haar beoordeling betrekken. Dit is niet in tegenspraak met hetgeen hiervoor onder 14 is overwogen, omdat eiseres in het eerdere besluit artikel 1(F) Vluchtingenverdrag was tegengeworpen, en zij bij de onderhavige aanvraag met de herhaalde tegenwerping daarvan rekening moest houden.

33. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres gedurende elf jaar bij de Raad van Vrouwen heeft gewerkt, welke afdeling viel onder de Afghaanse veiligheidsdienst, en dat ze in die hoedanigheid af en toe op de lokale televisie kwam, onder meer wanneer ze kinderen in weeshuizen bezocht. Uit het rapport van Danesch blijkt voorts dat slechts één procent van de personen die werkzaam waren voor de Afghaanse veiligheidsdienst vrouwen waren, ongeveer 700 in totaal. Volgens Danesch genoot eiseres, als vrouwelijke medewerker van de Afghaanse veiligheidsdienst, reeds om die reden publieke bekendheid. Bovendien kwam eiseres, zoals overwogen, vanwege haar werkzaamheden af ten toe op de lokale televisie. Gelet op hetgeen in het ambtsbericht staat vermeld, zoals hiervoor aangehaald, kunnen deze elementen van belang zijn voor de bepaling van het risico dat een voormalige medewerker van de Afghaanse veiligheidsdienst loopt het slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven van deze elementen, die, in onderlinge samenhang bezien, ten aanzien van eiseres een speciaal profiel opleveren. Voorts heeft verweerder niet weersproken dat eiseres in een uitzending van een in Afghanistan te beluisteren christelijk radiostation haar levensverhaal, waaronder haar bekering, heeft verteld, onder vermelding van haar eigen naam. Ook dit element had in het licht van het speciale profiel van eiseres dienen te worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de beoordeling van het beroep op artikel 3 van het EVRM aan dit alles niet zonder nadere motivering voorbij kunnen gaan. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook onzorgvuldig voorbereid en ontbeert een draagkrachtige motivering.

Ten aanzien van beide beroepen

34. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Derhalve zullen de beroepen van eisers gegrond worden verklaard, de bestreden besluiten worden vernietigd en worden bepaald dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak. Hetgeen overigens door eisers in de beroepsgronden naar voren is gebracht, in het bijzonder ten aanzien van hun medische situatie, behoeft geen verdere bespreking. Verweerder zal bij de nieuw te nemen besluiten rekening dienen te houden met de dan actuele medische situatie van eisers, zoals die dan door eisers aannemelijk zal zijn gemaakt.

35. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van hun beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.288,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor elk beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting in elk van de zaken; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep van eiser onder nummer AWB 06/34765 niet ontvankelijk;

2. verklaart de overige beroepen gegrond;

3. vernietigt de bestreden besluiten;

4. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 1.288,-- (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 24 augustus 2007 door mr. O.L.H.W.I. Korte, voorzitter, mrs. H.J. Fehmers en W.J. van Bennekom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Kolk, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier,

De voorzitter,

Afschrift verzonden op:

Conc.: MK

Coll:

D: B

Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.