Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB2069

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-08-2007
Datum publicatie
21-08-2007
Zaaknummer
AWB 07/5732 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van B&W van Den Haag om strandpaviljoen Beachclub Zand voor onbepaalde tijd te sluiten afgewezen. B&W waren, gelet op artikel 65 van de APV (Algemene Politieverordening) bevoegd tot sluiting voor onbepaalde tijd over te gaan en hebben naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken. Nu B&W met betrekking tot verzoekers aanvraag aanleiding hebben gezien om het Landelijk Bureau Bibob om advies te vragen, is het onzeker of de vergunning zal worden verleend en op welke termijn. Er kan derhalve niet worden gezegd dat er een concreet uitzicht op legalisatie bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nr. AWB 07/5732 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:84

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], h.o.d.n. "Beachclub Zand", te 's-Gravenhage, verzoeker,

ten aanzien van het besluit van 31 juli 2007 van de burgemeester van

Den Haag, verweerder, waarbij besloten is:

- de recreatie-inrichting (strandpaviljoen) gevestigd in het perceel Zuiderstrand B te Den Haag voor onbepaalde tijd te sluiten, ingaande op maandag 6 augustus 2007 om 12.00 uur;

- de politie opdracht te geven de sluiting in het openbaar bekend te maken;

- betrokkene erop te wijzen dat de sluiting zo nodig van gemeentewege, doch voor zijn rekening, zal worden verricht.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 1 augustus 2007 bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij faxbericht van 2 augustus 2007 heeft verweerder de effectuering van het besluit van 31 juli 2007 opgeschort in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter.

Het verzoek is op 14 augustus 2007 ter zitting behandeld, waarbij verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.H. Fleers, advocaat te Den Haag, en verweerder werd vertegenwoordigd door mr. E.P. Alonso en C.E.J.M. Vaars.

I. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Aan het besluit tot sluiting heeft verweerder ten grondslag gelegd dat sprake is van exploitatie van de inrichting zonder de vereiste vergunning ex artikel 57 van de Algemene Politieverordening voor 's-Gravenhage 1982 (hierna: APV). Gebleken is dat verzoeker niet binnen 13 weken na

16 februari 2007 een volledige aanvraag heeft ingediend, zodat hij geen gebruik kan maken van de aan de vorige ondernemer verleende vergunning. Nu verweerder, na beoordeling van de aanvraag, aanleiding heeft gezien het Landelijk Bureau Bibob om advies te vragen, bestaat er naar zijn mening geen concreet zicht op legalisering. Daarom is besloten tot sluiting over te gaan.

3. Ter onderbouwing van zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft verzoeker gesteld hij wel binnen 13 weken een aanvraag heeft ingediend en dat hem niet schriftelijk verzocht is de desbetreffende aanvraag aan te vullen. De aan de vorige ondernemer verleende vergunning is dan ook niet komen te vervallen. Daarnaast stelt verzoeker dat er wel concreet zicht is op legalisatie, omdat verweerder geen gegronde redenen heeft om het Landelijke Bureau Bibob om advies te vragen. Nu er blijkbaar geen andere redenen zijn om de vergunning te weigeren, dient verweerder niet over te gaan tot handhavend optreden. Met name niet nu verweerder niet is ingegaan op zijn aanbod om de financiering van zijn onderneming toe te lichten.

4.1. Ingevolge artikel 57, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van de burgemeester of in strijd met de aan deze vergunning verbonden voorschriften een recreatie-inrichting op te richten, uit te breiden, te wijzigen of te drijven.

4.2. Artikel 63, eerste lid, van de APV bepaalt dat een vergunning ex artikel 57 vervalt, zodra het inrichten en/of drijven van de recreatie-inrichting is beëindigd en op een volledige aanvrage om een nieuwe vergunning voor het uitoefenen van dezelfde recreatie-inrichting is beslist, of, indien zodanige aanvrage niet is ingediend binnen 13 weken na het beëindigen van het inrichten en drijven van de recreatie-inrichting, bij het verstrijken van deze termijn.

4.3. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de APV kan de burgemeester, indien degene, die de recreatie-inrichting inricht of drijft, in strijd handelt met het bepaalde in artikel 57, lid 1, 62 lid 1 en artikel 66 leden 1a en 1b, dan wel indien hij dat anderszins ter bescherming van het woon- en leefklimaat noodzakelijk acht, de gehele of gedeeltelijke sluiting van een recreatie-inrichting bevelen.

Het derde lid bepaalt dat het bevel tot sluiting geldt voor bepaalde of onbepaalde tijd.

5.1. Vaststaat dat de recreatie-inrichting "Beachclub Zand" sinds 16 februari 2007 door verzoeker wordt gedreven. Niet gebleken is dat verzoeker voor het verstrijken van de 13-wekentermijn op 18 mei 2007 een volledige aanvraag heeft ingediend ten behoeve van de exploitatie van het perceel Zuiderstrand B te Den Haag. Uit artikel 63, eerste lid, van de APV volgt dat het overgangsrecht alleen van toepassing is als de complete aanvraag met alle voorgeschreven stukken binnen 13 weken is ingediend. Hoewel verzoeker op 25 april 2007 tijdig een aanvraag om vergunning ex artikel 57 van de APV heeft ingediend, heeft hij deze pas op 19 juni 2007 gecompleteerd. Dit blijkt uit het ontvangstbewijs van de brandweer dat gedateerd is op 19 juni 2007. Door het ontbreken van een schriftelijke inverzuimstelling is verzoeker niet in zijn belangen geschaad, nu ter zitting is gebleken dat verzoeker wist dat hij de ontbrekende stukken nog diende aan te leveren. De bij besluit van 30 december 2004 aan de vorige eigenaar verleende exploitatievergunning is dan ook van rechtswege vervallen.

5.2. Gelet op het bepaalde in artikel 65 van de APV was verweerder bevoegd tot sluiting voor onbepaalde tijd van de recreatie-inrichting in het perceel Zuiderstrand B te Den Haag over te gaan.

5.3. Verweerder heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Van dergelijke omstandigheden is vooralsnog niet gebleken. Nu verweerder met betrekking tot verzoekers aanvraag aanleiding heeft gezien om het Landelijk Bureau Bibob om advies te vragen, is het onzeker of de vergunning zal worden verleend en op welke termijn. Er kan derhalve niet worden gezegd dat er een concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Daarbij is van belang dat het vragen van een Bibob-advies een bevoegdheid is die verweerder heeft in het kader van het toetsen van een aanvraag om een vergunning ex artikel 57 van de APV en dat op een eventuele uitkomst van dit Bibob-onderzoek niet vooruit kan worden gelopen. Onder deze omstandigheden kan het niet onredelijk worden geacht dat verweerder de bestaande situatie niet langer wil gedogen. Dat de sluiting voor verzoeker en zijn personeel wellicht verstrekkende financiële gevolgen heeft, doet hieraan niet af.

6. Gezien het vorenstaande dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

II. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. C.C. Dedel-van Walbeek als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.A. Molemans.