Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB3303

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
269728 - HA ZA 06-2426
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van vorderingen van 2100 minderjarigen en twee belangengroeperingen uit hoofde van onrechtmatige overheidsdaad tot gebod aan de Staat om regelgeving met betrekking tot minderjarigen aan te passen ten aanzien van (het aanvragen van) verblijfsvergunningen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 245
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2008, 40
JV 2007/436
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 269728 / HA ZA 06-2426

Vonnis van 11 juli 2007

in de zaak van

1. De vereniging

WIJ WILLEN BLIJVEN,

gevestigd te Amsterdam,

2. De vereniging

DEFENCE FOR CHILDREN INTERNATIONAL – NEDERLAND,

gevestigd te Amsterdam,

(3) 2100 individuele eisers (leden van eiseres sub 1),

gezamenlijk woonplaats kiezende te Alkmaar,

eisers,

procureur mr. P.J.Ph. Dietz de Loos,

tegen

STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. G.M.H. Hoogvliet.

Eisers zullen hierna gezamenlijk “Defence for Children c.s.” worden genoemd; eisers sub 1 en 2 zullen gezamenlijk “WWB en DCI-NL” worden genoemd; eisers sub 3 zullen “de individuele eisers” worden genoemd; verweerder zal “de Staat” worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 november 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 21 juni 2007.

De rechtbank heeft kennis genomen van de zich in het griffiedossier bevindende stukken, waaronder de stukken vermeld in het proces-verbaal van de comparitie van 21 juni 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij brief van 22 mei 2006 hebben Defence for Children c.s. de toenmalige Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (verder: de Minister), rechtsvoorganger van de huidige Staatssecretaris van Justitie, gesommeerd een passende voorziening te treffen, die voor de minderjarigen van wie zij de belangen behartigen, zeker zou stellen dat zij gebruik kunnen maken van de hen op grond van internationale rechtsregels toekomende rechten.

2.2. Bij brief van 12 juni 2006 heeft de Minister daarop afwijzend gereageerd.

3. Het geschil

3.1. Defence for Children c.s. vorderen, in essentie en samengevat weergegeven en na eiswijziging ter comparitie:

A. (1) een gebod aan de Staat om (in het Vreemdelingenbesluit dan wel de Vreemdelingencirculaire) een regeling tot stand te brengen ten behoeve van minderjarigen die vijf jaar of langer in Nederland verblijven, inhoudende dat zij zelfstandig een verblijfsvergunning kunnen aanvragen en verkrijgen op de grondslag dat zij gedurende tenminste deze termijn in Nederland verblijven;

(2) een verklaring voor recht dat het ontbreken van deze regeling onrechtmatig is jegens Defence for Children c.s.;

(3) (subsidiair) een gebod aan de Staat om de rechtsgevolgen van de afwijzende beslissingen (omtrent aanspraak op verblijfsvergunningen) voor minderjarigen op te heffen;

B. (1) een gebod aan de Staat een regeling in de Vreemdelingencirculaire op te nemen dat minderjarigen niet in vreemdelingenbewaring worden geplaatst tenzij voldoende zekerheid bestaat dat de betrokken minderjarige binnen uiterlijk 14 dagen uit Nederland zal worden uitgezet;

(2) een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig handelt jegens Defence for Children c.s. door minderjarigen (anders dan bedoeld in B.1) in vreemdelingenbewaring te plaatsen.

3.2. Aan het gevorderde onder A leggen Defence for Children c.s., in de kern genomen, ten grondslag dat de Staat onrechtmatig handelt door een situatie te laten bestaan waarin het voor minderjarigen onmogelijk is de verblijfsaanspraken, die zij kunnen ontlenen aan internationale rechtsregels, met name bepalingen in het EVRM, IVBPR en IVRK, verder: de ingeroepen bepalingen, in Nederland zelfstandig geldend te maken. Uit de ingeroepen bepalingen vloeit voort dat een minderjarige na een periode van verblijf in Nederland, in ieder geval na vijf jaar, een aanspraak op een verblijfsvergunning heeft. Defence for Children c.s. baseren deze stelling op de gevolgen die gedwongen vertrek uit Nederland na een verblijf van vijf jaar of langer voor minderjarigen heeft.

Bovendien moeten minderjarigen deze verblijfsvergunning zelfstandig kunnen aanvragen, omdat anders hun belangen onvoldoende kunnen worden gewogen en beoordeeld.

Aan het gevorderde onder B leggen Defence for Children c.s., in de kern genomen, ten grondslag dat het in vreemdelingenbewaring plaatsen van minderjarigen in strijd is met de ingeroepen bepalingen, tenzij dat plaatsvindt in de situatie bedoeld in B.1.

3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Voor zover WWB en DCI-NL ter comparitie hun vordering nader hebben toegelicht en verduidelijkt, in de zin zoals thans weergegeven in de rechtsoverwegingen 3.1. en 3.2., heeft de Staat ter comparitie aangegeven geen bezwaar te hebben tegen eventuele hierin vervatte eiswijzigingen.

Ontvankelijkheid

4.2. De individuele eisers (allen minderjarigen) hebben in deze procedure op eigen naam geprocedeerd. Dat roept de vraag op of zij in hun vorderingen kunnen worden ontvangen, nu uit artikel 1:245 BW volgt dat minderjarigen in rechte moeten worden vertegenwoordigd door hun ouders of andere wettelijk vertegenwoordigers. De rechtbank dient deze ontvankelijkheidsvraag ambtshalve te beantwoorden.

4.3. Van de zijde van Defence for Children c.s. is ter comparitie betoogd dat uit artikel 3 IVRK voortvloeit dat aan minderjarigen de gelegenheid moet worden gegeven om zelfstandig te procederen, om welke reden de rechtbank hen met voorbijgaan aan hetgeen in artikel 1:245 BW is bepaald, moet ontvangen in de vorderingen. Artikel 3 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.

3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht.”

4.4. Het standpunt van Defence for Children c.s. moet worden verworpen. Voor zover artikel 3 IVRK al rechtstreekse werking toekomt, vloeit daaruit niet voort dat de daarin bedoelde belangen van een kind alleen gewaarborgd kunnen worden als een kind zelfstandig mag procederen. Niet valt in te zien dat deze belangen onvoldoende worden gewaarborgd indien de wettelijk vertegenwoordiger namens het kind in rechte moet optreden. Van strijd van artikel 1:245 BW met de verdragsbepaling is dan ook geen sprake.

4.5. WWB en DCI-NL zijn wel ontvankelijk in hun vorderingen omdat de daarmee te beschermen belangen zijn te begrijpen onder de in hun statuten vermelde doelstellingen, welke belangen zij bovendien in hun feitelijke werkzaamheden nastreven. De hiervoor bedoelde belangen zijn naar het oordeel van de rechtbank zodanig eenvormig dat zij, anders dan de Staat heeft aangevoerd, kunnen worden gebundeld.

Omtrent het gevorderde onder (A)

4.6. Ter onderbouwing van het gevorderde onder A hebben WWB en DCI-NL uitvoerig uiteengezet, onder verwijzing naar de in het geding gebrachte producties, dat en waarom minderjarigen die vijf jaar of langer verblijf houden in Nederland vanwege dat verblijf hier aanspraak zouden moeten hebben op een verblijfsvergunning. De in artikel 3.4 van het Vreemdelingenbesluit opgenomen verblijfsredenen voorzien hier niet in, en kunnen bovendien niet zelfstandig door minderjarigen worden aangevraagd. Daarom moet de bestaande vreemdelingenregelgeving, en het ter uitvoering daarvan vastgestelde beleid, onrechtmatig worden geoordeeld in het licht van de ingeroepen bepalingen.

4.7. De Staat heeft gesteld dat minderjarigen, voor zover alleenstaand, wel degelijk zelfstandig ambtshalve dan wel op aanvraag voor een verblijfsvergunning in aanmerking kunnen komen. Ten aanzien van andere minderjarigen heeft de Staat gesteld dat zij op grondslag van een mede namens hen en ten behoeve van hen door hun ouders c.q. andere vertegenwoordigers ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning in aanmerking kunnen komen. In uiterste gevallen, voor zover geen specifieke verblijfsreden als bedoeld in artikel 3.4 lid 1 van het Vreemdelingenbesluit valt aan te wijzen, kan een verblijfsvergunning worden verleend op basis van lid 3 van dit artikel. Dat er geen specifieke verblijfsgrond in artikel 3.4. lid 1 van het Vreemdelingenbesluit is opgenomen zoals door WWB en DCI-NL gevorderd, staat derhalve niet aan het verlenen van een verblijfsvergunning in de weg indien de individuele situatie van een minderjarige daartoe aanleiding geeft. Deze bepaling kan ook tot het treffen van een voorziening voor een categorie vreemdelingen leiden. De Staat heeft in dat verband gewezen op de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet, Strct. 13 juni 2007, nr. 111 (in de volksmond “generaal pardon”), die er overigens, naar ter comparitie is gebleken, toe zal leiden dat een belangrijk deel van de individuele eisers alsnog een verblijfsvergunning zal krijgen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4.8. Naar oordeel van de rechtbank is in de ingeroepen bepalingen, voor zover zij al rechtstreekse werking hebben, geen aanknopingspunt te vinden voor de conclusie dat minderjarigen na een verblijf van vijf jaar in Nederland in alle gevallen een verblijfsvergunning zouden moeten krijgen. Evenmin is hierin een aanknopingspunt te vinden voor het betoog van WWB en DCI-Nl dat minderjarigen zelfstandig een aanvraag voor een verblijfsvergunning moeten kunnen indienen. Dit betoog is met name terug te voeren op de stelling dat uit de verdragsbepalingen voort vloeit dat de belangen van de minderjarigen afzonderlijk moeten worden gewogen, wat alleen zou kunnen worden bereikt door een zelfstandige aanvraag. In de ingeroepen bepalingen valt echter niet te lezen dat het wegen van de belangen van minderjarigen niet op toereikende wijze zou kunnen plaatsvinden in het kader van verblijfsrechtelijke procedures zoals die in de geldende Nederlandse regelgeving voor hen open staan.

Nu van strijd van de bestaande regeling met internationale verdragsbepalingen geen sprake is, is voor een oordeel van de rechtbank over het gevoerde vreemdelingenbeleid, gelet op de scheiding der machten, geen ruimte.

4.9. WWB en DCI-NL hebben verder nog betoogd dat het vaak voorkomt dat in individuele gevallen de aanvraag voor een verblijfsvergunning wordt afgewezen, op grond van het gevoerde restrictieve vreemdelingenbeleid, welke afwijzing bij toetsing van het daartoe strekkende besluit door de bestuursrechter in stand wordt gelaten, mede vanwege de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Wat daar van zij, de toetsing van besluiten omtrent verblijfsvergunningen, en in dat kader van het gevoerde beleid, is door de wetgever aan de bestuursrechter opgedragen. Daarbij wordt, naar niet in geschil is tussen partijen, ook aan de ingeroepen bepalingen getoetst. Er staat derhalve, naar de Staat terecht heeft gesteld, een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open, voor zover in een individueel geval een zodanige vergunning wordt geweigerd. De uitkomst van deze individuele procedures dient de rechtbank derhalve voor rechtmatig te houden. Dat een aantal minderjarigen geen verblijfsvergunning krijgt of heeft gekregen, is daarom niet als onrechtmatig te beschouwen. Dat WWB en DCI-NL zich in veel gevallen niet met de uitkomst van de bestuursrechtelijke rechtsgang kunnen verenigen maakt dit niet anders.

4.10. Uit het vorenstaande volgt dat geen sprake is van een onrechtmatige daad als gesteld onder A.2. De gevorderde verklaring voor recht moet daarom worden afgewezen. Daarmee is tevens het lot van de vorderingen onder A.1 en A.3 bezegeld.

Omtrent het gevorderde onder (B)

4.11. Ten aanzien van de vorderingen met betrekking tot het in vreemdelingenbewaring nemen van minderjarigen overweegt de rechtbank, dat naar WWB en DCI-NL in de dagvaarding hebben erkend, het in detentie, waaronder vreemdelingenbewaring, plaatsen van minderjarigen op zichzelf niet categorisch is verboden op grond van de door hen ingeroepen bepalingen. Naar het oordeel van de rechtbank vallen de door WWB en DCI-NL subsidiair bepleitte beperkingen evenmin dwingend uit de ingeroepen bepalingen af te leiden. Voor zover aan de vordering onder B ten grondslag ligt dat het geldende beleid in individuele gevallen leidt tot vreemdelingenbewaring die te lang duurt of plaatsvindt onder te zeer beperkende omstandigheden, geldt dat daartegen, naar de Staat heeft aangevoerd, bestuursrechtelijke rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. De civiele rechter komt derhalve in deze geen taak toe, nu er een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open staat voor de betrokken minderjarigen. Ook hiervoor geldt dat de omstandigheid dat WWB en DCI-NL zich veelal niet met de uitkomst daarvan kunnen verenigen dit niet anders maakt.

Voor zover de vordering onder B strekt tot het aan de Staat opdragen van het totstandbrengen van beleid geldt eveneens dat, gelet op de scheiding der machten, daarvoor geen ruimte is.

Ook in zoverre is dus geen sprake van een onrechtmatige daad van de Staat jegens WWB en DCI-NL en wordt de vordering afgewezen.

Slotsom

4.12. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen geheel worden afgewezen.

Defence for Children c.s. worden als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, welke veroordeling op verzoek van de Staat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

5. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de individuele eisers niet-ontvankelijk;

- wijst de vorderingen van WWB en DCI-NL af;

- veroordeelt Defence for Children c.s in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de Staat tot op deze uitspraak vastgesteld op € 248,-- aan verschotten en € 904,-- aan salaris van de procureur, te vermeerderen met de wettelijke rente over beide bedragen ingaande veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit vonnis;

- verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L. Verbeek, mr. D. Aarts en mr. W.A. Jacobs en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2007.?