Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB2821

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
04-09-2007
Zaaknummer
09/754129-04 (eindvonnis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van moord, meermalen gepleegd. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich tezamen en in vereniging met zijn mededader schuldig heeft gemaakt aan de moord op twee nog zeer jonge mannen. De zich in het dossier bevindende foto's van de met bloed doordrenkte kleding van de slachtoffers en de beide sectierapporten -waaruit blijkt van respectievelijk 33 en 43 steek- en snijwonden bij de slachtoffers- maken duidelijk dat de slachtoffers op gruwelijke wijze om het leven zijn gebracht. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt weliswaar niet dat het verdachte is geweest die de slachtoffers de steek- en snijwonden heeft toegebracht, maar hij moet gelet op zijn essentiële aandeel in strafrechtelijke zin wel als medepleger verantwoordelijk worden gehouden voor de dood van beide slachtoffers. Deze moorden hebben, gelet op de buitengewoon weerzinwekkende wijze waarop deze, inclusief het nadien verbergen van de slachtoffers, ingemetseld achter een muur, zijn gepleegd, en waaruit het volstrekte gebrek aan respect voor een mensenleven is gebleken, niet alleen de samenleving diep geschokt maar ook en met name de naaste verwanten van de slachtoffers - die door toedoen van verdachte en zijn mededader(s) ook nog eens 6 weken in onzekerheid hebben verkeerd over het lot van hun dierbare- zeer veel en onherstelbaar leed berokkend. Gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 09/754129-04

RECHTBANK `S-GRAVENHAGE

Meervoudige strafkamer

Uitspraak: 4 september 2007

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte B],

geboren op [geboortedatum] 1946 te [geboorteplaats],

verblijvende in de P.I. Flevoland, Huis van Bewaring Almere Binnen te Almere.

Bij tussenvonnis van 25 januari 2007, dat hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:

" dat het onderzoek niet volledig is geweest, omdat enerzijds onvoldoende duidelijkheid bestaat over de situering van de genoemde aangetroffen voorwerpen in [straat 1 - huisnummer] ten tijde van en in relatie tot de gebeurtenissen op 12 augustus 2004 en anderzijds onvoldoende duidelijkheid bestaat over de exacte toedracht en locatie van de fatale steekpartij. Dientengevolge ziet de rechtbank in de eerste plaats aanleiding tot het nader horen als getuige van [F] met betrekking tot de situatie in zijn kamer in de [straat 1 - huisnummer ] voor wat betreft de aanwezige meubelen en eventueel andere voorwerpen. Voorts ziet de rechtbank aanleiding, met name gelet op de verklaringen van de deskundigen Eversdijk en Eikelenboom, een nader deskundigenonderzoek plaats te laten vinden naar de aanwezigheid van sporen in het pand [straat 1 - huisnummer ], die in verband gebracht kunnen worden met de gewelddadige dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. "

Bij dat tussenvonnis is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de rechter-commissaris in deze rechtbank, teneinde een nader deskundigenonderzoek plaats te laten vinden naar de aanwezigheid van sporen in het pand [straat 1 - huisnummer ], die in verband gebracht kunnen worden met de gewelddadige dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Als deskundige is door de rechter-commissaris R. Eikelenboom benoemd, die vervolgens onderzoek heeft verricht als opgedragen. Hij heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport, gedateerd 12 maart 2007.

Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens voortgezet op 16 april 2007, waar de getuige [F] en de deskundige Eikelenboom zijn gehoord. Het onderzoek ter terechtzitting is toen geschorst voor onbepaalde tijd en de zaak is verwezen naar de rechter-commissaris, teneinde de deskundige Eikelenboom voornoemd als deskundige aan te wijzen en om de getuige [C] te horen, zodra deze zich in Nederland bevindt.

Het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek (FLDO) heeft onderzoek verricht naar de sporen als genoemd in het rapport van de deskundige Eikelenboom van 12 maart 2007. Diens bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 18 juni 2007.

De rechtbank heeft het onderzoek hervat op 21 juni 2007 en vervolgens geschorst tot de terechtzitting van 21 augustus 2007 en de zaak verwezen naar de rechter-commissaris, teneinde de deskundige R. Eikelenboom nader te doen rapporteren met betrekking tot een bloedspooranalyse, tevens teneinde de getuige [C] te horen en nader onderzoek te laten verrichten met betrekking tot DNA-profielen.

De deskundige Eikelenboom heeft op 9 augustus 2007 gerapporteerd en is onder meer tot de volgende conclusie gekomen:

"Op grond van alle uitgevoerde onderzoeken naar bloed is er geen steun voor de hypothese dat de slachtoffers gewond zijn geraakt buiten kamer 1. Door de verbouwingswerkzaam-heden kunnen aanwezige bloedsporen zijn verwijderd. Daarom kan niet worden uitgesloten dat de slachtoffers buiten kamer 1 gewond zijn geraakt."

Het onderzoek ter terechtzitting heeft laatstelijk plaatsgevonden op 21 augustus 2007. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.G.L. van Ardenne, advocaat te Rotterdam.

De officier van justitie, mr. P. Spoon, heeft ter terechtzitting haar vordering van 10 januari 2007 gehandhaafd, in die zin dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar, met aftrek van voorarrest.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

De raadsman van verdachte heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens schending van artikel 6 EVRM. De rechtbank heeft zich eerder bij tussenvonnis uitgelaten over een eventuele schending van dit artikel voor wat betreft de periode tot aan de datum van dit tussenvonnis. Met verwijzing naar de hierboven opgesomde processuele onderzoekshandelingen is de rechtbank thans onverkort van oordeel dat er geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM zodat dit betoog faalt.

BEWIJS

Op vrijdag 13 augustus 2004 wordt aangifte gedaan van de vermissing van [slachtoffer 1] (toen 25 jaar) en [slachtoffer 2] (toen 24 jaar), beiden afkomstig uit [plaats]. De beide mannen werden voor het laatst gezien op 12 augustus 2004, omstreeks 10.00 uur 's-morgens. Door naaste familieleden van de mannen werd medegedeeld dat zij hadden gehoord dat de mannen op 12 augustus naar Den Haag waren gegaan om een bedrag van ca. € 160.000,-- te gaan halen bij een man, genaamd [C]. Ze waren vertrokken in de rode Volkswagen Golf van [slachtoffer 1]. Deze werd op 25 augustus 2004 aangetroffen in de Haagse [straat 2], zonder een spoor van beide mannen.

In de periode april 2004 tot augustus 2004 heeft zich in Den Haag een aantal wederrechtelijke vrijheidsberovingen c.q. afpersingen voorgedaan t.a.v. de aangevers. [G], [C] en [verdachte B] (verder: vader) [B]. [G] onderhield zakelijke contacten met [C] en was werkzaam in het pand in Den Haag waar voorheen [C] werkzaam was. Het motief voor deze feiten zou een schuld van ongeveer € 160.000,-- zijn, welk bedrag een zwager van [C] verschuldigd zou zijn aan [slachtoffer 1]. Deze zwager, [H], was inmiddels naar Suriname vertrokken, waarna geprobeerd werd het geld te verkrijgen van [G], omdat gedacht werd dat [H] voor [G] had gewerkt. Vervolgens werd geprobeerd het geld te verkrijgen via [C], de zwager van [H]. Door [C] worden op 17 augustus 2004 aan de hand van foto's [ I ] en [slachtoffer 1] aangewezen als daders van de vrijheidsberovingen en afpersingen.

Op 7 september 2004 komt een proces-verbaal van de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid van regio-politie Rotterdam-Rijnmond binnen met - kort samengevat - de volgende informatie:

- vader [verdachte B] en [C] zijn kortgeleden ontvoerd door drie mannen;

- vader [verdachte B] heeft een dochter, genaamd [ J ];

- [J ] heeft een relatie met [H]. Beiden zijn actief in de huizenmarkt/makelaardij;

- de ontvoeringen hebben te maken met criminele activiteiten van [A] en [H];

- de ontvoerders hebben te kennen gegeven dat ze geld willen hebben van [C];

- vader [verdachte B] heeft gezegd dat hij de ontvoerders naar een woning zou lokken, waar hij vrienden zou verbergen als de ontvoerders nog terug zouden komen. De ontvoerders zouden de woning niet levend verlaten.

