Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB2246

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-08-2007
Datum publicatie
23-08-2007
Zaaknummer
09/925422-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een aantal personen. Verdachte en zijn mededaders waren aangekleed als zogenaamde 'Lonsdalers' of skinheads, waarbij onder andere op hun kleding symbolen waren aangebracht als hakenkruizen, lauwerkranzen met de cijfers 88, ss-tekens, keltische kruizen, 'white power' en klu klux klan logo's. De groep waar verdachte bij hoorde kreeg ruzie met een groep skaters. Daarbij heeft de groep van verdachte gewapend met stokken dan wel takken op verscheidene skaters met een getint uiterlijk ingeslagen. Ook werden meerdere slachtoffers, die al dan niet al op de grond lagen, tegen hun lichaam en hoofd geschopt. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij en zijn mededaders het enkele feit dat de slachtoffers van een niet blank ras waren als reden hadden om hen te mishandelen. Voorts heeft verdachte zich, al dan niet in vereniging, op 3 verschillende momenten opzettelijk beledigend uitgelaten tegenover Joden en niet blanke personen. Werkstraf van 200 uren, gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk, proeftijd van 2 jaren. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: - 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 45, 47, 57, 137c en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/925422-06

's-Gravenhage, 23 augustus 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1987,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Forensisch Centrum [A].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 augustus 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr Th. Meijer, advocaat te 's-Gravenzande, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr Tielens heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair, 2, 3 en 4 telastgelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voorzover deze ziet op vergoeding van immateriële schade, bij wijze van voorschot, tot een bedrag van € 500,=.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 500,=, subsidiair 10 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Bewijsoverweging.

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 1 het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 6 mei 2006 met een aantal vrienden in het Vernede-sportpark in Zoetermeer is geweest bij een barbecuefeest. Verdachte heeft aangegeven dat hij en zijn vrienden gekleed waren als zogeheten 'Lonsdalers' dan wel 'skinheads' en aanhangers zijn van het nationaal socialistische gedachtegoed. Verdachte heeft verklaard dat hij rond 21.00 uur uit het park is weggegaan. Blijkens de in het dossier aanwezige aangiften, getuigenverklaringen en processen-verbaal van aanhouding moet er voor die tijd, rond 20.30 uur, in datzelfde park een vechtpartij zijn geweest tussen skinheads en skaters. Verdachte heeft bij herhaling verklaard dat hij niet betrokken was bij deze vechtpartij en dat hij zelfs niets heeft gemerkt van die vechtpartij, maar dat hij op het moment dat hij bij station Delftse Wallen aankwam wel een confrontatie heeft gehad met de andere groep die betrokken was bij de vechtpartij en hij daar vervolgens ook door de politie is aangehouden. Op zich acht de rechtbank deze verklaring gezien de vermelde tijdstippen al onwaarschijnlijk. Daarbij komt het volgende.

Blijkens de verklaring van [A] (blz. 308) was verdachte bij het barbecuefeest aanwezig, welke plaatsvond op een afstand van ongeveer 30 meter van de skatebaan. Voorts blijkt uit deze verklaring dat verdachte met nog een aantal andere jongens uit hun groep richting de skatebaan is gelopen. Even later kwam één van de jongens teruggelopen en zei: 'Kom we hebben ruzie. Kom helpen'. Daarnaast hebben zowel [B] als [C] verklaart dat zij tijdens de vechtpartij verdachte hebben zien slaan met een stok of een tak.

De rechtbank acht ook gelet op deze laatste drie verklaringen de verklaring van verdachte niet aannemelijk.

Voorts overweegt de rechtbank dat blijkens de verklaring van [A] er door één van de skinheads versterking werd gehaald op het moment dat de vechtpartij uitbrak. [D] heeft zelf ook verklaard dat hij, toen hij op de skatebaan stond, de opdracht kreeg om extra mensen op te halen bij het barbecuefeest van de skinheads. Daarnaast heeft de getuige [E] verklaard dat er op het moment dat er problemen waren op de skatebaan tussen de twee groepen plotseling vanuit de bossage een grote groep 'hooligans' gewapend met stukken hout en planken aan kwam en er op los begon te slaan, waarbij zij het hadden voorzien op de gekleurde skaters. Uit onder meer de verschillende aangiften blijkt dat de groep skinheads, waartoe verdachte ook behoorde, telkens in groepsverband één bepaald slachtoffer belaagden.

De rechtbank is op grond van deze verklaringen van oordeel dat verdachte en zijn mededaders niet alleen door het slaan met stokken (althans wapens) en het schoppen van op de grond liggende slachtoffers bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij deze slachtoffers zwaar lichamelijk letsel zouden toebrengen maar ook dat er sprake was van een nauwe samenwerking en gezamenlijke uitvoering.

Verdacht kan derhalve worden aangemerkt als medepleger van het hem en zijn medeverdachten onder feit 1 primair telastgelegde geweld. De rechtbank acht in navolging van de officier van justitie, de strafverzwarende omstandigheid van voorbedachte rade niet bewezen. Het dossier geeft immers onvoldoende aanknopingspunten dat er bij de groep van verdachte vooraf al een plan was om te gaan vechten.

Ten aanzien van feiten 2, 3 en 4 overweegt de rechtbank het volgende.

Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het dragen van een symbool als het hakenkruis met de gedachte om het nationaal socialistische gedachtegoed uit te dragen een belediging als bedoeld ik artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht. Dit aangezien dit op grond van feiten naar algemene bekendheid beledigend is voor onder anderen joden, wegens hun ras.

Verdachte heeft verklaard dat hij de buttons en andere symbolen op zijn kleding droeg om zijn gedachtegoed, te weten het nationaal-socialisme, uit te dragen en daarnaast om mensen te provoceren. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij wist dat hij door het dragen van deze symbolen mensen - en met name joden en niet blanke personen - daarmee kon beledigen. Dit geldt ook voor het symbool '88', waarmee, zoals verdachte ook ter terechtzitting heeft bevestigd tweemaal de 8e letter van het alfabet wordt aangeduid, hetgeen als afkorting bedoeld wordt van de woorden: 'Heil Hitler'.

De rechtbank is van oordeel dat op grond daarvan, alsmede gezien het uiterlijk van verdachte en de context waarin hij deze symbolen droeg, niet alleen de door verdachte gedragen hakenkruizen, maar ook de andere symbolen als een belediging in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht dienen te worden aangemerkt.

Dat de door verdachte en zijn mededader op 25 januari 2006 te Zoetermeer gezongen en geroepen leuzen, zoals deze onder feit 3 zijn telastgelegd, als beledigend zijn aan te merken behoeft naar het oordeel van de rechtbank geen nadere toelichting. Deze gedragingen versterken het beledigende karakter van vorenbedoelde symbolen en de intentie van verdachte en zijn mededader, te weten het dragen daarvan ook als beledigend te doen overkomen.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 primair, 2, 3 en 4 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 6 mei 2006 in vereniging met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een aantal personen. Verdachte was met zijn mededaders in het Vernede sportpark in Zoetermeer, alwaar zij een barbecuefeest hadden. Zij waren aangekleed als zogenaamde 'Lonsdalers' of skinheads, waarbij onder andere op hun kleding symbolen waren aangebracht als hakenkruizen, lauwerkranzen met de cijfers 88,

ss-tekens, keltische kruizen, 'white power' en klu klux klan logo's.

De groep waar verdachte bij hoorde kreeg die avond ruzie met een groep skaters. Daarbij heeft de groep van verdachte gewapend met stokken dan wel takken op verscheidene skaters met een getint uiterlijk ingeslagen. Ook werden meerdere slachtoffers, die al dan niet al op de grond lagen, tegen hun lichaam en hoofd geschopt.

Dat deze slachtoffers geen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen bij deze mishandelingen is een gelukkige omstandigheid, die geenszins aan verdachte is te danken.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij en zijn mededaders het enkele feit dat de slachtoffers van een niet blank ras waren als reden hadden om hen te mishandelen.

Mishandelingen zijn op zich al ernstige feiten die kunnen rekenen op een stevige strafrechtelijke vergelding, maar indien deze zonder enige aanleiding doch slechts uit een racistische gezindheid plaatsvinden ligt in beginsel slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de rede.

Voorts heeft verdachte zich, al dan niet in vereniging, op 3 verschillende momenten opzettelijk beledigend uitgelaten tegenover Joden en niet blanke personen. Ook dit is een ernstig strafbaar feit dat krachtig dient te worden bestreden.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 22 juni 2006. Hieruit blijkt dat verdachte reeds eerder voor soortgelijke geweldsdelicten is veroordeeld tot onder andere werkstraffen als ook voorwaardelijke detentiestraffen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat deze eerdere veroordelingen hem er niet van hebben weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

De rechtbank acht voor de bewezenverklaarde feiten, zoals overwogen, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Verdachte bevindt zich nu in vrijheid. Hij heeft ter terechtzitting bezworen dat hij geheel afstand heeft genomen van gedragingen als bewezenverklaard en van de groep die zich daarmee bezighield. Gelet daarop, alsmede als stok achter de deur, acht de rechtbank navolgende werkstraf alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij.

[slachtoffer], wonende te [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.030,= ter vergoeding van materiële schade en ter terechtzitting aangevuld met een niet nader gespecificeerd bedrag voor immateriële schade.

Voorzover de vordering betrekking heeft op vergoeding van de materiële schade, zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien die vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde heeft immers in geen van zijn afgelegde verklaringen deze schade genoemd en deze ook niet onderbouwd met aankoopbonnen.

Deze vordering, voorzover deze betrekking heeft op immateriële schade is door de op het Voegingsformulier omschreven gevolgen gestaafd, terwijl die vordering, gedeeltelijk eenvoudig van aard is, en rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 1 primair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij gedeeltelijk ontvankelijk is in zijn vordering en zal deze vordering, bij wijze van voorschot toewijzen tot een bedrag van € 250,=.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 250,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1, 1, 2, 3 en 1 onttrekken aan het verkeer, zijnde deze voorwerpen voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten zijn begaan.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 45, 47, 57, 137c en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair, 2, 3 en 4 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

MEDEPLEGEN VAN EEN POGING TOT ZWARE MISHANDELING;

ten aanzien van feit 2:

MEDEPLEGEN VAN HET ZICH IN HET OPENBAAR BIJ AFBEELDING OPZETTELIJK BELEDIGEND UITLATEN OVER JODEN EN NEGERS WEGENS HUN RAS;

ten aanzien van feit 3:

MEDEPLEGEN VAN HET ZICH IN HET OPENBAAR MONDELING EN BIJ AFBEELDING OPZETTELIJK BELEDIGEND UITLATEN OVER JODEN, NEGERS EN NIET BLANKE PERSONEN WEGENS HUN RAS;

ten aanzien van feit 4:

HET ZICH IN HET OPENBAAR BIJ AFBEELDING OPZETTELIJK BELEDIGEND UITLATEN OVER JODEN, NEGERS EN NIET BLANKE PERSONEN WEGENS HUN RAS;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 200 (tweehonderd) UREN;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag, zodat 192 (honderd twee en negentig) uren resteren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 96 (zes en negentig) DAGEN;

aangehouden op: 6 mei 2006,

in verzekering gesteld op: 7 mei 2006,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 10 mei 2006,

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 MAANDEN;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] deels toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], wonende te [adres], een bedrag van € 250,=, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding, en dat deze zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 250,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

verklaart onttrokken aan het verkeer de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1, 1, 2, 3 en 1, te weten: 1 ketting met hanger hakenkruis, 1 speld afbeelding hakenkruis/opschrift: 'Deutschland Erwache 1933', 1 button opschrift 'Hate Core 88', 1 button met afbeelding ijzerenkruis en 1 jas met opdruk '88' en lauwerkrans;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Wittop Koning, voorzitter,

Donker en Teerds, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Bröcheler, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 augustus 2007.

parketnummer 09/925422-06