Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB3534

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
18-09-2007
Zaaknummer
AWB 07/21185, 07/21188
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / rechtsbijstand bij gehoor / niet horen vreemdelingen als getuigen vanwege uitzetting

Eisers hebben geklaagd dat de rechtshulp ten onrechte buiten de deur is gehouden bij het gehoor voor de inbewaringstelling. Processen-verbaal en verklaring horende verbalisant onder ede bij de rechtbank komen overeen wat betreft de mededeling van eisers dat zij geen rechtsbijstand bij het gehoor wensten. Hetgeen eisers hiertegen hebben ingebracht ter zitting van 29 mei 2007 is onvoldoende om genoemde informatie niet voor juist te houden. De rechtbank concludeert dat aan eisers is meegedeeld dat zij recht hebben op de aanwezigheid van een advocaat bij het gehoor en dat eisers ervan hebben afgezien van dit recht gebruik te maken; geen onrechtmatigheid derhalve.

De rechtbank heeft eisers niet als getuigen ter zitting van 6 juni 2007 kunnen horen aangezien verweerder hen op 5 juni 2007 heeft uitgezet. Als gevolg hiervan heeft de rechtbank de feiten niet zo grondig kunnen onderzoeken als in een tweetal andere bewaringszaken (AWB 07/21175 en AWB 07/21182, JV 2007, 361 waarin identiek is gegriefd. In die andere zaken zijn de vreemdelingen wel onder ede zijn gehoord. De rechtbank heeft onvoldoende aanwijzingen om te oordelen dat verweerder door eisers uit te zetten het onderzoek naar de rechtmatigheid van de bewaring heeft gepoogd te dwarsbomen. Verweerder heeft eisers uitgezet zodra dit mogelijk was. Nu de bewaring gericht is op uitzetting en deze zo kort mogelijk dient te duren, is de handelwijze van verweerder niet onjuist te achten. De rechtbank heeft weliswaar op 1 juni 2007 het onderzoek in de zaken heropend, maar de heropeningsbeslissing is op 5 juni 2007 aan partijen toegezonden, terwijl eisers op diezelfde dag zijn uitgezet. Niet valt daardoor uit te sluiten dat de beslissing van de rechtbank om eisers als getuigen te horen verweerder pas heeft bereikt op een moment dat de uitzetting van eisers al in gang was, of al plaats had gevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 07/21185 en AWB 07/21188

V-nr.: 271.529.9497 en 270.612.3698

inzake:

[Eiseres], geboren op [geboortedatum] 1970, eiseres, en [eiser], geboren op [geboortedatum] 1988, eiser, beiden van Oekraïense nationaliteit, beiden voorheen verblijvende in het Uitzetcentrum Zestienhoven te Rotterdam, hierna: eisers,

gemachtigde: mr. W.M. Blaauw, advocaat te Haarlem,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.L. van Riel, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Op 22 mei 2007 zijn eisers op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

2. Bij beroepschriften van 22 mei 2007 hebben eisers beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

3. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

4. De beroepen zijn, met toepassing van artikel 8:14, eerste lid, van de Awb, gevoegd behandeld ter openbare zitting van 29 mei 2007. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun vorige gemachtigde, mr. L.B. Vellenga-van Nieuwkerk. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M. Snoek-Gorclik als tolk in de Oekraïense taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

5. Bij beslissing van 1 juni 2007 heeft de rechtbank het onderzoek in de zaken heropend.

6. Op 5 juni 2007 zijn eisers uitgezet naar hun land van herkomst.

7. Ter zitting van 6 juni 2007 is verbalisant D. Koorn onder ede als getuige gehoord op grond van de artikelen 8:60 en 8:63 van de Awb. Ter zitting was aanwezig mr. W.M. Blaauw als opvolgend rechtshulpverlener van eisers. Eveneens ter zitting aanwezig was verweerder, in de persoon van voornoemde gemachtigde.

8. De rechtbank heeft op 6 juni 2007, direct nadat het getuigenverhoor had plaatsgevonden, aan partijen het proces-verbaal van het verhoor van de getuige doen toekomen, teneinde hen in de gelegenheid te stellen desgewenst nog een nadere schriftelijke reactie in te dienen.

9. Op 7 juni 2007 hebben eisers en verweerder deze nadere schriftelijke reactie naar aanleiding van het getuigenverhoor ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten nadat partijen toestemming hadden gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

II. OVERWEGINGEN

Standpunten partijen

1.1 Eisers hebben het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. De maatregelen van bewaring zijn onrechtmatig. In de gronden van beroep en ter zitting van de rechtbank van 29 mei 2007 is door de vorige gemachtigde van eisers de grief naar voren gebracht dat het er de schijn van heeft dat de rechtshulp buiten de deur is gehouden bij de inbewaringstelling van eisers. Het ging hier om een geplande en goed voorbereide actie van de Vreemdelingendienst (VD). De piketcentrale is evenwel over deze actie niet ingelicht. Als dat wel was gebeurd, had de vorige gemachtigde van eisers kunnen zorgen voor rechtshulp in de vroege ochtend. De gemachtigde heeft zich op de desbetreffende ochtend toen er piketmeldingen waren binnengekomen waarop aangekruist stond dat de betrokkenen rechtsbijstand wensten, direct gespoed naar het politiebureau. Toen zij daar arriveerde, waren eisers echter reeds gehoord en in bewaring gesteld. Volgens de processen-verbaal van gehoor voor de inbewaringstelling zouden eisers afstand hebben gedaan van hun recht op rechtsbijstand. Eisers ontkennen dit. Eisers hebben de gemachtigde verteld dat zij weliswaar gewezen zijn op de mogelijkheid van een advocaat, maar dat daarbij niet is vermeld dat dit geen kosten mee zou brengen. Wel werd er gezegd dat een advocaat niets zou kunnen doen, dat ze toch in bewaring zouden gaan en Nederland zouden worden uitgezet en dat het wachten op een advocaat de zaak nodeloos zou vertragen en zij daardoor langer zouden moeten zitten. Eisers hebben uit die opmerkingen begrepen dat de kosten die zij voor een advocaat moesten maken weggegooid geld zou zijn en zij daardoor bovendien nog langer vast zouden blijven zitten. Nadat zij dit hadden geconcludeerd, hebben zij gezegd dat zij in dat geval geen rechtsbijstand wilden. De gemachtigde meent dat eisers volstrekt verkeerd zijn voorgelicht over hun recht op gratis rechtsbijstand. Door de actie niet van tevoren te melden en het artikel 59-gehoor te laten plaatsvinden zonder te wachten op de aanwezigheid van de gemachtigde is er een ernstig gebrek ontstaan, waardoor opheffing van de maatregelen gerechtvaardigd was, aldus nog steeds eisers. Eisers verzoeken om toekenning van schadevergoeding vanaf het moment van hun inbewaringstelling.

1.2 In hun reactie van 7 juni 2007 hebben eisers voorts nog aangevoerd dat zij ten onrechte zijn uitgezet, voordat zij als getuigen door de rechtbank konden worden gehoord, terwijl er tegen hun geplande uitzetting bij verweerder bezwaar was ingediend en connex daaraan bij de rechtbank een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening was ingediend. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de rechtsgang actief heeft gefrustreerd, zodat er reeds hierom aanleiding is voor toekenning van schadevergoeding.

2. Verweerder heeft het volgende meegedeeld. De maatregelen van bewaring zijn rechtmatig opgelegd. Uit de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van het gehoor op grond van artikel 59 van de Vw 2000 (gedingstuk 4 in de zaak van eiseres; gedingstuk 5 in de zaak van eiser) blijkt voldoende duidelijk dat er geen sprake van is geweest dat verweerder bewust heeft gepoogd aan eisers rechtshulp te onthouden. Het is een vrije keuze van eisers geweest om geen advocaat bij hun artikel 59-gehoor aanwezig te laten zijn. De getuigenverklaring van de verbalisant die eisers heeft gehoord biedt geen enkel aanknopingspunt om te twijfelen aan het voorgaande. Voorts blijkt uit de wet noch uit het beleid dat verweerder gehouden is de piketcentrale te waarschuwen van een op handen zijnde (grootschalige) actie. Dat verweerder dit in het verleden wel eens heeft gedaan, betekent niet dat dit in het onderhavige geval ook had dienen te geschieden. Verweerder ziet geen aanleiding voor toekenning van schadevergoeding.

Regelgevend kader.

3.1 Op grond van artikel 5.2, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de vreemdeling, voordat hij op grond van artikel 59 van de Wet in bewaring wordt gesteld, gehoord.

Op grond van artikel 5.2, vijfde lid, van het Vb 2000 wordt aan de vreemdeling tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het gehoor te doen bijstaan door zijn raadsman.

3.2 Ingevolge hoofdstuk A6/5.3.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) wordt de vreemdeling in beginsel gehoord in het bijzijn van een advocaat. Van dit recht moet door de bevoegde ambtenaar aan de vreemdeling tijdig mededeling gedaan worden (zie artikel 5.2, vijfde lid, Vb). ‘Tijdig’ betekent in dit verband dat, als de vreemdeling rechtsbijstand bij het gehoor wil, de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen zich zodanig dient in te spannen dat die bijstand in redelijkheid gerealiseerd kan worden.

Ten aanzien van deze vorm van rechtsbijstand kunnen zich de volgende situaties voordoen:

a. de vreemdeling wenst geen advocaat bij het gehoor. Met het gehoor kan begonnen worden en de advocatenpiketdienst dient alsnog bij voorkeur per fax ingelicht te worden;

b. de vreemdeling wenst geen advocaat bij het gehoor, maar wel na het gehoor in de verdere procedure. Met het gehoor kan begonnen worden en de advocatenpiketdienst dient alsnog bij voorkeur per fax ingelicht te worden;

c. de vreemdeling wenst wel een advocaat bij het gehoor. Zo spoedig als mogelijk wordt de advocatenpiketdienst bij voorkeur per fax ingelicht. Indien binnen twee uur na de verzending van het bericht geen advocaat aanwezig is, kan met het gehoor begonnen worden. Geeft de advocatenpiketdienst of de dienstdoende advocaat aan dat hij (de advocaat) niet bij het gehoor aanwezig wil zijn, dan kan met het gehoor begonnen worden. Als de piketcentrale gesloten is, kan het gehoor na de inbewaringstelling plaatsvinden. In dat geval vangt de wachttijd van twee uur aan op het tijdstip van opening van de advocatenpiketcentrale;

d. De vreemdeling wenst zijn (met naam genoemde) advocaat bij het gehoor. Zo spoedig als mogelijk dient deze advocaat (ook `s nachts) eerst telefonisch en vervolgens per fax ingelicht te worden. Indien deze advocaat niet bij het gehoor aanwezig wil zijn of niet binnen twee uur na het verzonden bericht aanwezig is, kan met het gehoor begonnen worden.

Het gehoor van eisers in het kader van artikel 59 van de Vw 2000

4.1 Het proces-verbaal van het gehoor op grond van artikel 59 van de Vw 2000 van eiseres van 22 mei 2007 (gedingstuk 4 in de zaak AWB 07/21188) vermeldt onder meer het volgende:

“Ik begrijp waarover u mij wenst te horen. Ik begrijp dat er inmiddels via een fax een advocaat voor mij is geregeld. Ik vind het goed dat u mij nu alvast hoort zonder dat er een advocaat bij dit verhoor aanwezig is.”

4.2 Het proces-verbaal van het gehoor op grond van artikel 59 van de Vw 2000 van eiser van 22 mei 2007 (gedingstuk 5 in de zaak AWB 07/21185) vermeldt onder meer het volgende:

“Ik begrijp waarover u mij wilt spreken. Ik begrijp dat er een advocaat voor mij is geregeld. Ik vind het goed dat u mij nu hoort. Ik hoef geen advocaat aanwezig te hebben bij dit verhoor.”

Getuigenverklaring afgelegd onder ede ter zitting bij de rechtbank op 6 juni 2007

5. De verbalisant die eisers heeft gehoord voor de inbewaringstelling heeft ter zitting van de rechtbank op 6 juni 2007 onder ede het volgende verklaard. Verbalisant kan zich voorstellen waarom eiseres ter zitting van 29 mei 2007 heeft verklaard door twee vrouwen te zijn gehoord en niet door een man. Eiseres is namelijk bij het gehoor in het kader van de ophouding en bij een getuigenverhoor in het kader van een strafzaak diezelfde dag inderdaad door twee vrouwelijke collega’s van verbalisant gehoord. Verbalisant heeft eisers echter gehoord in het kader van het gehoor op grond van artikel 59 van de Vw 2000.

Verbalisant heeft eerst eiseres gehoord en vervolgens, in het bijzijn van eiseres, eiser. Verbalisant heeft meegedeeld wie hij is en waarover hij hen wil horen. Hij heeft eisers meegedeeld dat zij recht hebben op een advocaat bij het gehoor en de rechtsbijstand is in kennis gesteld. Eisers hebben, zonder aarzeling, aangegeven dat verbalisant een aanvang kon maken met het gehoor zonder de aanwezigheid van een advocaat. Eiseres heeft verbalisant niet concreet gevraagd wat een advocaat zou kunnen doen in de gegeven situatie. Verbalisant heeft niet gezegd dat een advocaat niets zou kunnen doen of dat het anderszins zinloos zou zijn om een advocaat bij het gehoor in te schakelen. Er is geen sprake van geweest dat de politie de rechtshulp moedwillig heeft weggehouden van eisers. Wel heeft verbalisant van een collega vernomen dat de vorige gemachtigde van eisers had gebeld met de mededeling dat gestopt moest worden met horen, maar daartoe heeft verbalisant geen aanleiding gezien, aangezien eisers zelf hadden aangegeven geen advocaat bij het gehoor te wensen.

Beoordeling van het geschil door de rechtbank

6. De rechtbank stelt allereerst vast dat de bewaring inmiddels is opgeheven. Thans moet worden beoordeeld of er gronden zijn om schadevergoeding toe te kennen.

7. De rechtbank stelt vast dat de beide processen-verbaal van het gehoor in het kader van artikel 59 van de Vw 2000 en de verklaring die de horende verbalisant onder ede bij de rechtbank heeft afgelegd op het hier relevante punt, te weten de mededeling van eisers dat zij geen rechtsbijstand bij het gehoor wensten, met elkaar overeenkomen. Nu het hier gaat om op ambtseed opgemaakte processen-verbaal en een getuigenverklaring afgelegd onder ede gaat de rechtbank in beginsel uit van de juistheid van deze informatie. Hetgeen eisers hiertegen hebben ingebracht ter zitting van 29 mei 2007, acht de rechtbank in dit geval van onvoldoende gewicht om genoemde informatie niet voor juist te houden.

De rechtbank concludeert op grond hiervan dat aan eisers is meegedeeld dat zij recht hebben op de aanwezigheid van een advocaat bij het gehoor en dat eisers ervan hebben afgezien van dit recht gebruik te maken.

8. De rechtbank stelt vast dat zij eisers niet als getuigen ter zitting van 6 juni 2007 heeft kunnen horen, aangezien verweerder hen op 5 juni 2007 heeft uitgezet naar Oekraïne. Als gevolg hiervan heeft de rechtbank de feiten in onderhavige zaak niet zo grondig kunnen onderzoeken als in een tweetal andere, Oekraïense bewaringszaken (AWB 07/21175 en AWB 07/21182), waarin dezelfde grieven als in onderhavige zaak naar voren zijn gebracht en waarin de vreemdelingen wel onder ede zijn gehoord door de rechtbank. Hoewel dit op zichzelf te betreuren is, heeft de rechtbank onvoldoende aanwijzingen om te oordelen dat verweerder moedwillig het onderzoek door de rechtbank naar de rechtmatigheid van de bewaring heeft gepoogd te dwarsbomen. Verweerder heeft eisers uitgezet zodra dit mogelijk was. Nu de bewaring gericht is op uitzetting en deze, nu het gaat om detentie, zo kort als ook maar mogelijk dient te duren, is de handelwijze van verweerder niet onjuist te achten. De rechtbank heeft bij haar oordeelvorming ook in aanmerking genomen dat zij weliswaar op 1 juni 2007 het onderzoek in de zaken heeft heropend, maar dat de heropeningsbeslissing en de brieven waarin partijen is meegedeeld dat eisers worden opgeroepen om als getuigen te worden gehoord, eerst op

5 juni 2007 aan partijen zijn toegezonden. Eisers zijn op diezelfde dag uitgezet. Niet valt dan ook uit te sluiten dat de beslissing van de rechtbank om eisers als getuigen te horen, verweerder pas heeft bereikt op een moment dat de uitzetting van eisers al in gang was, of al plaats had gevonden.

9. De vraag hoe de uitzetting zich verhoudt tot de omstandigheid dat er inmiddels ook een verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank aanhangig was gemaakt met het verzoek om de uitzetting van eisers te verbieden, connex aan een bezwaar gericht tegen hun op handen zijnde uitzetting, zal worden beantwoord in de voorlopige voorzieningenprocedure die reeds is aangevangen en voor bepaalde tijd is geschorst. De rechtbank zal deze vraag in onderhavige procedure verder buiten beschouwing laten.

10. De rechtbank concludeert dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd met de wet is geweest en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd was te achten. Derhalve zullen de beroepen ongegrond worden verklaard.

11. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 8 augustus 2007 door mr. H.J.M. Baldinger, voorzitter, in tegenwoordigheid van P.L. Rempt, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier,

De rechter,

Afschrift verzonden op:

Conc.: PLR

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.