Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB2369

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-08-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
AWB 06/13067
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Horen in bezwaar en onderzoeksplicht / art. 7:3 sub b en art. 3:2 Awb

Het bestreden besluit is in strijd met het bepaalde in de artikelen 7:3, aanhef en onder b, en 3:2 van de Awb. De garantsteller heef verweerder voorafgaand aan diens (primaire) besluit van 24 januari 2006 haar salarisspecificaties over de maanden december 2004 en januari 2005 doen toekomen en daarbij aangegeven dat zij als dat nodig mocht zijn tevens (de gegevens over) de uitkering van haar man kon opsturen. Ondanks dit aanbod heeft verweerder de financiële gegevens van de echtgenoot van de garantsteller nimmer opgevraagd, terwijl de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft laten weten dat niet valt uit te sluiten dat er een ander plaatje was ontstaan als de hoogte van die uitkering was meegenomen bij de beoordeling van de vraag of de garantsteller ten tijde van belang over voldoende middelen van bestaan beschikte. Verweerder had ambtshalve kunnen constateren – zo niet al ten tijde van het nemen van het primaire besluit dan toch in de bezwaarfase – dat het voor eiser en/of diens garantsteller op het moment van het indienen niet duidelijk was of het overleggen van die gegevens eveneens was vereist. Verweerder is in dit opzicht tekortgeschoten. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat eiser tijdens een hoorzitting feiten en omstandigheden naar voren zou hebben gebracht die tot gegrondverklaring van zijn bezwaar zouden hebben geleid. Zo heeft eiser in bezwaar aangegeven dat een organisatie uit Malawi bereid is hem te helpen door garant voor hem te staan, doch dat het twee tot drie weken zal duren voordat de Raad van Bestuur hierover een beslissing zal nemen. Indien eiser was gehoord, dan had eiser ondermeer aan verweerder kunnen laten weten hoe en met wie hij contact had gehad en wanneer en definitieve garantstelling was te verwachten. Door eiser niet te horen en reeds binnen drie weken na ontvangst van het bezwaarschrift een beslissing te nemen, heeft verweerder over zich afgeroepen dat eiser zijn eerder ingenomen stelling pas in beroep nader heeft kunnen onderbouwen met een concrete toezegging van bedoelde organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 06/13067

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 augustus 2007

inzake

[Eiser],

geboren op [geboortedatum] 1980,

van Malawische nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. R.H.T. van Boxmeer,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te ’s-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde mr. L.M.A. Hansen.

Procesverloop

In deze uitspraak wordt waar nodig onder verweerder tevens verstaan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie dan wel de minister van Justitie.

Bij besluit van 24 januari 2006 heeft verweerder besloten de aanvraag van eiser tot het verlengen van de geldigheidsduur van diens verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘studie HBO te Den Bosch’ af te wijzen.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 17 februari 2006 kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen laatstgenoemd besluit bij brief van 14 maart 2006 beroep ingesteld. Tevens heeft eiser op diezelfde datum een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoekschrift is geregistreerd onder nummer AWB 06/13068,

Het beroep is behandeld op de zitting van 25 juli 2007, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 17 februari 2006 in rechte stand kan houden.

2. Bij de beoordeling van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende relevante feiten en omstandigheden.

3. Eiser is op 27 februari 2002 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) onder de beperking ‘voorbereidende examens’. Deze verblijfsvergunning is verleend met ingang van 27 februari 2002, met een geldigheidsduur die laatstelijk is verlengd tot 2 januari 2005, waarbij de beperking is gewijzigd in ‘studie HBO te Den Bosch’, omdat eiser sedert 1 september 2003 voltijds bedrijfskunde en agribusiness studeert aan de HAS te Den Bosch. Eind 2004 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlenging van voornoemde verblijfsvergunning.

4. Bij brief van 8 februari 2005 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld de aanvraag met een aantal bescheiden en/of gegevens aan te vullen, waaronder bewijsstukken dat de garantsteller en de eventuele (huwelijks)partner over voldoende geld beschikken voor de bekostiging van de studie. Vervolgens heeft de garantsteller, mevrouw [garantsteller], verweerder onder meer een aantal salarisspecificaties over de maanden december 2004 en januari 2005 doen toekomen. De garantsteller heeft daarbij tevens te kennen gegeven dat zij als dat nodig mocht zijn (gegevens over) de uitkering van haar man, welke ongeveer € 900,00 per maand bedraagt, kan opsturen.

5. Bij besluit van 24 januari 2006 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat niet is aangetoond dat mevrouw [garantsteller], die garant voor hem staat, over voldoende middelen van bestaan beschikt. In dat verband heeft verweerder onder verwijzing naar artikel 3.74 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) opgemerkt dat een garantsteller dient te beschikken over het normbedrag als bedoeld in de Wet Werk en Bijstand (WWB) vermeerderd met het normbedrag voor een student aan het hoger beroepsonderwijs, respectievelijk € 1.149,83 plus € 694,04 per maand, nog afgezien van het te betalen collegegeld. Volgens verweerder beschikt de garantsteller van eiser blijkens de overgelegde inkomensgegevens in december 2004 over € 1205,03 en in januari 2005 over € 1280,31 per maand, terwijl de norm op € 1845,86 per maand ligt. Reeds om die reden heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

6. In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat hij begrijpt dat de afwijzing van zijn aanvraag is gelegen in het feit dat zijn huidige garantsteller hem niet meer kan ondersteunen. Eiser heeft verweerder daarom verzocht of hij enige tijd kan krijgen om een andere garantsteller te vinden. Eiser heeft daarbij te kennen geven dat hij heeft gesproken met de vrouwenorganisatie SELFINA in Malawi, die bereid is om hem te helpen. Volgens eiser zal het echter twee tot drie weken duren alvorens de Raad van Bestuur (directie) van deze organisatie een beslissing hierover zal nemen. Eiser heeft verder aangegeven dat hij weet dat hij vanuit Malawi steun kan krijgen en daarom enige tijd zou willen krijgen om een nieuwe sponsor te vinden of een beurs te krijgen.

7. Bij besluit van 17 februari 2006 heeft verweerder opgemerkt dat eiser het gestelde in het primaire besluit van 24 januari 2006 in het geheel niet heeft weersproken. Verder heeft verweerder kenbaar gemaakt dat eiser weliswaar heeft gesteld dat hij bezig is om de financiering voor zijn studie te regelen, maar dat hij dit op geen enkele wijze heeft aangetoond met objectief verifieerbare bewijzen. Volgens verweerder blijkt reeds aanstond uit de inhoud van het bezwaarschrift, beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door eiser is aangevoerd en met de motivering van de bestreden beschikking, dat de bezwaren van eiser ongegrond zijn, terwijl er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Naar de mening van verweerder volgt hieruit dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is. In verband hiermee heeft verweerder op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgezien van horen.

8. In beroep is namens eiser kort gezegd aangevoerd dat de garantsteller samen met de echtgenoot blijkens een aantal van de in beroep overgelegde producties ten tijde van het bestreden besluit wel degelijk over voldoende middelen van bestaan beschikten. Volgens eiser heeft hij destijds uit het primaire besluit begrepen dat de garantsteller niet aan de inkomenseis voldeed en heeft hij die mededeling toen opgevat als een vaststaand feit zonder dit met zijn garantsteller op te nemen. Daarnaast heeft eiser een brief van SELFINA van 17 april 2006 overgelegd, waarin wordt aangegeven dat zij garant wil staan voor eiser. Bovendien had het naar de mening van eiser op de weg van verweerder gelegen om hem in bezwaar te horen. Volgens eiser vormt horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Eiser wijst erop dat in de memorie van toelichting bij artikel 7:2 van de Awb (MvT, Parl. Gesch. Awb I, p.329) is aangegeven dat de redenen hiervoor zijn dat niet iedereen in staat is om zijn gedachte even goed schriftelijk te formuleren, dat er de mogelijkheid is om andere informatie te verkrijgen en om de gelegenheid te geven om naar een oplossing voor het gerezen probleem te zoeken. In de optiek van eiser had het juist in zijn geval in de rede gelegen om hem uit te nodigen om zijn bezwaar mondeling toe te lichten, nu hij persoonlijk in zijn moedertaal een bezwaarschrift bij verweerder had ingediend. Eiser merkt op dat zijn bezwaarschrift vooral een verzoek om uitstel was en dat hij had aangegeven dat hij een geheel nieuwe garantsteller had gevonden, SELFINA genaamd, maar dat het twee tot drie weken zou duren voordat de directie een beslissing zou nemen. Eiser wijst er op dat verweerder hierop in het geheel niet heeft geantwoord, maar snel binnen drie weken een inhoudelijk beslissing heeft genomen. Het is naar de mening van eiser onzorgvuldig van verweerder om hem niet in de gelegenheid te stellen om aan te tonen dat de garantsteller aan het middelenvereiste voldeed en hem geen uitstel te geven.

Tot slot is eiser de mening toegedaan dat verweerder een belangenafweging had moeten maken tussen enerzijds het belang van eiser om zijn studie voort te zetten en het belang van verweerder om het verblijf van vreemdelingen in Nederland te reguleren. In de optiek van eiser heeft verweerder onvoldoende gekeken of er bijzonder omstandigheden waren, die aanleiding zouden moeten zijn om van het gevoerde beleid af te wijken.

9. De rechtbank overweegt als volgt.

10. Ingevolge artikel 7:2 van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

11. De rechtbank stelt voorop dat het horen blijkens de geschiedenis van totstandkoming van de Awb (PG Awb I, p.332) een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftenprocedure. Dit houdt verband met de verhouding tussen enerzijds de verantwoordelijkheid van het bestuur voor gefundeerde en samenhangende besluitvorming, waar onder begrepen de fasen van heroverweging, en anderzijds de verantwoordelijkheid van de bestuursrechter voor de toetsing op rechtmatigheid van het definitieve besluit dat in rechte wordt aangevochten. Gelet op de verschillende verantwoordelijkheden van bestuur en rechter dient het bestuur zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te bevorderen dat de daarvoor relevante informatie in het kader van zijn besluitvorming wordt vergaard. In dit licht bezien kan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen worden afgezien, indien er naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Dit is ook vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer ABRS 16 juli 2003, LJN: AI1809 en ABRS 23 augustus 2005, LJN: AU2326, JV 2005, 383).

12. Voorts rust ingevolge artikel 3:2 van de Awb op het bestuursorgaan de verplichting de nodige kennis te vergaren met betrekking tot alle voor het te nemen besluit relevante feiten en af te wegen belangen. Weliswaar kan indien sprake is van een op de aanvraag te nemen besluit op de aanvrager de verplichting rusten de relevante feiten en/of gegevens aan te dragen, maar ook dan is het bestuursorgaan niet ontslagen van de verplichting om de aanvrager duidelijk te maken wat nu precies van hem wordt verlangd. Naar het oordeel van de rechtbank behoort een bestuursorgaan dan ook, zonodig ambtshalve, na te gaan of het in dit opzicht niet te kort is geschoten.

13. Mevrouw [garantsteller], de garantsteller, heeft verweerder voorafgaand aan diens besluit van 24 januari 2006 haar salarisspecificaties over de maanden december 2004 en januari 2005 doen toekomen en daarbij heeft aangegeven dat zij als dat nodig mocht zijn tevens de (gegevens over de) uitkering van haar man, welke ongeveer € 900,00 bedraagt, kon opsturen. Ondanks dit aanbod heeft verweerder de financiële gegevens van de echtgenoot van de garantsteller nimmer opgevraagd, terwijl de gemachtigde van verweerder ter zitting desgevraagd heeft laten weten dat niet valt uit te sluiten dat er een ander plaatje was ontstaan als de hoogte van die uitkering was meegenomen bij de beoordeling van de vraag of de garantsteller ten tijde van belang over voldoende middelen van bestaan beschikte. Verweerder had ambtshalve kunnen constateren - zo niet al ten tijde van het nemen van het primaire besluit dan toch in de bezwaarfase - dat het voor eiser en/of diens garantsteller op het moment van het indienen van de genoemde stukken niet duidelijk was of het overleggen van de financiële gegevens van de echtgenoot van de garantsteller eveneens was vereist. Door in het geheel niet in te gaan op het aanbod van de garantsteller om indien nodig ook de gegevens van haar echtgenoot op te sturen, is verweerder in dit opzicht tekortgeschoten in zijn verplichting om eiser en diens garantsteller duidelijk te maken wat nu exact van hen werd verlangd. Verweerder had, gelet op diens eigen verantwoordelijkheid in dezen, eiser en/of diens garantsteller op zijn minst in bezwaar in de gelegenheid moeten stellen om die gegevens te overleggen en/of toe te lichten. Het feit dat eiser niet uit eigener beweging met die gegevens in bezwaar is gekomen en van het standpunt van verweerder in het primaire besluit in bezwaar geen punt heeft gemaakt, doet hier onder de gegeven omstandigheden niet aan af.

14. Daarnaast kan gelet op de inhoud van het bezwaarschrift, bezien in het licht van het besluit van 24 januari 2006, niet worden uitgesloten dat eiser tijdens de hoorzitting feiten en omstandigheden naar voren zou hebben gebracht die tot gegrondverklaring van dat bezwaar zouden hebben geleid. Zo heeft eiser in zijn bezwaarschrift aangegeven dat de vrouwenorganisatie SELFINA in Malawi bereid is hem te helpen, doch dat het twee tot drie weken zal duren voordat de Raad van Bestuur van deze organisatie hierover een beslissing zal nemen. Indien eiser was gehoord, dan had eiser ondermeer aan verweerder kunnen laten weten hoe en met wie hij contact had gehad en wanneer een definitieve garantstelling was te verwachten. Door eiser niet te horen en reeds binnen drie weken na ontvangst van het bezwaarschrift een beslissing op bezwaar te nemen, waar voor het eerst is ingegaan op hetgeen door eiser in bezwaar is aangevoerd, heeft verweerder over zich afgeroepen dat eiser zijn eerder ingenomen stelling pas in beroep nader heeft kunnen onderbouwen met een concrete toezegging van SELFINA om voor eiser garant te zullen staan. Dit klemt te meer nu, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting ook heeft aangegeven, de garantstelling door SELFINA als aanvulling had kunnen dienen op de garantstelling door mevrouw [garantsteller] en dus tot gegrondverklaring van het bezwaar had kunnen leiden. Het vorenstaande, daarbij in aanmerking nemend het belang dat eiser heeft bij het voltooien van zijn studie, die hij tot op heden kennelijk zonder problemen heeft kunnen blijven volgen, leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het bepaalde in de artikelen 7:3, aanhef en onder b, en 3:2 van de Awb.

15. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

16. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

17. Aangezien niet is gebleken dat ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan eiser.

18. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 141,00 dient te vergoeden.

19. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden namens verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 141,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die het bedrag van de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen als rechter in tegenwoordigheid van

mr. A.A.M.J. Smulders als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2007.