Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB2374

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
AWB 06/38938, 06/38940
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BB3076, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 31 lid 2 sub i Vw 2000 / toelating tot land van eerder verblijf / bewijslast bij Staatssecretaris van Justitie

Eiseressen hebben in maart 2001 in Duitsland een asielaanvraag ingediend. Vervolgens zijn zij – zonder het resultaat van die aanvraag af te wachten – naar Nederland vertrokken en hebben zij hier te lande een asielaanvraag ingediend. Door de Duitse autoriteiten is bericht dat eiseressen in dat land zijn aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De Staatssecretaris van Justitie heeft om die reden de aanvragen van eiseressen afgewezen met toepassing van artikel

31, tweede lid, aanhef en onder i, van de Vw 2000. Hoewel niet in geschil is dat eiseressen in Duitsland zijn aangemerkt als vluchteling, is de rechtbank van oordeel dat gelet op het beleid in paragraaf C1/5.11.3 van de Vc 2000 en het tijdsverloop na die statusverlening in Duitsland het op de weg van de Staatssecretaris van Justitie ligt om te onderzoeken of eiseressen nog tot dat land zullen worden toegelaten. De rechtbank verklaart daarop het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De Staatssecretaris van Justitie heeft tegen daartegen hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 17 juli 2007 (200703749) heeft de Afdeling met toepassing van artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000 dat hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van 1 mei 2007 bevestigd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/456
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zutphen

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nrs.: 06/38938 en 06/38940

Uitspraak in de gedingen tussen:

[Eiseres 1]

geboren op [geboortedatum] 1965,

mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen,

eiseres 1, en

[Eiseres 2]

geboren op [geboortedatum] 1987,

eiseres 2,

allen van Afghaanse nationaliteit,

gemachtigde: mr. C.J. Looijen, advocaat te Zetten,

en

de Staatssecretaris van Justitie

verweerder,

gemachtigde: mr. R.R. De Groot, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2006 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiseressen van 2 juli 2001 om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Bij brief van 11 augustus 2006 hebben eiseres 1 en eiseres 2 tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De beroepen zijn behandeld ter zitting van 16 april 2007, waar eiseressen en hun gemachtigde, alsmede de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

2. Motivering

2.1 Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, is de rechtbank gehouden het bestreden besluit te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2.2 Op grond van artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan, voor zover van belang, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij

uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke

of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2.3 Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken dat de vreemdeling in een land van eerder verblijf zal worden toegelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden.

In de memorie van toelichting bij dit artikellid (TK, 1998-1999, 26 732, nr. 3, pp. 40-41) is vermeld dat de toepassing van deze afwijzingsgrond niet afhankelijk is van een terug- of overnameovereenkomst met het land van eerder verblijf.

Ingevolge paragraaf C1/5.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) kan een asielaanvraag met toepassing van deze bepaling worden afgewezen, indien:

- de asielzoeker niet rechtstreeks naar Nederland is gekomen en voor zijn komst in een ander land genoegzame bescherming genoot of had kunnen genieten tegen refoulement; en

- hij naar het oordeel van de minister in dat land verbleef of had kunnen verblijven onder ter plaatse niet als abnormaal aan te merken omstandigheden; en

- gebleken is dat dit land hem zal toelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden.

Ingevolge paragraaf C1/5.11.4 van de Vc 2000 heeft de asielzoeker in het land van eerder verblijf duurzame bescherming als één van de gevallen a of b van toepassing is. Voor zover hier van belang, is onder a. het navolgende vermeld.

Het land van eerder verblijf is partij bij het Vluchtelingenverdrag van Geneve van 1951 én leeft dit verdrag te goeder trouw na.

In deze gevallen kan de aanvraag ook worden afgewezen indien de asielzoeker verdragsvluchteling is, of indien een van de andere inwilligingsgronden van artikel 29, eerste lid, onder b tot en met d, Vreemdelingenwet op zichzelf bezien van toepassing is. Voorts is het in deze gevallen – volgens het beleid – niet nodig dat de asielzoeker beschikt over een verblijfstitel voor het land van eerder verblijf. Het is voldoende dat hij toegang krijgt tot het grondgebied van dit land. Dit moet blijken uit een schriftelijk bericht van dit land (bijvoorbeeld een gehonoreerde claim). Dit schriftelijk bericht behoeft niet te worden opgevraagd indien uit algemene informatie of uit andere bronnen reeds blijkt dat de vreemdeling zijn verblijf in het land van eerder verblijf zal kunnen voortzetten.

2.4 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van onder meer 15 december 2003, JV 2004/71) kan, indien het besluit ertoe strekt dat de vreemdeling op de grond, genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, van de Vw 2000, wordt geacht in een ander land bescherming te kunnen vinden, de aanvraag worden afgewezen zonder dat wordt beoordeeld of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt verdragsvluchteling te zijn, dan wel gegronde redenen te hebben om aan te nemen dat hij bij uitzetting het in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 omschreven risico loopt, dan wel of zijn asielrelaas grond geeft tot verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c of d, van die wet.

2.5 Verweerder heeft de aanvragen met toepassing van evenvermelde bepalingen afgewezen vanwege de omstandigheid dat sprake is van een land van eerder verblijf. Volgens verweerder zijn eiseressen niet rechtstreeks naar Nederland gekomen en hadden zij in het land van herkomst evenmin de intentie om rechtstreeks naar Nederland te reizen. Nu Duitsland eiseressen heeft erkend als vluchteling, kan worden aangenomen dat eiseressen tot Duitsland zullen worden toegelaten totdat zij elders duurzame bescherming hebben gevonden, aldus verweerder.

2.6 Niet in geschil is dat eiseressen voor hun komst naar Nederland in Duitsland hebben verbleven, dat zij daar in maart 2001 een asielaanvraag hebben ingediend en dat zij in Nederland op 2 juli 2001 een asielaanvraag hebben ingediend.

Overwogen wordt verder dat in de schriftelijke - afwijzende - reactie van de Duitse autoriteiten van 27 februari 2002 op de zogenaamde Dublinclaim is vermeld: “Den oben genannten Ausländern wurde in der Bundesrepublik Deutschland Asyl nach Art. 16 a Grundgesetz gewährt. Sie besitzen daher die Rechtsstellung von Flüchtlingen im Sinne der Genfer Konvention.”. Eiseressen, aan wier gemachtigde verweerder voormelde brief van 27 februari 2002 bij brief van 1 december 2005 heeft toegezonden, hebben aangevoerd, dat zij niet wisten dat hen door Duitsland een vluchtelingenstatus was verleend.

2.7 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, onder verwijzing naar onderdeel C1/5.11.3 van de Vc 2000, eiseressen kunnen tegenwerpen dat zij niet rechtstreeks naar Nederland zijn gekomen alsmede dat uit objectieve feiten of omstandigheden is gebleken dat eiseressen in het land van herkomst niet de intentie hadden om naar Nederland te reizen. In de enkele stelling dat eiseressen afhankelijk waren van hun reisagent en dat zij meenden dat zij reeds in Nederland waren, heeft verweerder, mede gelet op de door verweerder aangehaalde verklaringen van eiseres 1 tijdens haar gehoor op 9 januari 2002 in verband met verweerders voornemen om de behandeling van de onderhavige asielaanvragen op de voet van het Dublinverdrag over te laten nemen door de Duitse autoriteiten, in redelijkheid niet aannemelijk hoeven achten dat eiseressen, die op 27 maart 2001 in Duitsland asielaanvragen hebben ingediend en ongeveer drie maanden in dat land hebben verbleven, de intentie hadden na vertrek uit Afghanistan (rechtstreeks) naar Nederland te reizen.

2.8 Evenwel kan verweerders standpunt, dat eiseressen tot Duitsland, als land van eerder verblijf, zullen worden toegelaten totdat zij elders duurzame bescherming zullen vinden, toetsing in rechte niet doorstaan.

Daartoe overweegt de rechtbank dat uit onderdeel C1/5.11.4 onder a van de Vc 2000 volgt dat uit door verweerder te verkrijgen schriftelijke berichten danwel uit voor verweerder beschikbare informatie moet blijken dat de asielzoeker toegang krijgt tot het grondgebied van het land van eerder verblijf althans dat de vreemdeling zijn verblijf aldaar zal kunnen voortzetten. Aan de aldus in beginsel op verweerder rustende onderzoeksplicht komt te meer betekenis toe, nu verweerder de aanvraag kan afwijzen op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, van de Vw 2000, zonder te treden in een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas.

De rechtbank stelt vast dat er geen schriftelijk bericht van Duitsland is waaruit blijkt dat eiseressen toegang krijgen tot het grondgebied van dit land. De enkele, in voormelde brief van 27 februari 2002 betreffende de afwijzing van de Dublin-claim opgenomen, mededeling dat eiseressen in Duitsland de status van vluchteling is toegekend, acht de rechtbank gegeven de specifieke omstandigheden van dit geval, waaronder het tijdsverloop, niet toereikend voor de conclusie dat aan de in onderdeel C1/5.11.4 onder a van de Vc 2000 beschreven voorwaarde is voldaan. De in de bestreden besluiten vervatte stelling dat eiseressen in het kader van de toelating een document kunnen aanvragen, noopt niet tot een ander oordeel, nu beslissend is de bij het nemen van het besluit door verweerder te verrichten feitelijke vaststelling dàt eiseressen toegang krijgen tot het grondgebied van Duitsland althans dat zij hun verblijf aldaar zullen kunnen voortzetten.

Overigens acht de rechtbank niet zonder betekenis dat uit een mail van 14 november 2005, die als bijlage is gevoegd bij de bestreden besluiten, volgt dat door de Duitse autoriteiten in het kader van de terug- en overnameovereenkomst geen akkoord kan worden gegeven in de situatie dat een vreemdeling is erkend als vluchteling in Duitsland, maar de “erkenningsbeslissing” en bijbehorende reis- en verblijfsdocumenten niet aan hem konden worden uitgereikt, omdat hij voordien, zoals ook eiseressen, met onbekende bestemming is vertrokken. Voorts acht de rechtbank nog van belang dat in de, in bedoelde mail beschreven, situatie dat betrokkenen zich spontaan in Duitsland zouden melden, zij in beginsel alsnog hun verblijfsdocumenten krijgen, maar dat gezien de verstreken tijd – aldus evenvermelde mail – ook kan worden besloten tot een “widerrufsverfahren”, in welk geval wordt bezien of de erkenning nog geldig moet blijven of eventueel moet worden ingetrokken.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd omdat deze onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid en onvoldoende deugdelijk zijn gemotiveerd.

2.9 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beroepen gegrond dienen te worden verklaard wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Er is geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

2.10 Nu de beroepen gegrond worden verklaard bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseressen in verband met de behandeling van hun beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten, uitgaande van samenhangende zaken, vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het indienen van de (samenhangende) beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting en wegingsfactor 1).

Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 644,- terzake van rechtsbijstand, te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de rechtbank, zittingsplaats Zutphen, door storting op bankrekeningnummer 1923.25.922 ten name van Arrondissement 547 Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak genoemde registratienummer.

Aldus gegeven door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2007 in tegenwoordigheid van mr. M.P. Schutte als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC Den Haag.

Afschrift verzonden op: