Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB2867

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-08-2007
Datum publicatie
05-09-2007
Zaaknummer
Awb 07/12011
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijfsvergunning regulier / voortgezet verblijf / klemmende redenen van humanitaire aard / seksueel geweld / zorgvuldige voorbereiding / motivering

Eiseres was in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij partner X”. Op enig moment heeft zij een aanvraag ingediend tot het wijzigen van de beperking in “voortgezet verblijf”, waarbij zij heeft aangegeven dat de relatie is verbroken. Bij de aanvraag heeft zij een proces-verbaal van aangifte van geweld met letsel overgelegd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de volgens het beleid vereiste verklaring van een (vertrouwens)arts niet is overgelegd, ook al is het volgens het beleid vereiste proces-verbaal van aangifte er wel. Hoewel in de gelegenheid gesteld de aanvraag aan te vullen met bedoelde verklaring, heeft eiseres dat niet gedaan en heeft zij volstaan met het insturen van een verklaring van de Stichting Vrouwenopvang over de opname en het verblijf van eiseres in een blijf-van-mijn-lijfhuis. Volgens verweerder is niet genoegzaam aangetoond dat huiselijk geweld heeft geleid tot feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich met de bij brief van 19 juni 2006 geboden mogelijkheid tot overlegging van een verklaring van een (vertrouwens)arts beperkt heeft tot het noemen van een van de mogelijkheden tot het leveren van bewijs van seksueel geweld. Verweerder heeft eiseres niet duidelijk gemaakt wat in het kader van het door haar aan te voeren bewijs van haar wordt verwacht, mocht zij niet aan genoemde eis (kunnen) voldoen. Met de beschikking heeft verweerder eiseres afgerekend op in de ogen van verweerder ontbrekende informatie, terwijl eiseres vanuit haar optiek heeft gemeend aan de haar opgelegde bewijslast te hebben voldaan. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de ABRS van 14 juni 2006, 200508554/1 (AB 2006, 331). De bestreden beschikking is vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel en het beroep is gegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/488

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Groningen, vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 07/12011

Uitspraak in het geschil tussen:

[Eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1978,

van Nigeriaanse nationaliteit,

V-nummer: 270.314.1301,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.M. Westerhuis, advocaat te Leeuwarden,

en

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

voorheen de Minister van Justitie,

daarvoor de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

(Immigratie-en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.D. Gunster, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 23 mei 2006 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het wijzigen van de haar verleende verblijfsvergunning regulier onder de beperking “verblijf bij partner [partner]” in “voortgezet verblijf”. Verweerder heeft bij beschikking van 31 augustus 2006 afwijzend op de aanvraag beslist. Bij beschikking van dezelfde datum heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met terugwerkende kracht, ingetrokken met ingang van 26 december 2005.

1.2. Eiseres heeft tegen beide beschikkingen op 25 september 2006 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 1 maart 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Bij beroepschrift van 19 maart 2007 heeft eiseres tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 5 april 2007 zijn de gronden van beroep ingediend.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres toegezonden en haar in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 6 augustus 2007. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten

2.1. Eiseres is met ingang van 16 februari 2004 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij partner

[partner]”, geldig tot 16 februari 2005 en verlengd tot 18 mei 2008.

2.2. Op 23 mei 2006 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het wijzigen van de beperking van voornoemde verblijfsvergunning in de beperking “voortgezet verblijf”. Bij deze aanvraag heeft eiseres aangegeven dat de relatie met [partner] verbroken is. Zij heeft bij de aanvraag een proces-verbaal van aangifte van geweld met letsel van 27 december 2005 overgelegd.

Standpunten van partijen

2.3. Verweerder stelt dat het geding zich beperkt tot de vraag of verweerder op goede gronden de aanvraag om voortgezet verblijf heeft afgewezen en niet ook tot de vraag of verweerder de verblijfsvergunning terecht heeft ingetrokken. In dit kader stelt verweerder dat weliswaar tegen beide beschikkingen van 31 augustus 2006 bezwaar is gemaakt, maar dat slechts tegen de beschikking waarin de aanvraag van 23 mei 2006 is afgewezen, gronden van bezwaar zijn ingediend.

In de beschikking in primo stelt verweerder zich op het volgende standpunt. Eiseres voldoet niet aan een of meer van de in artikel 3.51, eerste lid, onder a, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) opgenomen voorwaarden. Zij verblijft immers niet drie jaar als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, nu bij beschikking van 31 augustus 2006 de haar met ingang van 16 februari 2004 verleende vergunning is ingetrokken met ingang van 26 december 2005. Er bestaat dan ook geen aanleiding eiseres de gevraagde vergunning op grond van artikel 3.51, eerste lid, onder a, Vb 2000 te verlenen. Ingevolge artikel 3.52 Vb 2000 kan in andere gevallen dan genoemd in artikel 3.51 Vb 2000 de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 Vw 2000 onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, Vw 2000 heeft gehad en van wie naar het oordeel van de Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat. Ingevolge het ter zake gevoerde beleid wordt, indien de (huwelijks)relatie op grond waarvan het verblijf was toegestaan, binnen drie jaar na verblijfsaanvaarding en anders dan door overlijden, is verbroken, voortgezet verblijf toegestaan, indien sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die daartoe aanleiding geven. Klemmende redenen van humanitaire aard kunnen onder meer gelegen zijn in aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie. Ingevolge hoofdstuk B 2/5.3.3 Vc 2000 wordt hieraan zwaar gewicht toegekend. Dit betekent dat naast deze factor niet aan één van de andere factoren die als klemmende redenen van humanitaire aard kunnen worden aangemerkt, hoeft te worden getoetst. Geweld, waaronder seksueel geweld, dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie, wordt aangetoond aan de hand van een proces-verbaal van de aangifte en een verklaring van een (vertrouwens)arts of aan de hand van een verklaring van het Openbaar Ministerie en een verklaring van een (vertrouwens)arts. Weliswaar heeft eiseres een proces-verbaal van aangifte van geweld met letsel van 27 december 2005 overgelegd, maar een verklaring van een (vertrouwens)arts ontbreekt. Bij brief van 19 juni 2006 is eiseres in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen met een dergelijke verklaring. Eiseres heeft daarop echter alleen een verslag van de Stichting Vrouwenopvang Fryslan van 17 juli 2006 overgelegd, over de opname en verblijf van eiseres in het blijf-van-mijn-lijfhuis in Leeuwarden. Met die verklaring neemt verweerder echter geen genoegen, nu de opsteller van de verklaring geen (vertrouwens)arts is. De omstandigheid dat diverse mensen kunnen getuigen van de gebeurtenissen leidt evenmin tot een ander oordeel. Derhalve is niet genoegzaam aangetoond dat huiselijk geweld heeft geleid tot feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie. Niet is gebleken van overige klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan aan eiseres voortgezet verblijf zou moeten worden verleend. Er is geen grond om aan te nemen dat sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan voortgezet verblijf ingevolge artikel 3.52 Vb 2000 aan eiseres dient te worden toegestaan. De aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking “voortgezet verblijf” wordt derhalve afgewezen. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan, bij afweging van alle aan de orde komende belangen, toch aanleiding bestaat de aanvraag in te willigen.

In de beschikking op bezwaar heeft verweerder het volgende overwogen. Een verklaring van een (huis- of vertrouwens)arts ontbreekt in de bewijsvoering van betrokkene. Ook in bezwaar is een dergelijke verklaring niet overgelegd. In hoofdstuk B 16/7 Vc 2000 is specifiek aangegeven waarmee men kan aantonen dat sprake was van geweld dat tot de feitelijke verbreking van de relatie heeft geleid. Met een verklaring van een hulpverlener, niet zijnde een arts, kan geen genoegen worden genomen. Voorts is ook in bezwaar niet gebleken van overige klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan betrokkene in aanmerking zou kunnen komen voor voortgezet verblijf.

2.4. Eiseres vindt dat het, gelet op de onderlinge samenhang tussen beide besluiten, zonder meer duidelijk is dat het bezwaar zich richt tegen beide beschikkingen. Naar haar mening beperkt het geding zich dan ook niet tot de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking “voortgezet verblijf”.

Eiseres stelt dat haar geval beoordeeld dient te worden in de context van wat er aantoonbaar gebeurd is. De politie heeft eiseres in de woning van [partner] gevonden. Elektriciteit, water en verwarming waren door hem afgesloten. De temperatuur lag beneden het vriespunt. Eiseres was mishandeld. De politie vond hetgeen zij hebben aangetroffen, gewaarschuwd door een buurvrouw, dusdanig ernstig dat zij haar direct hebben meegenomen en hebben overgebracht naar een beschermde, veilige plek, een blijf-van-mijn-lijfhuis. Dit alles heeft plaatsgevonden op de avond van tweede kerstdag. Naast het opgemaakte proces-verbaal bevestigen medewerkers van het opvanghuis dat eiseres mishandeld is. Bovendien heeft eiseres eerdere mishandelingen (fysiek, mentaal en seksueel) besproken met haar docente Nederlands op het Horizoncollege te Alkmaar, de pastoor van de kerk die ze bezocht in Amsterdam en met haar buurvrouw. De buurvrouw heeft, gezien de mensonterende situatie waarin zij eiseres heeft aangetroffen, geheel terecht de politie gewaarschuwd. Het is dan ook onbegrijpelijk dat verweerder de aanvraag heeft afgewezen, enkel omdat eiseres en evenmin de politie op de avond van de tweede kerstdag een vertrouwensarts hadden ingeschakeld. In de gronden van bezwaar is reeds geciteerd uit B 2/5.3.5 Vc 2000. Naar eiseres aanneemt zijn medewerkers van een blijf-van-mijn-lijfhuis hulpverleners als aldaar bedoeld. In ieder geval zijn zij deskundigen als het gaat om behandeling van mishandelde vrouwen. Ook al zou strikt worden vastgehouden aan een verklaring van een vertrouwensarts, dan nog blijkt uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd dat de aanvraag beoordeeld dient te worden op grond van artikel 3.52 Vb 2000. In individuele gevallen wordt altijd bezien of het voortgezet verblijf moet worden aanvaard op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, waarbij de relevante belangen moeten worden afgewogen.

Beoordeling van het beroep

2.5. De rechtbank stelt vast dat eiseres zowel tegen de beschikking tot intrekking van de verblijfsvergunning als tegen de beschikking tot afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning, bezwaar heeft ingesteld. Na een daartoe gegeven herstel verzuim door verweerder voor het indienen van de gronden van het bezwaar, zowel inzake de beschikking tot intrekking als de beschikking tot afwijzing, heeft eiseres bij brief van 9 oktober 2006 de gronden van bezwaar ingediend. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of die gronden van bezwaar zich richten tegen beide beschikkingen. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de gronden van bezwaar te worden aangemerkt als gericht tegen beide beschikkingen, gezien de onderlinge samenhang daarvan. Het belang van eiseres bij de beoordeling van haar bezwaar en beroep tegen de afwijzing van haar aanvraag tot wijziging van de beperking, waaronder haar verblijfsvergunning is verleend, is uit de aard der zaak verbonden met de handhaving van deze verblijfsvergunning. Het veilig stellen van dit procesbelang acht de rechtbank voldoende om het geding in bezwaar en beroep mede gericht te achten op de intrekking, ook zonder expliciete gronden gericht tegen deze intrekking.

2.6. De verblijfsvergunning regulier, zoals bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), kan worden afgewezen op de gronden genoemd in artikel 16, eerste lid Vw 2000. De bijzondere voorwaarden, waaronder een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdende met het verblijfsdoel voortgezet verblijf wordt verleend, zijn nader uitgewerkt in B 16 Vc 2000.

2.7. Artikel 3.52 Vb 2000 luidt als volgt:

“In andere gevallen dan genoemd in de artikelen 3.50 en 3.51, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Wet heeft gehad en van wie naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.”

2.8. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk heeft aangegeven dat het beleid ten tijde van de afgifte van de beschikking in primo inhoudelijk niet anders was dan het beleid dat gold ten tijde van afgifte van de beschikking op bezwaar.

2.9. Het ter zake gevoerde beleid is neergelegd in hoofdstuk B 16/7 Vc 2000. Daarin staat dat indien de (huwelijks)relatie op grond waarvan het verblijf was toegestaan binnen drie jaar na verblijfsaanvaarding en anders dan door overlijden, is verbroken, voortgezet verblijf wordt toegestaan, indien sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die daartoe aanleiding geven. De beoordeling of in het concrete geval op grond van een dergelijke combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard in het voortgezet verblijf van de vreemdeling behoort te worden berust, is aan de Minister.

2.10. In voornoemde paragraaf van de Vc 2000 staat voorts dat klemmende redenen van humanitaire aard kunnen zijn gelegen in:

a. de situatie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst;

b. de maatschappelijke positie van vrouwen in het land van herkomst;

c. de vraag of in het land van herkomst een naar maatstaven van dat land aanvaardbaar te achten opvang aanwezig is;

d. de zorg die de vrouw/ouder heeft voor kinderen die in Nederland zijn geboren en/of

een opleiding volgen; en

e. aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie.

2.11. In de toelichting op e. is in het beleid het volgende opgenomen:

“Aan deze laatste factor wordt in de belangenafweging een zwaar gewicht toegekend. Dit betekent dat naast deze factor niet aan één van de andere factoren (nummers 1-4) dient te worden getoetst. Geweld, waaronder seksueel geweld dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie, wordt aangetoond aan de hand van een proces-verbaal van de aangifte en een verklaring van een (vertrouwens)arts.

In gevallen waarin het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld, dus zonder dat betrokkene aangifte van (seksueel) geweld heeft gedaan, kan geweld worden aangetoond door middel van een verklaring van het OM dan wel van de politie. Tevens is een verklaring van een (vertrouwens)arts vereist.

Deze regeling treedt met terugwerkende kracht in werking op 17 oktober 2003. Dit is de datum waarop de brief van de Minister, waarin deze regeling wordt aangekondigd, aan de Tweede Kamer is aangeboden.

Indien er een beroep wordt gedaan op (seksueel) geweld, zonder dat dit op de voorgaande wijze kan worden aangetoond, kan dit betrokken worden bij de beoordeling of sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die aanleiding geven voortgezet verblijf toe te staan.”

2.12. Bij brief van 19 juni 2006 heeft verweerder de gemachtigde van eiseres meegedeeld dat vanwege het ontbreken van enkele gegevens niet naar behoren op de aanvraag kan worden beslist. Verweerder heeft daarbij het volgende meegedeeld:

“Hierbij stel ik betrokkene in de gelegenheid de aanvraag met de hierna genoemde bescheiden en/of gegevens aan te vullen:

Een verklaring van een (vertrouwens)arts waaruit blijkt van het ondervonden huiselijk geweld.

Opgemerkt wordt dat een proces-verbaal van aangifte alleen onvoldoende is.

Als volgens u sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die bij de beslissing zouden moeten worden betrokken, dan dient u hierover een schriftelijke verklaring bij te voegen. U dient deze verklaring zo veel als mogelijk met bewijsstukken te onderbouwen.”

2.13. In reactie op voormelde brief van 19 juni 2006 van verweerder heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 27 juni 2006 meegedeeld dat gezien het verloop van de gebeurtenissen op de avond van tweede kerstdag 2005 eiseres niet meer naar een arts in Heerhugowaard heeft kunnen gaan. Voorts is in die brief aangegeven te kunnen zorgen voor een getuigenverklaring van de buurvrouw, indien nodig en verder dat een verklaring kan worden gevraagd van de vertrouwenspersoon van de vrouwenopvang waar eiseres is geplaatst. Vervolgens heeft eiseres bij brief van 20 juli 2006 een brief van 17 juli 2006 van [medewerkster], medewerkster van de Stichting Vrouwenopvang Fryslan ingezonden. In de brief van 20 juli 2006 heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat uit de brief van 17 juli 2006 blijkt dat van diverse mensen/instanties, indien verweerder dat nodig acht, een getuigenverklaring gevraagd kan worden. Ten slotte heeft de gemachtigde meegedeeld dat eiseres op 26 december 2005 door de politie rechtstreeks naar de Vrouwenopvang is gebracht en dat die opvang als “vertrouwensinstantie” is gekwalificeerd.

2.14. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder de afwijzing van de aanvraag van eiseres kon baseren op het enkele gegeven dat zij geen gehoor heeft gegeven aan de bij brief van 19 juni 2006 geboden mogelijkheid tot overlegging van een verklaring van een (vertrouwens)arts. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat verweerder zich met de brief van 19 juni 2006 beperkt heeft tot het benoemen van een van de mogelijkheden tot het leveren van bewijs van seksueel geweld. Niet is duidelijk gemaakt aan eiseres wat van haar in het kader van het door haar aan te voeren bewijs van haar wordt verwacht, mocht zij niet aan deze eis (kunnen) voldoen. Volstaan is met de mededeling dat zij bijzondere feiten of omstandigheden naar voren kan brengen die volgens haar bij de beslissing zouden moeten worden betrokken. Blijkens de brief van 27 juni 2006 van eiseres met de daarin gegeven uitleg over de gang van zaken op de desbetreffende avond en daarenboven de brief van 20 juli 2006, met het daarbij – als bewijs – ingebrachte verslag van de Stichting Vrouwenopvang Fryslan heeft eiseres de in haar ogen van belang zijnde omstandigheden voor de beoordeling aan verweerder kenbaar gemaakt. Uit het verslag van 17 juli 2006 blijkt dat eiseres op maandagavond 26 december 2005 is aangekomen in meerbedoelde opvang. Verweerder heeft hier niet anders op gereageerd dan met de afgifte van de beschikking in primo. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de in de beschikking in primo gegeven motivering op bladzijde 3, derde alinea, onbehoorlijk gereageerd op hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht. Voorts heeft verweerder eiseres niet dan wel onvoldoende duidelijk gemaakt welke gegevens verweerder nodig had voor zijn beslissing. Eiseres was slechts gehouden een adequate reactie te geven op de brief van verweerder van 19 juni 2006. Dat heeft zij gedaan. Met de beschikking in primo is eiseres afgerekend op in de ogen van verweerder ontbrekende informatie, terwijl zij vanuit haar optiek heeft gemeend aan de haar opgelegde bewijslast te hebben voldaan. Uit de opstelling van verweerder leidt de rechtbank af dat verweerder geen aanleiding heeft gezien voor nader onderzoek. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder, door eiseres niet van te voren dan wel in reactie op haar brieven van 27 juni 2006 en van 20 juli 2006 duidelijk te maken dat voor hem van belang is dat eiseres bewijs overlegt van de gestelde mishandeling en niet duidelijk te maken op grond waarvan de brief van de vrouwenopvang daaraan niet zou (kunnen) voldoen, de beschikking van 1 maart 2007 onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en dientengevolge onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 juni 2006, 200508554/1 (AB 2006, 331). Daarenboven acht de rechtbank van belang dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard het verslag van de vrouwenopvang als een zeer sterke indicatie te zien voor de stelling dat eiseres slachtoffer is geworden van huiselijk geweld.

2.15. Het voorgaande klemt te meer, nu blijkens de aanduiding van het ter zake geldende beleid als neergelegd in de beschikking in primo, gerelateerd aan de gronden van bezwaar, het kennelijk voor eiseres niet duidelijk is geweest welk beleid door verweerder is toegepast. Verweerder is hier in de beschikking op bezwaar in het geheel niet ingegaan. Hetgeen onder voorgaande rechtsoverweging is overwogen klemt eens te meer, omdat in de toelichting op e. als eerder aangegeven, staat dat indien er een beroep wordt gedaan op (seksueel) geweld, zonder dat dit op de aldaar aangegeven wijze kan worden aangetoond, dit betrokken kan worden bij de beoordeling of sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die aanleiding geven voortgezet verblijf toe te staan. De stelling van verweerder ter zitting dat eiseres in dat kader geen combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard heeft aangevoerd maakt het voorgaande niet anders, nu verweerder niet aan eiseres kenbaar heeft gemaakt dat de combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard in de beoordeling kon worden betrokken. Niet valt dan ook in te zien op grond waarvan eiseres had moeten (kunnen) weten dat te dien aanzien van haar in het kader van de stelplicht argumenten verwacht werden.

2.16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bestreden beschikking is genomen in strijd met het in artikel 3:2 Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel en het in artikel 3:46 Awb neergelegde motiveringbeginsel. De beschikking dient dan ook te worden vernietigd en het beroep dient gegrond te worden verklaard. Verweerder dient opnieuw op het bezwaar te beslissen, waarbij als uitgangspunt geldt dat het bezwaar mede is gericht op de beschikking tot intrekking.

2.17. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat thans aanleiding. Het bedrag van de te vergoeden proceskosten moet naar het oordeel van de rechtbank worden bepaald op € 644,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking van 1 maart 2007;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beschikking dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres van € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad € 143,-.

Aldus gegeven door mr. H.C.P. Venema en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van H.M. Eleveld als griffier op 14 augustus 2007.

Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: