Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB2286

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-07-2007
Datum publicatie
24-08-2007
Zaaknummer
09/754036-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afpersing. Verdachte heeft samen met anderen over een lange periode op volstrekt ontoelaatbare en op brute wijze het slachtoffer gedwongen tot afgifte van een grote som geld. Het slachtoffer werd meegevoerd naar een afgelegen plek alwaar hij met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp werd bedreigd en waar hij werd mishandeld. Voorts heeft verdachte zijn mededaders ertoe aangezet om het slachtoffer te bezoeken, alwaar zij zeer dreigend het slachtoffer te verstaan gaven het door verdachte gewenste geldbedrag af te geven. Het slachtoffer is dusdanig onder druk komen te staan door dit geweld en bedreiging met geweld, dat hij zijn huis heeft verkocht en een deel van de opbrengst aan verdachte via derde(n) heeft afgegeven. De straf is gegrond op de artikelen 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. Gevangenisstraf van twee jaren, met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/754036-06

's-Gravenhage, 20 juli 2007.

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Midden Holland, HvB De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 6 juli 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.M. Rammelt, advocaat te Amsterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. M.J.M. Nieuwenhuis heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De telastlegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 9 januari 2003 tot en met 1 januari 2006 te

Oegstgeest en/of Leiden en/of Amsterdam en/of Haarlem en/of Wassenaar, althans

in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen

tot het teniet doen van een inschuld en/of heeft gedwongen tot de afgifte van

een geldbedrag van 350.000 euro, althans 280.000 euro, in elk geval een groot

geldbedrag en/of meerdere/een horloge(s), in elk geval van enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld bestond(en) uit:

-het meermalen/eenmaal schoppen/trappen en/of slaan/stompen op/tegen het hoofd

en/of het been, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en/of

-het houden van een (op) een vuurwapen (gelijkend voorwerp) tegen het hoofd

van voornoemde [slachtoffer] en/of

-het dreigen met/tonen van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) (aan)

voornoemde [slachtoffer] en/of

-het tijdens zijn, verdachte's, detentie afsturen van twee, althans een

Roeme(e)n(en), genaamd [A] en/of [B] op voornoemde [slachtoffer] en/of

het aan die [A] en/of [B] de opdracht geven voornoemde [slachtoffer]

tijdens zijn, verdachte's detentie te bezoeken en/of te zeggen dat hij, [slachtoffer]

voornoemd geldbedrag en/of horloge(s) diende af te staan aan hem, verdachte;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 9 januari 2003 tot en met 1 januari 2006 te

Oegstgeest en/of Leiden en/of Amsterdam en/of Haarlem en/of Wassenaar, althans

in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot het teniet doen

van een inschuld en/of de afgifte van een geldbedrag van 350.000 euro, althans

280.000 euro, in elk geval een groot geldbedrag en/of meerdere/een horloge(s),

in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde

[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen:

-voornoemde [slachtoffer] meermalen/eenmaal heeft geschopt/getrapt en/of

geslagen/gestompt op/tegen het hoofd en/of het been, althans het lichaam en/of

-een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) tegen het hoofd van voornoemde

[slachtoffer] heeft gehouden en/of

-met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft gedreigd en/of een (op

een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) aan voornoemde [slachtoffer] heeft getoond en/of

-tijdens zijn, verdachte's detentie, twee, althans een Roeme(e)n(en), genaamd [A]en/of [B] op voornoemde [slachtoffer] heeft afgestuurd en/of [A] en/of [B] de opdracht heeft gegeven voornoemde [slachtoffer] tijdens

zijn, verdachte's detentie te bezoeken en/of te zeggen dat hij, [slachtoffer]

voornoemd geldbedrag en/of horloge(s) diende af te staan aan hem, verdachte,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrechtart 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of

een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 9 januari 2003 tot en met 10 januari 2003,

althans in de maand januari 2003 te Leiden en/of Wassenaar, althans in

Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer]) meermalen/eenmaal op/tegen het

hoofd en/of het been, althans het lichaam heeft geschopt/getrapt en/of

geslagen/gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 9 januari 2003 tot en met 1 januari 2006 te

Leiden en/of Wassenaar en/of Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk dreigend een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) tegen het

hoofd van voornoemde [slachtoffer] gehouden en/of een (op een) vuurwapen (gelijkend

voorwerp) (aan) voornoemde [slachtoffer] getoond en/of twee, althans een

Roeme(e)n(en), genaamd [A] en/of [B] op die [slachtoffer] afgestuurd;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Nadere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij in Spanje een zware nieroperatie heeft ondergaan om vervolgens begin januari 2003 om medische redenen een paar dagen voor de vermeende mishandeling van [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer]) met een privé-jet naar Nederland terug te keren voor vervolgopname in een Leids ziekenhuis. "Ik was dus", zo verklaart verdachte, "fysiek helemaal niet in staat om [slachtoffer] te mishandelen, sterker nog, ik ben er helemaal niet bij geweest".

Zijdens de verdediging is tevens aangevoerd dat de verklaring van [A] volstrekt ongeloofwaardig is. Verdachte heeft hiertoe aangevoerd dat [A] tijdens zijn detentie het hele strafdossier van verdachte heeft bestudeerd en zo over informatie kon beschikken om vervolgens een dergelijke belastende verklaring te kunnen afleggen.

De rechtbank overweegt dat de betrokkenheid van verdachte bij de primair ten laste gelegde afpersing in vereniging met geweld en bedreiging met geweld uit het volgende kan worden afgeleid.

Op 10 januari 2003 doet [slachtoffer] aangifte van een inbraak in zijn woning. Op de avond daarvoor, op 9 januari 2003 na ontdekking van de inbraak, is [slachtoffer] in gezelschap van onder meer verdachte bij de volgende personen op bezoek geweest om klaarheid (proberen) te krijgen over de inbraak. Dit betreft de verklaringen van:

1. [getuige 1] (getuigendossier G-04-01, blz. 0018 e.v.), die voor [slachtoffer] schoonmaakwerkzaamheden uitvoerde. Zij verklaart dat toen [slachtoffer] op de avond van 9 januari 2003 bij haar aan de deur kwam hij in het gezelschap was van 2 mannen. Op een aan haar getoonde politiefoto herkende [getuige 1] verdachte als een van deze 2 mannen.

2. [getuige 2] (getuigendossier G-05-01, blz. 0024 e.v.). Hij verklaart dat drie jaar geleden [slachtoffer] hem had gebeld met de mededeling dat er geld uit zijn huis was gestolen. Een paar uur later, zo verklaart [getuige 2] verder, stond [slachtoffer] met [verdachte] en een voor mij onbekende man bij mij voor de deur.

3. [slachtoffer] (ambtshandelingendossier I, AH-09, blz 0113 e.v.), zijnde het slachtoffer in deze zaak, verklaart zelf:

Op 9 januari 2003 is er vanuit mijn woning [adres] een diefstal gepleegd. Ik ben direct op onderzoek uitgegaan. Later op die avond ben ik rond 22.00 uur naar [getuige 2] gegaan. Ik had 2 vrienden bij mij, waarvan ik de namen niet wil noemen. Hierna zijn we met z'n drieën naar de moeder van mijn ex-vriendin [getuige 7] in [plaats] gegaan. De moeder van [getuige 7], [getuige 4], deed de deur open en liet ons binnen. Ik vertelde haar van mijn verdenking. [getuige 4] ging helemaal uit haar dak. Zij wilde mij te lijf gaan, waarna een van mijn vrienden haar een duw gaf, waardoor zij tegen de grond viel.

Tijdens dit gebeuren kwam het broertje van [getuige 7], [getuige 5], naar beneden. Ik heb daar nog kort mee gesproken.

4. [getuige 4] (ambtshandelingendossier I, AH-09, blz. 0119 e.v.) Na het tonen van een

aantal officiële politiefoto's, verklaart zij dat zij op fotonummer PL 1640:03:134 verdachte herkent, als degene, die op 9 januari 2003 te 22.10 uur in haar woning is geweest.

5. [getuige 5] (ambtshandelingendossier I, AH-09, blz. 0121 e.v.), die verklaart dat hij verdachte herkent van een aan hem getoonde politiefoto met nummer PL 1640:03:134, als degene die op 9 januari 2003 om 22.10 uur in de woning van zijn moeder [getuige 4] aanwezig was.

Voorts zijn er ten aanzien van het ten laste gelegde feit nog de volgende verklaringen afgelegd:

6. [getuige 6] (Ambtshandelingendossier I, AH-14, blz. 0151 e.v.) Deze getuige verklaart:

Ik kan mij herinneren dat in januari 2003 in het huis van [slachtoffer] (= [slachtoffer]) is ingebroken. [slachtoffer] belde mij 's avonds rond 10 uur op dat hij op de parkeerplaats bij mijn flat stond en vroeg of ik naar buiten wilde komen. Op de parkeerplaats gekomen stonden er plotseling 2 mannen naast mij. Nadat ik 5 minuten met deze mannen had staan praten, kwam [slachtoffer] aangelopen. Hij liep mank en hij maakte een aangeslagen indruk. Omdat ik kennelijk niet de juiste antwoorden kon geven, zijn [slachtoffer] en de 2 mannen weggegaan. De dag daarna zag ik dat [slachtoffer] was mishandeld. Hij had diverse blauwe plekken in zijn gezicht en ik zag dat zijn oren vol zaten met opgedroogd bloed. [slachtoffer] vertelde mij dat hij door die mannen en [verdachte] in elkaar was geslagen en dat [verdachte] een pistool op zijn hoofd had gezet.

7. [getuige 7] (getuigendossier G-07-01, blz. 0035 e.v.). Zij verklaart:

Op 9 januari 2003 werd ik voor 24.00 uur door [slachtoffer] gebeld. Er was echter geen gesprek met hem te voeren. Mijn vriendin, die bij mij was, heeft het gesprek overgenomen. [slachtoffer] vertelde aan deze vriendin: "Ze zetten een pistool tegen mijn kop". Mijn vriendin herhaalde dit na het telefoongesprek, maar ik had al het een en ander opgevangen.

Enkele dagen later heb ik [slachtoffer] persoonlijk gesproken. Ik zag dat [slachtoffer] blauwe plekken in zijn gezicht had. Ik zag dat [slachtoffer] heel angstig was. Zo had ik hem nog niet eerder meegemaakt.

8. [A] (getuigendossier G-21-01, blz 0123 e.v.). Deze getuige verklaart:

Ik heb [verdachte] in de gevangenis van Almére leren kennen. Hij vroeg mij of ik voor hem wilde werken, want hij mocht mij wel. Ik heb dat toegezegd. [verdachte] wilde dat ik personen voor hem bezocht, die hem geld verschuldigd waren. De opdrachten, die ik hiertoe van [verdachte] kreeg, liepen via de advocaat van [verdachte], [advocaat]. Ik kreeg op een gegeven ogenblijk een briefje van [verdachte] met de naam [slachtoffer], een advocaat uit [plaats]. Hij was [verdachte] geld schuldig. Mijn broer, [B], en ik hebben in Amsterdam met deze [slachtoffer] gesproken. [slachtoffer] was van goede wil en toonde ons de verkoopopdracht van zijn huis. Dit contract heb ik in mijn bezit.

Na 2 of 3 maanden heeft [slachtoffer] zijn huis verkocht en betaalde hij het bedrag terug.

Deze verklaringen staan niet op zichzelf maar vinden bevestiging in een aantal getapte telefoongesprekken, waarin onder andere het gebruikte geweld en de bedreigingen jegens [slachtoffer] worden bevestigd alsmede de dwang waaronder [slachtoffer] zich genoodzaakt zag zijn woning te verkopen om over een lange periode uit de opbrengst van die verkoop steeds geld aan [verdachte] af te geven.

De volgende telefoongesprekken zijn daarbij van belang:

Tapgesprek nummer T/08 d.d. 10 januari 2003 (tapdossier blz. 0009). In dit tapgesprek informeert [C], onder de naam [naam], bij het kadaster naar de gegevens van het pand [adres], zijnde het woonpand van [slachtoffer].

Tapgesprek nummer T/12 d.d. 10 januari 2003 (tapdossier blz. 0013). [C] belt in dit gesprek naar [D], en zegt tegen haar dat hij dingen heeft nagetrokken en dat het allemaal klopt. ZIJN hypotheek klopt en het huis is van HEM. Hij zegt verder dat het nu allemaal wel goed komt, maar dat hij liever weet wie het heeft.

Tapgesprek nummer T/13 d.d. 10 januari 2003 (tapdossier blz. 0015). [C] belt weer met [D] en zegt haar dat hij het wel lullig vindt maar dat het ZIJN schuld is en ZIJN verantwoordelijkheid. [D] vraagt of HIJ nog wel normaal kan lopen. Walter antwoordt van niet en dat zijn hoofd een beetje dik is en dat hij van zijn been wel enkele weken last zal houden.

Tapgesprek nummer T/18 d.d. 5 februari 2003 (tapdossier blz. 0025) In dit gesprek maakt [C] duidelijk dat zij nu drie ton en ZIJN aandelen van dat advocatenkantoor kunnen pakken. Dan gaat HIJ maar voor die Bolle werken.

Uit het dossier blijkt dat met Bolle verdachte wordt bedoeld.

Met betrekking tot hetgeen de verdachte heeft aangevoerd over de getuige [A] blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat [A] daadwerkelijk over een kopie van de verkoopopdracht van het huis van [slachtoffer] beschikte. Eveneens blijkt uit de bewijsmiddelen dat [A] in de in de dagvaarding genoemde periode in Nederland verbleef.

Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat [slachtoffer] na verkoop van zijn huis met grote regelmaat tot en met 12 december 2005 grote bedragen contant opnam, waarvan hij het doel niet heeft willen of kunnen verklaren. Daar komt bij dat getuige [A] heeft verklaard dat hij alle opdrachten van [verdachte] heeft volbracht. Dit laatste in combinatie met het door [slachtoffer] opgenomen grote bedrag, maakt dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte met anderen het primair ten laste gelegde heeft gepleegd.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte het op de dagvaarding onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat:

hij in de periode van 9 januari 2003 tot en met 1 januari 2006 te Oegstgeest en/of Leiden en/of Amsterdam en/of Haarlem en/of Wassenaar, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen

tot de afgifte van een groot geldbedrag toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], welk geweld en welke

bedreiging met geweld bestonden uit:

-het schoppen/trappen en/of slaan/stompen op/tegen het hoofd

en/of het been van voornoemde [slachtoffer] en

-het houden van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd

van voornoemde [slachtoffer] en

-het tijdens zijn, verdachtes, detentie afsturen van twee Roemenen, genaamd [A] en [B] op voornoemde [slachtoffer] en het aan die [A] en/of [B] de opdracht geven voornoemde [slachtoffer]

tijdens zijn, verdachtes detentie te bezoeken en te zeggen dat hij, [slachtoffer]

voornoemd geldbedrag diende af te staan aan hem, verdachte;

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met anderen over een lange periode op volstrekt ontoelaatbare en op brute wijze het slachtoffer gedwongen tot afgifte van een grote som geld.

Het slachtoffer werd meegevoerd naar een afgelegen plek alwaar hij met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp werd bedreigd en waar hij werd mishandeld. Het slachtoffer heeft hier pijn en letsel aan over gehouden. Voorts heeft verdachte zijn mededaders ertoe aangezet om het slachtoffer te bezoeken, alwaar zij zeer dreigend het slachtoffer te verstaan gaven het door verdachte gewenste geldbedrag af te geven. Het slachtoffer is dusdanig onder druk komen te staan door dit geweld en bedreiging met geweld, dat hij zijn huis heeft verkocht en een deel van de opbrengst aan verdachte via derde(n) heeft afgegeven.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van criminaliteit. Slachtoffers van dergelijke afpersingspraktijken maken angstige tijden mee en lijden zowel psychisch als fysiek onder het toegepaste geweld en de bedreigingen met geweld. Zo ook het slachtoffer in deze zaak. Uit getuigenverklaringen blijkt dat het slachtoffer mank liep, onder de blauwe plekken zat en een bebloed hoofd had. Verder is het slachtoffer benaderd door personen, die in opdracht van verdachte het slachtoffer onder grote psychische druk hebben gezet om een geldbedrag aan verdachte af te geven.

Verdachte, blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 7 december 2006, al eerder tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen veroordeeld, heeft het thans bewezenverklaarde feit grotendeels gepleegd voor zijn laatste veroordeling op 17 juni 2005.

Alhoewel het feit een langdurige vrijheidstraf rechtvaardigt zal de rechtbank, met toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, aan verdachte een kortere vrijheidstraf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder primair te laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van

de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 5 december 2006,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 8 december 2006,

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. van der Groen, voorzitter,

mr. M. Daalmeijer en mr. R. de Vreede, rechters,

in tegenwoordigheid van V.R.G.D. Boel, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juli 2007.