Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB3379

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-07-2007
Datum publicatie
19-09-2007
Zaaknummer
AWB 07/10851
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nationaliteitsverklaring / taalanalyse geeft geen uitsluitsel over nationaliteit

Verweerder hecht geen geloof aan de nationaliteit, identiteit en het asielrelaas van eiser op grond van een rapport taalanalyse waaruit blijkt dat eiser niet herleidbaar is tot de spraakgemeenschap van Sierra Leone. Eiser heeft niet middels een contra-expertise de uitkomst van de taalanalyse bestreden. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij heeft aangetoond dat hij afkomstig is uit Sierra Leone nu hij een nationaliteitsverklaring heeft overgelegd die is afgegeven door de ambassade van Sierra Leone te Brussel.

De rechtbank stelt vast dat op de nationaliteitsverklaring van eiser een pasfoto van eiser is bevestigd. Ook staat eisers geboorteplaats en - datum op de nationaliteitsverklaring vermeld. Verweerder betwist de authenticiteit van de overgelegde verklaring niet.

De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee heeft voldaan aan hetgeen vermeld staat in paragraaf C4/3.6.2 Vc 2000. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het een officiële verklaring van de Sierra Leoonse autoriteiten betreft en dat ter zitting is gebleken dat de nationaliteitsverklaring eerst na een onderzoek door de Sierra Leoonse consul aan eiser is afgegeven. Bovendien geeft een taalanalyse geen uitsluitsel over de nationaliteit van een vreemdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: AWB 07/10851

uitspraak: 23 juli 2007

inzake:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1983,

verblijvende te Tilburg,

van Sierraleoonse nationaliteit,

IND dossiernummer: [nummer 1],

V-nummer: [nummer 2]

eiser,

gemachtigde: mr. H.B. Boogaart, advocaat te Groningen,

tegen:

STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. van der Salm, werkzaam bij de IND.

Procesverloop

Op 15 november 2001 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000.

Bij beschikking van 5 maart 2002 heeft verweerder de aanvraag ingewilligd en is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw 2000. Deze verblijfsvergunning is verleend met ingang van 15 november 2001, geldig tot 15 november 2004.

Op 2 augustus 2004 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 Vreemdelingenwet 2000.

Bij beschikking van 13 februari 2007 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd.

Bij beroepschrift van 12 maart 2007 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 juli 2007. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Motivering

Standpunten van partijen

Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 34 jo 32, eerste lid, onder a, Vw 2000 afgewezen, omdat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl bij bekendheid met die gegevens eiser geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder d van de Vw 2000 zou zijn verleend.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hoewel aanvankelijk de geloofwaardigheid van de door eiser opgegeven identiteit en nationaliteit niet seperaat is beoordeeld, er thans ernstige twijfel is gerezen ten aanzien van hetgeen eiser tijdens zijn procedure hieromtrent heeft verklaard. Redengevend hiervoor is onder meer de informatie inzake de gesproken talen in Sierra Leone, zoals neergelegd in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 31 juli 2003, (kenmerk DPV/AM-819114) welke informatie nogmaals wordt bevestigd in het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 juni 2006 (kenmerk DPV/Am 906656). Voorts heeft de dossieranalyse door Bureau Land & Taal van 24 mei 2006 tot de conclusie geleid dat er twijfel bestaat aan de herkomst van eiser uit Sierra Leone. Een taalanalyse, die heeft plaatsgevonden in de door eiser gestelde stamtalen Pular en Krio, heeft vervolgens uitgewezen dat eiser eenduidig niet herleidbaar is tot de spraakgemeenschap binnen Sierra Leone doch tot de spraakgemeenschap van Guinee.

