Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB2779

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-08-2007
Datum publicatie
05-09-2007
Zaaknummer
AWB 07/33382
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Visum kort verblijf / vestigingsgevaar

Uitspraak van de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb. Verzoeker, een atleet op hoog niveau, heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd omdat hij is uitgenodigd voor deelname aan vier hardloopwedstrijden die in Nederland worden gehouden. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, met name omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 5, eerste lid, onder c, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst. Verweerder twijfelt aan verzoekers tijdige terugkeer naar het land van herkomst aangezien is komen vast te staan dat verzoeker eerder illegaal in het Schengengebied heeft verbleven. Hoewel het bestreden besluit summier is gemotiveerd, ziet de voorzieningenrechter daarin, gelet op de herstelmogelijkheid daarvan in bezwaar, geen aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Gelet op hetgeen verzoeker aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd én op verzoekers eerdere illegale verblijf in Nederland dat hij heeft erkend, heeft verweerder niet hoeven aan te nemen dat er in het geval van verzoeker geen sprake is van vestigingsgevaar. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ´S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.

Proc.nr.: AWB 07/33382

Inzake:

[Verzoeker], verzoeker,

gemachtigde mr. P.J. van den Hoogen, advocaat te Eindhoven,

tegen:

de Minister van Buitenlandse Zaken te ’s Gravenhage, verweerder

I. PROCESVERLOOP

Bij bezwaarschrift van 20 augustus 2007 heeft verzoeker bezwaar ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 augustus 2007. Bij dit besluit heeft verweerder verzoekers aanvraag om een visum voor kort verblijf afgewezen.

Voorts heeft verzoeker bij verzoekschrift van 27 augustus 2007 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht bij wege van voorlopige voorziening een visum conform zijn aanvraag toe te kennen, dan wel verweerder op te dragen verzoeker te behandelen als zijnde in het bezit van een dergelijk visum.

De gronden van het verzoek dateren van 27 augustus 2007 en zijn bij faxberichten van 30 augustus 2007 aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en ten overstaan van de griffier telefonisch verweer gevoerd. De ingezonden stukken en de telefoonnotitie waarin het verweer is vastgelegd, zijn in afschrift aan verzoeker gezonden. Daarbij is verzoeker verzocht om hetgeen in de gronden van het verzoek is aangevoerd op enkele punten nader toe te lichten. Verzoekers reactie van

30 augustus 2007 is gelijktijdig aan verweerder verzonden.

II. OVERWEGINGEN

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter (hierna: de rechter) van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de rechter zonder behandeling ter zitting uitspraak doen indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. De rechter is van oordeel dat er in het onderhavige geval aanleiding is gebruik te maken van die bevoegdheid vanwege de bijzondere spoedeisendheid en acht partijen daardoor niet in hun belangen geschaad. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er ook verder geen beletselen aanwezig zijn om verzoeker in zijn verzoek te ontvangen.

Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1973 en is van Marokkaanse nationaliteit. Op 10 augustus 2007 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een visum voor kort verblijf, gedurende maximaal 90 dagen. Bij schrijven van 23 juli 2007 aan de Nederlandse vertegenwoordiging in Marokko heeft verzoekers gemachtigde de aanvraag van verzoeker nader toegelicht. Blijkens dit schrijven is verzoeker atleet van zeer hoog niveau. Met het oog op de ontwikkeling van zijn wedstrijdprestaties is het van essentieel belang dat hij deelneemt aan wedstrijden. Verzoeker is officieel uitgenodigd voor deelname aan vier wedstrijden die in Nederland plaatsvinden. Dit betreft de halve marathon Lauwersoog-Ulrum op 28 juli 2007, de Tilburg Ten Miles loop op 2 september 2007, de van Dam tot Damloop op 23 september 2007 en de Amsterdam Marathon op 21 oktober 2007. Daarnaast wil verzoeker gedurende zijn verblijf in Nederland als trainingspartner fungeren voor de Nederlandse marathondeelname aan de Wereldkampioenschap Atletiek.

De rechter overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 15 juncto artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsovereenkomst bij het Akkoord van Schengen dienen vreemdelingen, indien zij zich naar Nederland begeven voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, voor toegang tot Nederland in het bezit te zijn van een geldig paspoort dat is voorzien van een reisvisum.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsovereenkomst Schengen kan aan een vreemdeling toegang worden verleend tot het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden indien hij, zo nodig, documenten ter staving van het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden heeft overgelegd en hij beschikt over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het verblijf als voor de terugreis naar het land van oorsprong of voor de doorreis naar een derde Staat, waar de toelating is gewaarborgd, dan wel in staat is deze middelen te verwerven.

Ingevolge artikel 15 van de Uitvoeringsovereenkomst Schengen mogen visa voor kort verblijf in beginsel slechts worden afgegeven, voorzover de vreemdeling aan de in artikel 5, eerste lid, onder a tot en met e gestelde voorwaarden voor binnenkomst voldoet.

Ingevolge artikel 72, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum voor het aanwenden van rechtsmiddelen gelijkgesteld met een beschikking krachtens de Vw 2000.

In hoofdstuk 2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en hoofdstuk A2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) worden de in Schengenverband vastgestelde voorschriften nader uitgewerkt.

Artikel 2.1, eerste lid, van het Vb 2000 bepaalt dat de toegang wordt geweigerd, indien de vreemdeling het doel van het voorgenomen verblijf of de verblijfsomstandigheden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, dan wel ter staving daarvan onvoldoende documenten heeft overgelegd.

Ingevolge artikel 2.10, van het Vb 2000 kunnen bij de vaststelling of de vreemdeling beschikt over de in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Vw 2000 bedoelde middelen om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang is gewaarborgd, betrokken worden middelen waarover de vreemdeling reeds beschikt en middelen waarover de vreemdeling kan beschikken uit wettelijk toegestane arbeid.

De rechter stelt voorop dat met de toepasslijke regelgeving het tegengaan van illegaal verblijf wordt beoogd. De rechter verwijst in dit verband naar de Gemeenschappelijke Visuminstructie.

De rechter begrijpt het bestreden besluit van 10 augustus 2007 aldus dat verweerder op het standpunt stelt dat niet voldoende is komen vast te staan dat verzoeker tijdig zal terugkeren naar zijn land van herkomst (Marokko) omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsovereenkomst Schengen. Redengevend hiervoor is volgens verweerder dat er getwijfeld wordt aan verzoekers tijdige terugkeer naar het land van herkomst of doorreis naar een derde land, aangezien is komen vast te staan dat verzoeker eerder illegaal in het Schengengebied heeft verbleven.

De rechter stelt allereerst vast dat het besluit in primo van 10 augustus 2007 summier is gemotiveerd. Daarnaast is het gestelde omtrent verzoekers eerdere illegale verblijf naar dezerzijds oordeel weinig geconcretiseerd en van de zijde van verweerder niet met stukken onderbouwd, terwijl evenmin is gebleken dat verweerder bij de totstandkoming van het besluit verzoeker heeft verzocht om overlegging van stukken waarmee zou kunnen worden aangetoond dat hij wel aan voormelde voorwaarden voldoet. Gelet hierop zou het besluit van 10 augustus 2007 in een eventuele hoofdzaak de rechterlijke toets waarschijnlijk niet kunnen doorstaan. Nu de voornoemde gebreken naar het zich laat aanzien bij de heroverweging in bezwaar kunnen worden hersteld, ziet de rechter hierin, mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, geen aanleiding om thans het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. De rechter wijst in dit verband tevens op de datum waarop verzoeker zijn aanvraag heeft ingediend, mede in relatie tot de eerstgenoemde wedstrijd.

In eerdergenoemd schrijven van verzoekers gemachtigde van 23 juli 2007 waarin verzoekers visumaanvraag is toegelicht, is met zoveel woorden vermeld dat verzoeker in het nabije verleden een aantal jaren illegaal in Nederland heeft verbleven en in die periode wedstrijden heeft gelopen waarbij hij telkens behoorde bij de Nederlandse topatleten. Voorts waren er volgens die brief vergaande plannen om tot legalisering van verzoekers verblijf in Nederland te geraken, terwijl er - zoals in de brief wordt gesteld - nog steeds de intentie bestaat om in de toekomst een verblijfsvergunning voor verblijf in Nederland aan te vragen. Ten aanzien van een mogelijk door verweerder tegen te werpen vestigingsgevaar wordt in de brief nog opgemerkt dat indien alle betrokken partijen niet overtuigd waren van de wens van verzoeker om ooit in de toekomst via de normale mvv-procedure over te gaan tot legalisering van zijn verblijf, de deelnemende marathonorganisaties en met name de directeur van de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie niet zouden overgaan tot ondersteuning van verzoekers visumaanvraag.

Gelet op hetgeen verzoeker aldus aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het geval van verzoeker sprake is van vestigingsgevaar. Daartoe wordt overwogen dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd nagenoeg uitsluitend betrekking heeft op hetgeen hij in Nederland (deels gedurende de periode van illegaal verblijf) heeft bereikt en in de toekomst nog wenst te bereiken, terwijl ook expliciet is aangegeven dat verzoeker de wens heeft om zich duurzaam in Nederland te vestigen. Hoewel verzoekers wens om zich duurzaam in Nederland te vestigen niet op voorhand tot de conclusie noopt dat hem geen visum voor kort verblijf kan worden verleend, heeft verweerder –mede gelet op verzoekers eerdere illegale verblijf in Nederland – niet hoeven aan te nemen dat er in het geval van verzoeker geen sprake is van vestigingsgevaar. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat noch hetgeen verzoeker aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, noch hetgeen in bezwaar is aangevoerd enige informatie bevat over verzoekers (sociale en economische) banden met zijn land van herkomst, dan wel blijk geeft van enige andere verplichting om na afloop van het visum naar zijn land terug te keren. Verzoekers stelling dat zijn toegang tot zijn land van herkomst is gewaarborgd aangezien hij over een Marokkaans paspoort beschikt, acht de rechter in dit verband ontoereikend voor het oordeel dat zijn terugkeer naar Marokko daarmee voldoende aannemelijk is gemaakt. De in een zeer laat stadium nog overgelegde (niet ondertekende) verklaring van [trainer], de trainer en manager van verzoeker, dat hij er persoonlijk op zal toezien dat verzoeker daadwerkelijk naar Marokko terug zal keren, kan niet ot een ander oordeel leiden.

Ten aanzien van de door verzoeker gestelde innerlijke tegenstrijdigheid in het besluit overweegt de rechter nog dat verzoeker weliswaar moet worden toegegeven dat hij het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden als zodanig (het deelnemen aan genoemde wedstrijden) voldoende heeft onderbouwd, hetgeen verweerder inhoudelijk ook als zodanig niet heeft weersproken. Dit neemt echter niet weg dat verweerder, mede gelet op hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, heeft mogen betwijfelen of dit doel ook daadwerkelijk het door verzoeker gestelde tijdelijke karakter heeft.

Hetgeen overigens is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de vraag of verzoeker beschikt over voldoende middelen van bestaan niet aan het vorenstaand oordeel kan afdoen.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter bij afweging van de betrokken belangen van oordeel dat verweerder heeft kunnen weigeren om verzoeker om verzoeker een visum voor kort verblijf te verlenen. Geoordeeld moet worden dat op grond van de thans voorhanden zijnde gegevens het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. drs. E.J. Govaers in tegenwoordigheid van mr. E.M.J. Clermonts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier,

verzonden op: 30 augustus 2007.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.