Naar aanleiding van deze CIE-informatie vindt een inventarisatie plaats van de panden die op naam van [C] en [G] staan. Op 23 september 2004 vinden vervolgens op 23 locaties doorzoekingen plaats. In het laatste pand, aan de [straat 3] te Den Haag, een pand dat in eigendom toebehoort aan [C], wordt door bloed- en lijkhonden een bloed- en lijkengeur in een verborgen ruimte waargenomen. Bij meting bleek dat er achter een toilet een ruimte van ongeveer een bij een meter moest zijn, die aan vier zijden was afgesloten en onbereikbaar was. De ruimte wordt gesloopt en na afronding van de sloopwerkzaamheden worden op 25 september 2004 in die ruimte de lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aangetroffen. De lichamen waren ingepakt in transparant folie en in een tapijt verpakt en dichtgebonden met een stuk oranje touw. De verpakte slachtoffers waren in een kast of nis gelegd, die was afgesloten met houten vezelplaten. Op de lichamen was eerst een grote laag beton tot een hoogte van 150 centimeter gestort en daarna zand en losse bakstenen. De muur van de ruimte was verder tot het bestaande metselwerk met bakstenen opgetrokken en vervolgens was de wand met witte tegels betegeld.

Uit sectie is gebleken dat [slachtoffer 1] door 43 tot 45 steek- en snijwonden om het leven is gebracht met beschadiging van onder meer de borstkas, hart en longen. Er zijn verwondingen aan armen geconstateerd, die kunnen passen bij afweer.

Uit sectie is gebleken dat [slachtoffer 2] door 33 steek- en snijverwondingen om het leven is gebracht, waardoor zijn hart, de bovenste holle ader, borstkas, longen en middenrif zijn beschadigd. Verder is letsel aan zijn rechterhand geconstateerd, hetgeen past bij afweer.

Op 23 september 2004 wordt [G] aangehouden en op 24 september 2004 vervolgens [A] en vader [verdachte B]. Verdachten ontkenden betrokken te zijn geweest bij de levensberovingen.

[C] bleek enige dagen na de verdwijning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar India te zijn vertrokken. Hij is aldaar in januari 2006 - na een verzoek tot uitlevering - aangehouden en in uitleveringsdetentie gezet. Op 11 mei 2007 is [C] ter uitlevering in Nederland aangekomen en heeft tot op heden niet kunnen c.q. willen verklaren.

Op basis van de resultaten van het technisch onderzoek in het perceel aan de [straat 3] rees het vermoeden dat de slachtoffers elders om het leven waren gebracht en daarna naar de [straat 3] zijn gebracht om daar te worden verborgen. In de [straat 3] werden vrijwel geen bloedsporen aangetroffen.

Op 14 december 2004 worden twee klusjesmannen van [C] aangehouden, te weten [E] en [K]. Naar aanleiding van hun verklaringen en de verklaring van de op 17 december 2004 aangehouden [D], heeft de Technische Recherche op 21 december 2004 een onderzoek ingesteld in de woning aan de [straat 1 - huisnummer ] te Den Haag. Uit het onderzoek ter plaatse bleek dat bijna alle sporen waren verwijderd. De woning was grotendeels gestript. In alle kamers was de vloerbedekking en/of de laminaatvloer geheel of gedeeltelijk weggehaald. Alle deuren van de kamers waren weggehaald en in het toilet en de douche waren de tegels van de muur en de vloer verwijderd.

Eerst op 29 december 2004 geeft [A] tegenover de Rechter-commissaris een verklaring omtrent zijn betrokkenheid bij de gebeurtenissen die hebben geleid tot de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

In deze zaak is leidend geweest, zo is reeds overwogen in het tussenvonnis van deze rechtbank van 25 januari 2007, de toedracht van de steekpartij beschreven door verdachte [A]. Deze heeft, na lange tijd te hebben gezwegen omtrent de gebeurtenissen in de [straat 1] op 12 augustus 2004, uiteindelijk een verklaring afgelegd die - zakelijk weergegeven - erop neerkomt dat hij met de latere slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het kamertje van de Chinees in gevecht is geraakt, waarbij hij, [A] zelf gewond is geraakt en waarna hij kans heeft gezien [slachtoffer 1] een door hem getrokken mes te ontfutselen, en waarna hij, in een hevige strijd, de beide slachtoffers een aantal keren heeft gestoken waarna zij ter plaatse zijn overleden.

Met betrekking tot de vraag of thans, na het verrichte aanvullend (sporen)onderzoek, de exacte toedracht van de fatale gebeurtenissen kan worden vastgesteld, overweegt de rechtbank allereerst dat zij aanleiding ziet om de verklaring van [A], voorzover deze inhoudt de feitelijke gang van zaken voorafgaand aan en tijdens de steekpartij in [straat 1 - huisnummer ], naar zeggen van [A] plaatsvindend in de kamer van de Chinees, als niet geloofwaardig terzijde te leggen. Hiertoe acht de rechtbank het volgende redengevend.

Nadat verdachte [A] lange tijd na zijn aanhouding heeft gezwegen alvorens hij, op 29 december 2004, bereid was te verklaren omtrent zijn betrokkenheid bij de gebeurtenissen die hebben geleid tot de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], heeft hij verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij, terwijl hij zich boven aan de trap op de eerste verdieping van [straat 1 - huisnummer ] bevond, gerommel aan de deur hoorde en toen "iets donkers en kaals" zag, waarop hij wist dat het foute boel was. [slachtoffer 1] zou hij direct hebben herkend aan de hand van de verhalen van [C]. Opgemerkt dient hierbij te worden dat de herkenning door [A], enkel zou hebben plaatsgevonden aan "de bovenkant van de hoofden", zo heeft verdachte verklaard, en overigens zonder dat hij de gezichten van de mannen had gezien, omdat hij probeerde geen oogcontact met ze te maken. Wanneer de mannen boven komen is er volgens [A] sprake van een dreigende situatie waarin de mannen aan het schreeuwen en dreigen zijn. De eveneens in het pand aanwezige vader [verdachte B] wordt gesommeerd zijn kamer uit te komen. Dit wordt niet bevestigd door de andere verdachte die zich op dat moment ook in de woning heeft bevonden, verdachte [D]. Deze heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat er sprake was van een rustige situatie, waarin [A] aan de beide mannen boven vroeg waarvoor zij kwamen en dat de Surinaamse man ([slachtoffer 1]) zei dat hij in het kamertje (van de Chinees) wilde praten waarop zij gedrieën het kamertje ingegaan zijn. De verklaring van [A] dat er ruzie is ontstaan op de gang nadat [A] de mannen had gezegd op te houden (met schoppen tegen de deur van de kamer van [D] om vader eruit te krijgen) en dat [A] vervolgens een enorme trap in zijn rug van [slachtoffer 2] heeft gekregen waarbij hij de kamer van de Chinees is "ingevlogen", wordt niet door verdachte [D] bevestigd. Deze heeft verklaard dat de drie mannen het kamertje zijn ingegaan, in de volgorde [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en als laatste [A]. In een latere verklaring heeft deze verdachte nogmaals aangegeven dat [A] vrijwillig de kamer (van de Chinees) is ingegaan en niet is geduwd of iets dergelijks. Nadat [A] de kamer is ingelopen achter de mannen aan is de deur van de kamer dichtgegaan, aldus verdachte [D]. Verdachte vader [verdachte B], verklaart wisselend over het binnengaan van de kamer maar bevestigt evenmin een trap of schop door [slachtoffer 2] richting [A].

Vervolgens zou [A] met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het kamertje van de Chinees (afmetingen circa 2 x 3 meter) direct na binnenkomst in gevecht zijn geraakt. Blijkens verklaring van [A] werd hij - zakelijk weergegeven - eerst geslagen door [slachtoffer 2], die bij de deur stond. Hierbij kreeg [A] een klap tegen het hoofd waarop verdachte zijn bril verloor. Vaststaat dat verdachte een oogafwijking heeft van - 5 en dat het - volgens verklaring van verdachte [A] - redelijk donker, in elk geval behoorlijk schemerig was in de kamer. Opvallend is dat verdachte vervolgens - naar eigen zeggen - enige tijd heeft gezocht naar zijn bril en dat die tijd hem kennelijk is gegund door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], ondanks dat deze verdachte bleven slaan. Door de politie daarnaar gevraagd heeft verdachte geantwoord "De bril viel af en ik moest hem zien te pakken maar het lukte dus niet." Nadat verdachte [A] zijn bril had verloren en daarnaar op zoek was heeft hij - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij [slachtoffer 1] een knal gaf waarna deze omtuimelde en een voorwerp naar voren haalde. Dit was een donker voorwerp waarmee hij uithaalde en dat hij heen en weer bewoog, een mes. [A] heeft dit voorwerp meerdere malen ontweken en toen dit eenmaal niet lukte is hij geraakt in de linkeronderarm. Op het moment dat hij geraakt werd, heeft [A], zo heeft hij ter terechtzitting van 10 januari 2007 expliciet verklaard, met zijn rechterhand in een vloeiende beweging het mes weten af te pakken van [slachtoffer 1], waarop hij zelf is gaan steken, hij weet niet hoe vaak, in het wilde weg, zolang er beweging was. De mannen hebben nog geprobeerd het mes af te pakken, maar dit is niet gelukt. Gelet op de hierboven zakelijk weergegeven verklaring van verdachte [A] overweegt de rechtbank dat de gehele door deze verdachte weergegeven constellatie waarin de vecht- c.q. steekpartij zich zou hebben afgespeeld ongeloofwaardig geacht moet worden. Verdachte [A], zelf niet groot van stuk en nogal slank van postuur, is met 2 mannen met een, door meerderen beschreven, fors postuur in een kleine ruimte. Wanneer hij wordt aangevallen raakt hij zijn bril kwijt waarna hij, zo verklaart hij zelf, alleen nog maar bewegingen ziet, terwijl de kamer tamelijk donker is. Zijn aanvallers zouden dan met slaan gestopt zijn om hem de tijd te geven naar zijn bril te zoeken, welke poging mislukt, waarna verdachte, als dan een van de aanvallers plots een mes trekt en verdachte een ernstige steekverwonding toebrengt in de linkerarm, met de hevige pijn van die verwonding in staat blijkt om het mes van zijn aanvaller af te pakken, en vervolgens beide aanvallers, die hem van beide zijden (rug- en buikzijde) benaderen, dusdanig veel steken toe te brengen dat zij beiden het leven laten. In deze door verdachte beschreven situatie acht de rechtbank het onmogelijk dat verdachte, zonder bril en met een forse oogafwijking, het mes zou hebben weten te pakken en zijn aanvallers zou weten te hebben overmeesteren en doden. Verdachte heeft zelf ter terechtzitting verklaard dat een door hem gebruikte vechttechniek hem niet kon baten omdat hij te weinig manoeuvreerruimte had. Hierbij merkt de rechtbank op dat opvallend is in de verklaring van de verdachte dat hij de gebeurtenissen vanaf aankomst van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in [straat 1 - huisnummer ] in detail heeft weten te beschrijven (wie sloeg hem, wie sloeg hij, hoe vaak en op welke plaats, het voorwerp van [slachtoffer 1]) tot aan het moment waarop verdachte het mes te pakken heeft gekregen en daarna zich weinig meer herinnert over het verdere verloop van het gebeuren. Hij weet niet hoe vaak hij heeft gestoken, hij weet niet of hij [slachtoffer 1] heeft gestoken, hij verklaart niet over het steken van [slachtoffer 2], hij zegt geen bloed te hebben gezien, hij weet niet wie van de mannen het eerst niet meer bewoog, hij weet niet hoe lang het heeft geduurd, hij weet niet of de deur open of dicht was, hij weet niet of hij eerst naar zijn bril heeft gezocht voordat hij de kamer verliet, hij weet niet of hij iets tegen [C] heeft gezegd die bovenkwam, hij weet niet wie hij eerst zag, zijn vader of [C], hij weet niet of zijn vader of [C] het kamertje van de Chinees is ingegaan, hij weet niet of er bloed aan zijn kleren zat. hij weet niet of zijn vader bloed aan zijn kleren had.

Hetgeen voorts pleit tegen de door [A] omschreven toedracht van de gebeurtenissen in het kamertje van de Chinees is het feit dat uit het sectieverslag blijkt dat bij beide slachtoffers een groot aantal steekwonden is aangetroffen op diverse locaties op hun lichaam, onder meer in borst, flank en de rug, welke steekwonden wijzen op "vele malen gestoken en gesneden worden met een of meer scherpe, voor wat betreft de steekkanalen ook lange smalle voorwerpen zoals messen". Daarbij moet opgemerkt worden dat als [A] door 2 grote mannen tegelijkertijd zou zijn geslagen het in de lijn der verwachtingen had gelegen dat hijzelf meer verwondingen zou hebben gehad in de vorm van bijvoorbeeld blauwe plekken en/of kneuzingen door slaan. Hij heeft daar echter niet over verklaard.

Dat de bij hem geconstateerde verwondingen ten gevolge van de vechtpartij met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] "slechts" beperkt zijn gebleven tot een verwonding aan de linkerarm, waarvoor hij een operatie heeft moeten ondergaan is niet voor de hand liggend.

Verder acht de rechtbank het opmerkelijk dat volgens [A] de in de woning aanwezigen onmiddellijk na de steekpartij, waarbij twee doden zijn gevallen, zonder iets te zeggen de woning hebben verlaten, waarna [A] met [C] naar het ziekenhuis is gereden. Daarbij is nog vermeldenswaard dat [A] ten aanzien van het vervoer naar het ziekenhuis in een eerdere verklaring heeft aangegeven dat hij zelf heeft gereden, terwijl zijn bril was achtergebleven in de woning.

Ten aanzien van de in de woning aangetroffen en geanalyseerde sporen in relatie tot de verklaring van [A] overweegt de rechtbank het volgende. De deskundigen Eversdijk en Eikelenboom hebben in hun rapportages d.d. 10 juli 2006 en 28 augustus 2006 alsmede in hun nadere toelichtingen ter terechtzitting geconcludeerd dat uit het bloedsporenonderzoek noch steun kan worden gevonden voor de hypothese dat de slachtoffers zijn gedood tijdens een hectische situatie (vechtpartij waarbij is gestoken op de slachtoffers) noch voor de hypothese dat er sprake is geweest van een statische toestand (bijvoorbeeld knevelen van de slachtoffers waarin zij zich niet hebben kunnen verweren). Beide deskundigen hebben onder meer verklaard dat zij, uitgaande van de door [A] geschetste situatie van een vechtpartij, meer bloed zouden hebben verwacht te vinden in de kamer van de Chinees. Evenwel zou de afwezigheid van bloed kunnen worden verklaard doordat de vloerbedekking in deze kamer is verwijderd. Bij het nadere door de rechtbank gelaste sporenonderzoek is deskundige Eikelenboom tot de conclusie gekomen dat er op grond van de nader aangetroffen sporen geen steun is voor de hypothese dat het doodsteken van de slachtoffers zich buiten de kamer van de Chinees heeft afgespeeld maar hij sluit het, gezien de verbouwingswerkzaamheden die nadien hebben plaatsgevonden, ook niet uit. Opvallende conclusie die uit de onderzoeken van de deskundigen getrokken kan worden is dat uit het nader onderzoek van Eikelenboom blijkt dat in diverse delen van de woning sprake is van het aanbrengen van nieuwe verf of stucwerk, maar dat juist in de kamer van de Chinees, waar de fatale steekpartij zich zou hebben voltrokken, de muren niet recent waren geverfd noch nieuw stucwerk was aangebracht.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen, waarbij zij zoals hiervoor uiteengezet de verklaring van [A] over de gang van zaken vlak voorafgaand en tijdens de steekpartij in de woning terzijde zal leggen, de conclusie dient te worden getrokken dat de slachtoffers zijn doodgestoken op de eerste verdieping van [straat 1 - huisnummer ], waarbij in elk geval directe betrokkenheid van [A] bij deze steekpartij kan worden vastgesteld.

VOORBEDACHTE RAAD

Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad is voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Ook handelingen en gedragingen van verdachte na het plegen van het feit kunnen meewegen bij de beoordeling of er sprake is van voorbedachte raad. De voorbedachte raad kan samengaan met alle vormen van opzet, inclusief voorwaardelijk opzet.

Reeds gelet op de aard van de verwondingen (steek- en snijwonden), het aantal verwondingen (43 en 33), de plaatsen waarop de verwondingen waren toegebracht bij beide slachtoffers (onder meer op de borst, hals en rug) en de tijd die gemoeid moet zijn geweest met het toebrengen van de verwondingen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte voorafgaande aan en gedurende zijn gewelddadige handelingen tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, waarbij hij zich ofwel tevoren ofwel tijdens de uitvoering van die handelingen van een mes heeft voorzien. De levensberoving door de verdachte is dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet het gevolg geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging. Voor verdachte heeft de tijd en de gelegenheid bestaan zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

MEDEPLEGEN

Op grond van de hierna volgende omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van medeplegen van moord.

Ten eerste blijkt uit het dossier dat verdachte [verdachte B] sr. op de hoogte was van de afpersingen en bedreigingen, waarvan o.a. [C] en hijzelf nog kort voor het gebeuren op 12 augustus 2004 het slachtoffer waren geweest, en ten aanzien waarvan zowel verdachte zelf als zijn zoon [C] blijkens getuigenverklaringen hebben verklaard dat die bedreigingen moesten stoppen, dat de mannen naar de woning zouden worden gelokt en dat ze zouden worden afgemaakt.

[verdachte B] sr. was voorts betrokken bij de telefoongesprekken op 12 augustus 2004, die er uiteindelijk toe hebben geleid dat minimaal zes personen aanwezig waren ten tijde van de komst van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij de woning aan de [straat 1 - huisnummer ] te Den Haag, waaronder hij zelf.

Nadat de fatale steekpartij had plaatsgevonden zat [verdachte B] sr., blijkens twee getuigenverklaringen, onder het bloed.

Blijkens zijn eigen verklaring moet [verdachte B] sr. zich bewust zijn geweest van het fatale gebeuren op 12 augustus 2004, door het horen van geluiden uit de kamer van de Chinees dan wel van elders op de eerste etage ten tijde van de strijd op leven en dood waarin zijn eigen zoon [A] verwikkeld was met twee mannen, waarvan hij in elk geval de hem bekende [slachtoffer 1] boven had zien komen en die naar hem op zoek was. Hij heeft niet ingegrepen door er naar toe te gaan, de politie te bellen, of door zich op andere wijze te onttrekken aan het gebeuren, waarbij naar het oordeel van de rechtbank absoluut niet aannemelijk is geworden dat hij daartoe feitelijk niet in staat is geweest.

[verdachte B] sr. is de dag na de moorden betrokken geweest bij het inpakken in rollen tapijt en vervolgens inladen en afvoeren van de lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de bestelbus naar het pand aan de [straat 3].

[verdachte B] sr. is tevens, zo blijkt uit de verschillende verklaringen in het dossier actief betrokken geweest bij het wegmaken van sporen waaronder het schoonmaken en strippen van de woning aan de [straat 1 - huisnummer ] te Den Haag.

[verdachte B] sr. is daarnaast betrokken geweest bij het uitvoeren van de bus, welke is gebruikt bij het vervoeren van de lichamen naar de [straat 3], naar Suriname.

[verdachte B] sr. heeft wekenlang gezwegen over hetgeen zich op 12 augustus 2004 heeft afgespeeld in de [straat 1 - huisnummer ] te Den Haag.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

medeplegen van moord, meermalen gepleegd, telkens strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

De op te leggen straf is in overeenstemming met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, mede gelet op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank overweegt dienaangaande in het bijzonder als volgt:

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich tezamen en in vereniging met zijn mededader schuldig heeft gemaakt aan de moord op twee nog zeer jonge mannen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. De zich in het dossier bevindende foto's van de met bloed doordrenkte kleding van de slachtoffers en de beide sectierapporten -waaruit blijkt van respectievelijk 33 en 43 steek- en snijwonden bij de slachtoffers- maken duidelijk dat de slachtoffers op gruwelijke wijze om het leven zijn gebracht. Voor beide slachtoffers geldt dat zij op enig moment moeten hebben beseft dat zij het er niet levend vanaf zouden brengen.

Uit de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen blijkt weliswaar niet dat het verdachte is geweest die de slachtoffers de steek- en snijwonden heeft toegebracht, maar hij moet -zoals hiervoor reeds uitgebreid is overwogen- gelet op zijn essentiële aandeel in strafrechtelijke zin wel als medepleger verantwoordelijk worden gehouden voor de dood van beide slachtoffers.

De verdachte kan voorts worden aangerekend - en de rechtbank betrekt die omstandigheid uitdrukkelijk bij de bepaling van de strafmaat - dat hij bovendien een grote rol heeft gespeeld bij het wegmaken van sporen en het verhullen van wat zich op 12 augustus 2004 in voornoemd pand aan de [straat 1] had afgespeeld. Immers, verdachte heeft de dag na de dubbele moord, samen met zijn zoon verdachte [C] en de verdachten [E] en [D], het pand aan de [straat 1 - huisnummer ] nagenoeg volledig gestript, hij heeft geholpen met het inladen van de in rollen tapijt verborgen lichamen van de slachtoffers in het bestelbusje en hij heeft er persoonlijk zorg voor gedragen dat datzelfde bestelbusje korte tijd erna werd verscheept naar Suriname, alwaar het uiteindelijk door de politie is aangetroffen. Van verdachte kan derhalve worden gezegd dat hij zeer berekenend te werk is gegaan.

Deze moorden hebben, gelet op de buitengewoon weerzinwekkende wijze waarop deze, inclusief het nadien verbergen van de slachtoffers, ingemetseld achter een muur, zijn gepleegd, en waaruit het volstrekte gebrek aan respect voor een mensenleven is gebleken, niet alleen de samenleving diep geschokt maar ook en met name de naaste verwanten van de slachtoffers - die door toedoen van verdachte en zijn mededader(s) ook nog eens 6 weken in onzekerheid hebben verkeerd over het lot van hun dierbare- zeer veel en onherstelbaar leed berokkend.

Naar met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden aangenomen zullen de nabestaanden nog langdurig in hun functioneren worden belemmerd door deze traumatische ervaringen, terwijl zij hun dierbare de rest van hun verdere leven zullen moeten missen.

De verdachte heeft van begin af aan elke betrokkenheid bij de dood van de slachtoffers ontkend en slechts toegegeven dat hij heeft geholpen met het inladen van beide slachtoffers in eerdergenoemd bestelbusje. Verdachte heeft op geen enkel moment -niet tijdens de verhoren bij de politie en evenmin tijdens het onderzoek ter terechtzitting- laten blijken enige gevoelens van medeleven te hebben jegens slachtoffers en nabestaanden voor hetgeen hen is aangedaan.

Integendeel, verdachte is uit het onderzoek naar voren gekomen als iemand die haatgevoelens koestert ten opzichte van de groep personen waarvan ook de slachtoffers deel zouden hebben uitgemaakt en hij heeft slechts gevoelens van medeleven jegens zichzelf, omdat hij vindt dat hem door justitie groot onrecht is aangedaan.

Van strafmitigerende omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. De verdachte heeft ten behoeve van observatie en onderzoek naar zijn geestvermogens korte tijd verbleven in het Pieter Baan Centrum te Utrecht, maar hij heeft elke medewerking aan een zodanig onderzoek geweigerd. De betrokken psychiater en psycholoog zijn - zakelijk weergegeven - tot de conclusie gekomen dat die weigering niet terug te voeren is tot ernstige stoornissen in bewustzijn en waarneming dan wel dat deze voortkwam uit een psychotische vertekening van de werkelijkheid.

Ook overigens is de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken of aannemelijk geworden dat het bewezen verklaarde niet geheel aan verdachte toegerekend zou dienen te worden.

De rechtbank acht gelet op het hierboven overwogene ernstig gevaar voor recidive aanwezig.

Ter wille van beveiliging van de maatschappij acht de rechtbank een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur geboden die een langdurige verwijdering van de verdachte uit de maatschappij betekent.

De rechtbank ziet in de gevorderde leeftijd van de verdachte geen aanleiding een lagere straf op te leggen en acht oplegging van na te melden straf uit het oogpunt van vergelding en bescherming van de maatschappij absoluut noodzakelijk.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht .

Benadeelde partijen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], de laatste als rechtsopvolgster van [slachtoffer 1], rechtstreeks schade hebben geleden ten gevolge van de ten laste van verdachte bewezen verklaarde feiten.

De hoogte van die schade is, gelet op de voegingsformulieren benadeelde partij in het strafproces, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van respectievelijk € 2553,95 en € 3556,40, vermeerderd met de kosten die - tot op heden - worden begroot op nihil.

De vorderingen van genoemde benadeelde partijen, die in die vorderingen ontvankelijk zijn, zijn in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts terzake van schadevergoeding aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsommen ten behoeve van de slachtoffers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2].

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich lenen voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partijen in die vorderingen niet ontvankelijk zijn en dat die vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1], wonende te [adres], van een bedrag van € 2553,95 (zegge: tweeduizendvijfhonderddrieënvijftig euro en vijfennegentig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 12 augustus 2004, tot die van de voldoening, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 2553,95, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 51 dagen hechtenis.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2], als rechtsopvolgster van [slachtoffer 1], wonende te [adres], van een bedrag van € 3556,40 (zegge: drieduizendvijfhonderdzesenvijftig euro en veertig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 12 augustus 2004, tot die van de voldoening, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 3556,40, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 71 dagen hechtenis.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] in hun vordering niet ontvankelijk zijn en dat zij hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. C.A.M. Heeregrave, voorzitter, en mrs. H. Heins en F. Spiering-van der Maden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Ruitenbeek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2007.