Voorts zou, gezien de nieuwe gegevens, naar de mening van verweerder eisers oorspronkelijke aanvraag afgewezen zijn nu evenmin aanleiding was geweest eiser op basis van een van de andere verleningsgronden van artikel 29 Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Verweerder heeft zich hiertoe op het standpunt gesteld dat gelet op het resultaat van de taalanalyse en de omstandigheid dat eiser zijn gestelde identiteit en nationaliteit, niet heeft kunnen onderbouwen met documenten, eiser geenszins aannemelijk heeft gemaakt daadwerkelijk uit Sierra Leone afkomstig te zijn en de Sierraleoonse nationaliteit te bezitten. Verweerder hecht derhalve geen geloof aan de nationaliteit en identiteit van eiser. Naar de mening van verweerder kan derhalve evenmin geloof worden gehecht aan de door eiser afgelegde verklaringen omtrent zijn problemen die hij in Sierra Leone zou hebben ondervonden en wordt eisers asielrelaas ongeloofwaardig geacht.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij het niet eens is met de conclusie uit de taalanalyse dat hij niet uit Sierra Leone afkomstig zou zijn. Eiser heeft aangegeven dat hij een contra-expertise wenst uit te laten voeren. Aangezien de financiële middelen daarvoor ontbreken is dit echter tot op heden nog niet gelukt. Eiser heeft geen ander inkomen dan de voorzieningen die hem door de gemeente Tilburg worden verstrekt en de gemeente is niet bereid gebleken bij wijze van bijzondere kosten een vergoeding te verstrekken voor een contra-exepertise. Het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) heeft tevens geweigerd om de kosten van de contra-expertise te dragen. Eiser heeft een aanvraag ingediend bij het fonds “bijzondere noden” van Vluchtelingenwerk.

Eiser heeft voorts bij brief van 13 februari 2007 een kopie van een nationaliteitsverklaring overgelegd, afgegeven door de ambassade van Sierra Leone te Brussel. Desgevraagd heeft eiser op 26 februari 2007 de originele verklaring overgelegd. Daarbij is aan de gemachtigde van eiser medegedeeld dat de bestreden beschikking zou worden ingetrokken.

Eiser is van mening dat hij met de nationaliteitsverklaring zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder dient nader onderzoek in te stellen naar de nationaliteitsverklaring. De nationaliteitsverklaring is terug te voeren op eiser, daar deze is voorzien van eisers persoonsgegevens en pasfoto. Verweerder had hieraan niet zonder meer voorbij kunnen gaan.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, nu hem is toegezegd dat de beslissing zou worden ingetrokken en dat er een onderzoek zou worden ingesteld naar het overgelegde document.

Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Regelgeving

De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 Vw 2000 kan ingevolge artikel 34 Vw 2000 slechts worden afgewezen indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32 voordoet.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 20000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

Beoordeling van het beroep

Gelet op het Koninklijk Besluit van 22 februari 2007 (nr. 07.000660, Scrt. 2007, 41), en gelet op de portefeuilleverdeling, zoals vastgesteld tijdens de constituerende vergadering van 22 februari 2007 van het op diezelfde dag beëdigde kabinet, is de Staatssecretaris van Justitie verantwoordelijk gesteld voor het beleidsterrein Vreemdelingenzaken. Daar waar in deze uitspraak voor wat betreft de periode van 14 december 2006 tot 22 februari 2007 wordt gesproken van verweerder dient te worden bedacht dat hiermede wordt bedoeld de Minister van Justitie, en voor wat betreft de periode tot 14 december 2006, de (voormalige) Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (Koninklijk Besluit van 14 december 2006 (nr. 06.004621, Scrt. 2006, 247) De handelingen en besluiten van voornoemde Ministers dienen rechtens te worden toegerekend aan de Staatssecretaris van Justitie.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl bij bekendheid met die gegevens eiser geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder d Vw 2000 zou zijn verleend. Verweerder hecht derhalve geen geloof aan de nationaliteit, identiteit en het asielrelaas van eiser.

Verweerder heeft dit standpunt gebaseerd op een rapport van taalanalyse van 14 september 2006 waaruit blijkt dat eiser eenduidig niet herleidbaar is tot de spraakgemeenschap binnen Sierra Leone.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder zich in redelijkheid op voornoemd standpunt heeft kunnen stellen.

De rechtbank stelt ten eerste vast dat eiser niet middels een contra expertise de uitkomst van de taalanalyse heeft bestreden. Eiser stelt zich op het standpunt dat hem daarvoor de financiële middelen ontbreken. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat hij heeft aangetoond dat hij afkomstig is uit Sierra Leone nu hij een nationaliteitsverklaring heeft overgelegd die is afgegeven door de ambassade van Sierra Leone te Brussel.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat aan de nationaliteitsverklaring niet de waarde kan worden gehecht die eiser eraan wenst te geven. Verweerder acht hiertoe van belang dat met de enkele overlegging van de nationaliteitsverklaring de identiteit en nationaliteit van eiser onvoldoende onderbouwd zijn nu uit de verklaring enkel blijkt dat de daarin genoemde persoon de Sierraleoonse nationaliteit heeft, maar uit de verklaring niet blijkt dat eiser de daarin genoemde persoon is. Ook blijkt daaruit, naar de mening van verweerder, niet op grond waarvan is aangenomen dat de daarin vermelde persoon de Sierraleoonse nationaliteit heeft. Verweerder heeft overwogen dat met betrekking tot de identiteit van eiser de nationaliteitsverklaring derhalve niet als bewijsstuk kan dienen. Hieruit volgt dat tevens met de nationaliteitsverklaring niet aannemelijk kan worden gemaakt dat eiser de Sierraleoonse nationaliteit heeft. Hierbij acht verweerder tevens van belang dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter staving van de door hem opgegeven identiteit. Verweerder heeft in het verweerschrift verwezen naar twee uitspraken van deze rechtbank, te weten de uitspraak van deze rechtbank van 6 januari 2005 (Awb 03/385540 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 18 juli 2006 (Awb 05/40643).

De rechtbank overweegt dat paragraaf C4/3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) vermeldt dat documenten die de identiteit onderbouwen, officiële, door de overheid afgegeven documenten zijn met daarin ten minste een pasfoto en de geboorteplaats en -datum van de asielzoeker. Voorts wordt in deze paragraaf vermeld dat de gestelde nationaliteit van de asielzoeker kan worden aangetoond met een paspoort of een ander door de desbetreffende overheid afgegeven document met pasfoto, waarin staat dat de asielzoeker de nationaliteit van het desbetreffende land bezit.

De rechtbank stelt vast dat in tegenstelling tot in de door verweerder genoemde uitspraken, op de nationaliteitsverklaring van eiser een pasfoto van eiser is bevestigd. Ook staat eisers geboorteplaats en - datum op de nationaliteitsverklaring vermeld. Uit het dossier blijkt niet dat verweerder de authenticiteit van de overgelegde verklaring betwist. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de authenticiteit van deze verklaring niet wordt betwist.

De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee heeft voldaan aan hetgeen vermeld staat in paragraaf C4/3.6.2 Vc 2000. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het een officiële verklaring van de Sierra Leoonse autoriteiten betreft en dat ter zitting is gebleken dat de nationaliteitsverklaring eerst na een onderzoek door de Sierra Leoonse consul aan eiser is afgegeven.

De rechtbank concludeert derhalve dat verweerder zich niet op de aangevoerde gronden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aan de hand van de nationaliteitsverklaring aannemelijk heeft weten te maken. De rechtbank acht hierbij nog van belang dat door middel van een taalanalyse slechts de afkomst en niet de nationaliteit van een vreemdeling kan worden vastgesteld.

Het beroep is derhalve gegrond.

Nu het beroep reeds om deze reden gegrond wordt verklaard, behoeven de overige door eiser aangevoerde gronden geen bespreking meer.

Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. In gevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.I. Klaassens, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2007 in tegenwoordigheid van mr. I. Eising als griffier.

Afschrift verzonden: