Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB3526

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-07-2007
Datum publicatie
18-09-2007
Zaaknummer
AWB 06/7468, 06/07465
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / réfugié sur place / buiten schuld

Niet betwist dat eiser heeft deelgenomen aan de bezetting van de Syrische ambassade. Dit is een nieuw feit dat een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigt. Dit gaat echter niet op voor zover eiser meent dat hij vanwege hetgeen hij in zijn eerdere asielrelaas naar voren heeft gebracht in aanmerking komt voor een vergunning. De deelname nadien aan de Syrische bezetting, heeft een zelfstandig karakter ten opzichte van het eerdere asielrelaas.

Verweerder acht niet aannemelijk dat de Syrische autoriteiten eiser als één van de deelnemers aan de bezetting hebben geïdentificeerd. Dit standpunt van verweerder houdt echter geen stand nu verweerder niet bestrijdt dat tijdens de bezetting video-opnames zijn gemaakt door het ambassadepersoneel waarbij eiser in beeld verschijnt en dat de video-opnames van de bezetting zijn uitgezonden op twee Arabische televisiezenders.

Verder heeft verweerder niet bestreden dat de Syrische ambassade aangifte heeft gedaan van de bezetting en eiser vanwege deelname aan de bezetting in België gedetineerd is geweest.

Aan verweerder moet worden toegegeven dat vooralsnog niet is gebleken dat de Syrische autoriteiten op de hoogte zijn van de personalia van eiser noch dat zijn familieleden in zijn land van herkomst als gevolg daarvan problemen hebben ondervonden, doch dit laat onverlet de reële mogelijkheid dat eiser toch reeds is geïdentificeerd, maar daarvan pas bij terugkeer in zijn land van herkomst de gevolgen zal ondervinden. Bij het nemen van het bestreden besluit, heeft verweerder deze mogelijkheid niet overwogen, althans daarvan blijkt niet uit de overwegingen van het besluit noch anderszins. Evenmin is in besluit ingegaan op de mogelijkheid dat eiser bij – al dan niet gedwongen - terugkeer alsnog wordt geïdentificeerd.

Eiser voldoet niet aan het continuïteitsvereiste. [...] Vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw 2000 is terecht afgewezen. Het niet voldoen aan het continuïteitsvereiste is echter geen beletsel voor vergunningverlening op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000.

Wat betreft de weigering een verblijfsvergunning als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, geldt op zich ook het ne bis in idem beginsel. Desalniettemin staat het i.c. ter toetsing open voor de rechtbank. Anders dan verweerder stelt, doet zich immers een voor eisers relevante wijziging van het recht voor. Het WBV 2005/11 dat op 3 april 2005 in werking is getreden, dateert namelijk van ná het besluit van 9 januari 2004 en de daarop gebaseerde uitspraken. In de toelichting op het WBV 2005/11 is vermeld dat tot dan toe slechts was voorzien in vergunningverlening aan staatloze vreemdelingen. Het wijzigingsbesluit voorziet erin dat ook vreemdelingen met een nationaliteit in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning op grond van dit beleid indien zij genoegzaam hebben aangetoond dat zij ondanks hun bereidwilligheid, buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. Nu tussen partijen juist in geschil is of eisers al dan niet staatloos zijn, is sprake van een voor eisers relevante wijziging van het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 06/7468 (A.H. Ali) en AWB 06/07465 (A.M. Ali)

V.nr.: 200.746.8419 (A.H. Ali) en 200.746.8420 (A.M. Ali)

inzake:

[Eiser], geboren op [geboortedatum] 1978, naar gesteld staatloos, eiser,

en [eiseres], geboren op [geboortedatum] 1982, naar gesteld staatloos, eiseres,

mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen [kind 1], geboren op [geboortedatum] 2000 en [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2002, eisers,

gemachtigde: mr. A.M. van Eik, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. T. Hartsuiker, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 6 juli 2005 hebben eisers aanvragen ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 8 november 2005 heeft verweerder aan eisers schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvragen af te wijzen. Bij brieven van 7 december 2005 hebben eisers hun zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluiten van 19 januari 2006 heeft verweerder de aanvragen afgewezen en daarnaast besloten dat eisers geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

2. Bij beroepschriften van 9 februari 2006 hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 10 maart 2006 en aangevuld bij brief van 23 juni 2006. Op 30 maart 2006 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 3 juli 2006 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2007. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig K. Saatchi, tolk Kirmandj.

4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

1. Eisers zijn, naar eigen zeggen, op 18 maart 2001 Nederland binnengereisd en hebben ieder op 2 april 2001 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij beschikkingen van 24 september 2002 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 29 september 2003 (AWB 02/75013) zijn de beroepen die door eisers tegen deze besluiten zijn ingesteld, ongegrond verklaard.

2. Op 6 januari 2004 hebben eisers opnieuw een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De aanvragen zijn bij besluit van 9 januari 2004 afgewezen. Tevens is eisers geen verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 14, eerste lid, onder e van de Vw 2000 verleend. Deze rechtbank, zittingsplaats Zutphen, heeft bij uitspraak van 30 januari 2004 (AWB 04/1284 en 04/1289) de beroepen van eisers tegen deze besluiten ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bij uitspraak van 12 maart 2004 (200401160/1) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

III. ASIELRELAAS VAN EISER

1. Tijdens de eerste asielprocedure heeft eiser het volgende relaas – zakelijk weergegeven – aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft aangevoerd dat hij uit Syrië is gevlucht vanwege zijn activiteiten voor de politieke partij Yeketi. Hij heeft voor deze partij kranten verspreid. Op 1, 2 en 5 maart 2001 is in het huis van eiser een huiszoeking geweest; daarbij zijn partijkranten gevonden en is de echtgenote van eiser verkracht.

2. Bij de onderhavige aanvraag heeft eiser het volgende – zakelijk weergegeven – aangevoerd.

Eiser heeft de negatieve aandacht van de Syrische autoriteiten op zich gevestigd door zijn deelname aan de bezetting van de Syrische ambassade in Brussel op 13 maart 2004. Het ambassadepersoneel heeft van deze bezetting video-opnames gemaakt. Eiser verschijnt daarop in beeld. Op twee Arabische zenders, Al Jazeera en El Arabie, zijn video-opnames van de bezetting vertoond. Op last van de Belgische autoriteiten is eiser ongeveer veertien dagen gedetineerd geweest, waarna hij België moest verlaten. Hierdoor zou eiser de negatieve aandacht van de Syrische autoriteiten op zich hebben gevestigd. Eiser vreest dat hij bij terugkeer in Syrië zal worden geëxecuteerd. Daarnaast stelt eiser dat hij niet kan terugkeren omdat hij in Syrië niet is geregistreerd en geen identiteitsdocument heeft.

IV. STANDPUNTEN PARTIJEN TEN AANZIEN VAN HET ASIELVERZOEK VAN EISER

1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen en daartoe het volgende overwogen.

1.1. Eisers deelname aan de bezetting van de Syrische ambassade in Brussel wordt geloofwaardig geacht, maar dat hij door die deelname aan de bezetting persoonlijk de negatieve aandacht van de Syrische autoriteiten op zich heeft gevestigd, wordt niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Syrische autoriteiten hem hebben geïdentificeerd als deelnemer van de bezettingsactie. Het enkele overleggen van de videoband is daartoe onvoldoende. Eiser is niet op een zodanig speciale wijze bij de bezetting betrokken geweest dat hij de aandacht op hem persoonlijk heeft gericht. Evenmin is gebleken dat eisers familieleden in Syrië problemen hebben ondervonden die in verband kunnen worden gebracht met de bezettingsactie. Verder zijn er essentiële verschillen tussen eisers asielrelaas en dat van [persoon 1] en [persoon 2], waar eiser in zijn zienswijze op het voornemen een beroep heeft gedaan.

1.2. Eiser is geen réfugié sur place. Niet is gebleken dat de politieke en maatschappelijke omstandigheden in eisers land van herkomst zijn gewijzigd waardoor hij als een réfugié sur place dient te worden beschouwd. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat zijn activiteiten een voortzetting vormen van zijn gestelde activiteiten in zijn land van herkomst. Daarbij is van belang dat bij de onder II.1 genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, onherroepelijk is komen van te staan dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is.

1.3. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer in Syrië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Eiser heeft zijn stelling dat teruggekeerde asielzoekers en Maktoums bij terugkeer naar Syrië in het algemeen een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, niet onderbouwd. Eisers verwijzing naar informatie van Amnesty International over een aantal naar Syrië teruggekeerde personen, is daartoe onvoldoende. Bovendien is eisers asielrelaas ongeloofwaardig geacht, hetgeen een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM nog minder aannemelijk maakt.

2. Eiser legt aan het beroep ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning.

2.1 Eiser stelt zich primair op het standpunt dat een nieuwe aanvraag die niet met toepassing van artikel 4:6 van de Awb wordt afgedaan, een inhoudelijke en nieuwe beoordeling met zich brengt en dat dit tevens een nieuwe inhoudelijke beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas inhoudt. De beschikking ontbeert een zorgvuldige voorbereiding en deugdelijke motivering omdat verweerder geen duidelijk standpunt inneemt over de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. Verweerder heeft niet inzichtelijk en kenbaar aangegeven dat het relaas van eiser in delen uiteenvalt waardoor delen van eisers relaas wel en delen niet geloofwaardig kunnen worden geacht. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat in zijn relaas geen hiaten, vaagheden of ongerijmde wendingen voorkomen en dat van het relaas derhalve positieve overtuigingskracht uitgaat. Van het relaas van eiser dient te worden uitgegaan.

2.2 Verweerder geeft er volgens eiser geen blijk van dat de overgelegde videoband van de bezetting van de Syrische ambassade in Brussel en de documenten van de Belgische autoriteiten waaruit blijkt dat eiser Belgisch grondgebied moest verlaten, kenbaar en inzichtelijk bij de besluitvorming zijn betrokken. De video-opnamen zijn gemaakt door ambassadepersoneel. Eiser wijst erop dat Syrische ambassades in Europa erom bekend staan dat zij politieke activiteiten van asielzoekers nauwlettend in de gaten houden. Ook deelname aan de bezetting van de Syrische ambassade zal worden aangemerkt als een politiek delict waarop een gevangenisstraf staat van minimaal zes maanden. In een studie van het Europäisches Zentrum für Kurdische Studien in Berlijn van 23 augustus 2005 is onder andere uiteengezet dat deelname aan demonstraties aanzienlijk risico met zich brengt om te worden opgepakt door de Syrische autoriteiten. Eiser heeft hiermee genoegzaam aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk vrees heeft voor vervolging in de zin van artikel 29, eerste lid onder a, van de Vw 2000.

2.3 Voor zover in de beschikking wordt overwogen dat eiser niet kan worden aangemerkt als réfugié sur place, ontbeert de beschikking een zorgvuldige voorbereiding en deugdelijke motivering. Eiser stelt dat men als réfugié sur place kan worden aangemerkt indien activiteiten zijn verricht na vlucht uit het land van herkomst. Hiertoe is niet vereist dat de politieke en maatschappelijke omstandigheden van het land van herkomst zijn gewijzigd, noch hoeft aan het continuïteitsvereiste te worden voldaan. Eiser kan als réfugié sur place worden aangemerkt vanwege zijn betrokkenheid bij de bezetting van de Syrische ambassade, terwijl hij reeds in het land van herkomst zijn politieke overtuiging door middel van zijn lidmaatschap van de Yeketi-partij en zijn politieke activiteiten heeft geuit. Subsidiair stelt eiser dat zijn betrokkenheid bij de bezetting van de Syrische ambassade als een voortzetting moet worden beschouwd van de politieke overtuiging die hij reeds had voor zijn vlucht naar Nederland.

2.4 Voorts stelt eiser dat de beschikking geen blijk geeft van een door het EVRM beoogde ‘thorough investigation’ ten aanzien van de stelling van eiser dat hij een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Volgens eiser is zijn betrokkenheid bij de bezetting van de Syrische ambassade een omstandigheid waardoor hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft dit onderdeel van eisers relaas niet kenbaar inzichtelijk bij de besluitvorming inzake van zijn beroep op artikel 3 van het EVRM betrokken.

V. OVERWEGINGEN TEN AANZIEN VAN HET ASIELVERZOEK VAN EISER

1.1 Uit de jurisprudentie van de Afdeling, zoals onder meer tot uitdrukking gebracht in haar uitspraak van 3 april 2003 (JV 2003/219), blijkt dat het ingevolge artikel 4:6 van de Awb voor de bestuurlijke besluitvorming geldende rechtsbeginsel volgens hetwelk niet meermalen wordt geoordeeld over een zelfde zaak (ne bis in idem) ook geldt voor de rechtspraak. Dit betekent dat buiten de aanwending van ingevolge de wet openstaande rechtsmiddelen, een zelfde geschil niet tweemaal aan de rechter kan worden voorgelegd.

1.2 Voor de bestuursrechtspraak in vreemdelingenzaken vindt dit beginsel nadere invulling in het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verband met artikel 69 van de Vw 2000. Deze wettelijke bepalingen verzetten zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen het besluit op een herhaalde aanvraag wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, door de bestuursrechter worden getoetst.

1.3 Voor de beoordeling van een besluit op een herhaalde aanvraag, zal de rechtbank derhalve los van de stellingen van partijen, direct moeten treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Blijkens de jurisprudentie van de Afdeling moeten daaronder worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten en omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

1.4 Verweerder heeft niet betwist dat eiser heeft deelgenomen aan de bezetting van de Syrische ambassade op 13 maart 2004 en dat in zoverre sprake is van een nieuw feit. Ook naar het oordeel van de rechtbank moet de deelname aan de bezetting worden aangemerkt als een nieuw feit dat een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigt. De bezetting heeft immers plaatsgevonden nadat de eerdere besluiten van 24 september 2002 en 9 januari 2004 zijn genomen en na de onder II.1 en 2 genoemde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond en zittingsplaats Zutphen en van de Afdeling. De rechtmatigheid van verweerders beslissing ten aanzien van de vraag of eiser vanwege zijn deelname aan de bezetting van de Syrische ambassade in aanmerking komt voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000, staat derhalve open voor een rechterlijke beoordeling.

1.5 Anders dan eiser kennelijk meent, gaat dit evenwel niet op voor zover eiser meent dat hij vanwege hetgeen hij in zijn eerdere asielrelaas naar voren heeft gebracht in aanmerking komt voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 29 september 2003 is immers reeds geoordeeld dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig is. Op grond daarvan is geoordeeld dat eiser terecht niet als vluchteling is aangemerkt en niet aannemelijk is dat gedwongen terugkeer van eiser strijd oplevert met de in artikel 29, aanhef en onder b, van de Vw 2000 bedoelde mensenrechten. De deelname nadien aan de Syrische bezetting heeft een zelfstandig karakter ten opzichte van het eerdere asielrelaas en kan aan voornoemd oordeel van de rechtbank niets afdoen.

Ook de door eiser bij de onderhavige aanvraag overgelegde nieuwe documenten als bewijs voor het feit dat hij staatloos (Maktoum) is, vormen geen rechtvaardiging voor een hernieuwde rechterlijke beoordeling van het eerdere asielrelaas. Zoals verweerder terecht ter zitting heeft betoogd, hadden deze documenten eerder kunnen en derhalve moeten worden overgelegd. Bovendien wijkt de inhoud en de strekking van de documenten niet zodanig af van de bij de eerder ingediende aanvragen overgelegde documenten dat gezegd kan worden dat dit tot een andere beoordeling van zijn asielrelaas kan leiden. Derhalve is op voorhand uitgesloten dat het aldus bij de onderhavige aanvraag overgelegde bewijs kan afdoen aan de eerdere besluiten van 24 september 2002 en 9 januari 2004, alsmede de uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaatsen Roermond en Zutphen, van 29 september 2003 respectievelijk 30 januari 2004.

2. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege de deelname aan de bezetting op 13 maart 2004 van de Syrische ambassade te Brussel een gegronde vrees heeft voor vervolging door de Syrische autoriteiten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Voorop staat dat verweerder niet betwijfelt dat eiser aan deze bezetting heeft deelgenomen. Blijkens het voornemen dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, acht verweerder niet aannemelijk dat de autoriteiten ervan op de hoogte zijn dat hij persoonlijk heeft deelgenomen aan de bezetting omdat niet aannemelijk is geworden dat de autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van zijn identiteit en niet gebleken is dat hij wordt vervolgd. In het bestreden besluit is daaraan toegevoegd dat verweerder niet aannemelijk acht dat de Syrische autoriteiten eiser als één van de deelnemers aan de bezetting hebben geïdentificeerd. Dit standpunt van verweerder houdt echter geen stand nu verweerder niet bestrijdt dat tijdens de bezetting video-opnames zijn gemaakt door het ambassadepersoneel waarbij eiser in beeld verschijnt en dat de video-opnames van de bezetting zijn uitgezonden op twee Arabische televisiezenders. Daarbij is van belang dat uit de door eiser overgelegde informatie van het Europäisches Zentrum für Kurdische Studien in Berlijn blijkt dat registratie van deelnemers aan demonstraties plaatsvindt door het maken van filmmateriaal en foto’s. Tevens blijkt uit deze informatie dat de Syrische ambassade in Bonn een centrale rol heeft om de activiteiten van Syriërs in Europa te observeren. Verweerder heeft de juistheid van genoemde informatie niet bestreden.

Verder heeft verweerder niet bestreden dat de Syrische ambassade aangifte heeft gedaan van de bezetting en eiser vanwege deelname aan de bezetting in België gedetineerd is geweest.

Aan verweerder moet worden toegegeven dat vooralsnog niet is gebleken dat de Syrische autoriteiten op de hoogte zijn van de personalia van eiser noch dat zijn familieleden in zijn land van herkomst als gevolg daarvan problemen hebben ondervonden, doch dit laat onverlet de reële mogelijkheid dat eiser toch reeds is geïdentificeerd, maar daarvan pas bij terugkeer in zijn land van herkomst de gevolgen zal ondervinden. Bij het nemen van het bestreden besluit, heeft verweerder deze mogelijkheid niet overwogen, althans daarvan blijkt niet uit de overwegingen van het besluit noch anderszins. Evenmin is in het besluit ingegaan op de mogelijkheid dat eiser bij - al dan niet gedwongen - terugkeer alsnog wordt geïdentificeerd.

Voorts is in het bestreden besluit overwogen dat eiser geen prominente rol zou hebben gespeeld bij de bezetting. Ook deze omstandigheid - wat daar ook van zij - laat onverlet de mogelijkheid dat eiser door de video-opnames door de Syrische autoriteiten is geïdentificeerd of bij terugkeer wordt geïdentificeerd. Daarbij merkt de rechtbank op dat blijkens de overwegingen van het besluit en het verhandelde ter zitting, verweerder hiermee niet heeft bedoeld te stellen dat, als eiser wel zou zijn geïdentificeerd, hij vanwege de minder prominente rol die hij zou hebben gespeeld, bij terugkeer geen reëel risico zou lopen op vervolging door de Syrische autoriteiten.

Ten slotte heeft verweerder ter zitting nog opgemerkt dat eiser misschien vanwege het petje dat hij op had, moeilijker kan worden geïdentificeerd. Deze opmerking schuift de rechtbank als niet relevant ter zijde nu niet is betwist dat eiser op de video-opnames herkenbaar in beeld komt.

4.1 Verweerder heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat eiser geen refugié sur place is omdat hij niet voldoet aan het continuïteitsvereiste en als zodanig niet voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in aanmerking komt. Blijkens het verhandelde ter zitting stelt eiser daar tegenover dat wel aan het continuïteitsvereiste wordt voldaan, primair omdat hij reeds gevlucht is uit zijn land vanwege zijn politieke overtuiging die samenhangt met zijn etniciteit en subsidiair omdat zijn betrokkenheid bij de bezetting een voortzetting is van zijn politieke activiteiten in Syrië, dan wel als continuering van zijn politieke overtuiging. Meer subsidiair stelt eiser dat het continuïteitsvereiste in strijd is met het standpunt van de UNHCR en artikel 5, tweede lid, van de Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 van de Raad van de Europese Unie (de Definitierichtlijn).

4.2 Het réfugiés sur placebeleid is opgenomen in hoofdstuk C1/4.2.6 van de Vreemdelingencirculaire (hierna: Vc) 2000 en heeft betrekking op de situatie dat iemand bij vertrek uit het land van herkomst geen vervolging te vrezen had, maar op een later tijdstip tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst vluchteling wordt. Voor zover hier relevant, kan iemand réfugié sur place worden indien hij ten gevolge van zijn eigen activiteiten buiten het land van herkomst gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging als hij naar dat land zou terugkeren (hierbij moet worden voldaan aan het continuïteitsvereiste).

4.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geoordeeld dat niet wordt voldaan aan het continuïteitsvereiste nu met de onder II.1 genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, in rechte is komen vast te staan dat eisers gehele vluchtrelaas, zoals hij dat bij binnenkomst hier te lande tegenover de Nederlandse autoriteiten naar voren heeft gebracht, ongeloofwaardig is. De stelling van eiser dat de rechtbank in deze uitspraak zijn lidmaatschap van de Yeketipartij geloofwaardig heeft geacht, in tegenstelling tot zijn activiteiten voor de partij, dan wel dat anderszins een onderscheid zou kunnen worden gemaakt tussen zijn overtuiging en zijn lidmaatschap, berust op een onjuiste lezing van deze uitspraak.

4.4 De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn standpunt dat het continuïteitsvereiste niet gesteld kan worden. Daartoe verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 16 maart 2006 (gepubliceerd in

JV 2006/291) waarin is overwogen dat dit vereiste sinds jaar en dag in de Nederlandse rechtspraak is aanvaard en als beleidsregel ook in de Vc 2000 is neergelegd en is geoordeeld dat niet kan worden geconcludeerd dat uit het Vluchtelingenverdrag volgt dat het continuïteitsvereiste niet mag worden gesteld. Daarbij is van belang geacht dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling het Handbook van de UNHCR geen regels bevat die verweerder binden bij zijn beoordeling of een vreemdeling gegronde reden voor vervolging heeft te vrezen. Op grond van hetgeen door eiser naar voren is gebracht, ziet de rechtbank geen grond om in de onderhavige zaak tot een ander oordeel te komen.

Voorts heeft de rechtbank in de genoemde uitspraak overwogen dat de stelling dat het continuïteitsvereiste niet mag worden gesteld op grond van de Definitierechtlijn reeds niet kan slagen omdat de implementatietermijn nog niet was verstreken. Nu ten tijde van het nemen van het onderhavige besluit de implementatietermijn evenmin was verstreken, slaagt het beroep ook in zoverre niet.

4.5 Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

5. Het niet voldoen aan het continuïteitsvereiste, kan echter, zoals ook niet in geschil is, geen beletsel zijn voor een geslaagd beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Het voorgaande laat dan ook onverlet dat de motivering in het bestreden besluit voor zover het betreft de conclusie dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, aanhef en onder b, van de Vw 2000, ondeugdelijk is. Het beroep is hierdoor, voor zover het is gericht tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, gegrond wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het besluit zal in zoverre worden vernietigd. Bepaald zal worden dat verweerder in zoverre een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank komt in verband hiermee niet toe aan hetgeen overigens naar voren is gebracht met betrekking tot artikel 29, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

VI. OVERWEGINGEN TEN AANZIEN VAN HET ASIELVERZOEK VAN EISERES

1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijke behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, van de Vw 2000, die dezelfde nationaliteit heeft als deze vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, is verleend.

2. Nu niet in geschil is dat eiseres en de kinderen van eiser en eiseres voldoen aan de voorwaarden als hiervoor genoemd, brengt gegrondverklaring van het beroep van eiser met zich dat ook het beroep van eiseres gegrond is voor zover het is gericht tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Het besluit zal in zoverre worden vernietigd. Bepaald zal worden dat verweerder in zoverre een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

VII. OVERWEGINGEN TEN AANZIEN VAN DE REGULIERE VERGUNNING

1. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de wet ambtshalve worden verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken. Ter uitvoering van zijn bevoegdheid een vergunning als hier bedoeld te verlenen, heeft verweerder in hoofdstuk C2/8 van de Vc 2000, zoals dat gewijzigd is bij besluit van 15 maart 2005 (WBV 2005/11) beleidsregels gesteld.

2. De rechtbank stelt voorop dat verweerder reeds bij besluiten van 9 januari 2004 heeft geweigerd een verblijfsvergunning als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken te verlenen. Deze rechtbank, zittingsplaats Zutphen, heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard en de Afdeling heeft die uitspraak bevestigd. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat het onderhavige besluit wat betreft de weigering een verblijfsvergunning als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, te verlenen, de motivering daarvan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, door de rechtbank kunnen worden getoetst. Anders dan verweerder stelt, doet zich immers een voor eisers relevante wijziging van het recht voor. Het WBV 2005/11 dat op 3 april 2005 in werking is getreden, dateert namelijk van ná het besluit van 9 januari 2004 en de daarop gebaseerde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Zutphen en van de Afdeling. In de toelichting op het WBV 2005/11 is vermeld dat tot dan toe slechts was voorzien in vergunningverlening aan staatloze vreemdelingen. Het wijzigingsbesluit voorziet erin dat ook vreemdelingen met een nationaliteit in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning op grond van dit beleid indien zij genoegzaam hebben aangetoond dat zij ondanks hun bereidwilligheid, buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. Nu tussen partijen juist in geschil is of eisers al dan niet staatloos zijn, is sprake van een voor eisers relevante wijziging van het recht.

3. Verweerder heeft de vergunningen niet verleend omdat eisers overeenkomstig WBV 2005/11 aan de hand van objectief toetsbare bescheiden moet kunnen aantonen dat de betrokken autoriteiten van het land van herkomst geen toestemming zullen verlenen aan de terugkeer. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij door de Syrische autoriteiten niet in het bezit zullen worden gesteld van een laissez passer.

4. Eisers stellen zich primair op het standpunt dat de beschikking onzorgvuldig is voorbereid. Het is aan verweerder om tot bemiddeling over te gaan bij een presentatie aan de Syrische autoriteiten en het aantonen van onmogelijkheid van terugkeer. Deze bemiddeling heeft nog niet plaats gehad. Verweerder heeft telefonisch aan eisers bevestigd dat bemiddeling pas zal plaatsvinden nadat eisers asielprocedure volledig is afgesloten. Van de vreemdeling die in de asielprocedure is verwikkeld kan niet worden verwacht dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land van herkomst. Eisers hebben wel degelijk alles eraan gedaan om in het bezit te kunnen worden gesteld van een laissez passer en het is nu aan verweerder om over te gaan tot bemiddeling in het kader van WBV 2005/11.

Subsidiair voeren eisers aan dat de voorwaarde dat eiser een verklaring dient te overleggen waarin te kennen wordt gegeven dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst niet is opgenomen in WBV 2005/11. Eisers kunnen niet in het bezit worden gesteld van een wit identiteitsdocument of een reisdocument, omdat zij zich niet kunnen registreren. De door eiser overgelegde identiteitsverklaring van de mukhtar is de enige verklaring die aan Maktoum Koerden wordt verschaft. Maktoum is het Arabische woord voor ‘niet-geregistreerd’. De gemeente Heythuysen heeft erkend dat eiser geen officieel document van de Syrische autoriteiten kan krijgen waaruit zijn identiteit blijkt.

5. Volgens het beleid zoals neergelegd in hoofdstuk C2/8 van de Vc 2000 komt de vreemdeling in aanmerking voor een verblijfsvergunning als cumulatief aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

1. de vreemdeling heeft zelfstandig geprobeerd zijn vertrek te realiseren. Hij heeft zich aantoonbaar gewend tot de vertegenwoordiging van het land of de landen waarvan hij de nationaliteit heeft, dan wel tot het land waar hij als staatloze vreemdeling eerder zijn gewone verblijfplaats had, en/of tot andere landen waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat de vreemdeling aldaar de toegang zal worden verleend; en

2. hij heeft zich gewend tot de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) voor facilitering van zijn vertrek en deze organisatie heeft aangegeven dat zij niet in staat is het vertrek van de vreemdeling te realiseren vanwege het feit dat de vreemdeling stelt niet te kunnen beschikken over reisdocumenten; en

3. hij heeft, al dan niet door tussenkomst van de vreemdelingenpolitie, verzocht om bemiddeling van de IND bij het verkrijgen van de benodigde documenten van de autoriteiten van het land waar hij naar toe kan gaan, welke bemiddeling niet het gewenste resultaat heeft gehad; en

4. er is sprake van een samenhangend geheel van feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat betrokkene buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten; het dient daarbij te gaan om objectieve, verifieerbare feiten en omstandigheden die zien op de persoon van betrokkene en die in de eerste plaats zijn onderbouwd met bescheiden; en

5. hij verblijft zonder verblijfstitel in Nederland, en voldoet niet aan andere voorwaarden voor een verblijfsvergunning.

6. De rechtbank stelt vast dat niet tussen partijen in geschil is dat ten tijde van het bestreden besluit niet werd voldaan aan de derde voorwaarde. Verweerder heeft te kennen gegeven nog niet te bemiddelen zolang de asielprocedure loopt. Verweerder geeft in het verweerschrift aan dat op 16 februari 2006 met de gemachtigde telefonisch is afgesproken dat de afloop van de asielprocedure zal worden afgewacht en eerst daarna, indien dat opportuun is, het bemiddelingsverzoek zal worden gedaan. Omdat sprake is van cumulatieve voorwaarden, volgt reeds hieruit dat eisers (nog) niet hebben aangetoond dat zij voldoen aan de in het beleid genoemde voorwaarden. Reeds daarom heeft verweerder terecht de verblijfsvergunning onder de beperking verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken geweigerd. De overige argumenten van eisers in dit verband behoeven hierdoor geen bespreking.

7. Overigens volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2006 (gepubliceerd in JV 2006/421) dat indien eiser na afloop van zijn asielprocedure alsnog kan aantonen dat hij aan de vereisten voor verlening voldoet, hem op aanvraag deze vergunning kan worden verleend. De rechtbank leidt hieruit af dat in dat geval het hiervoor onder V.1 genoemde beginsel van ne bis in idem niet aan eisers kan worden tegengeworpen.

8. Uit het voorgaande volgt dat het beroep voor zover het is gericht tegen de weigering eisers niet een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e van de Vw 2000, ongegrond is.

VIII. PROCESKOSTEN

Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt per beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,--).

IX. BESLISSING

De rechtbank

in de zaken geregistreerd onder de nummers: AWB 06/7468 en AWB 06/07456

- verklaart de beroepen gegrond voor zover ze zijn gericht tegen de afwijzing van de aanvragen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000;

- vernietigt de bestreden besluiten voor zover daarbij de aanvragen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 zijn afgewezen;

- bepaalt dat verweerder binnen 6 weken na verzending van de uitspraak nieuwe besluiten neemt op de aanvragen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 met inachtneming van deze uitspraak;

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderd zesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 6 juli 2007 door mr. S.M. Schothorst, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen – van der Hoek, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier

De voorzitter

Afschrift verzonden op:

Conc: EW

Coll:

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.