Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB2053

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
22-08-2007
Zaaknummer
Awb 07/29740, 07/29738
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AC-procedure / herhaalde aanvraag / generaal pardon / schending artikel 28 Vw 2000

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker tijdens het gehoor inzake nieuwe feiten en omstandigheden heeft verklaard dat hij niet is gekomen om opnieuw asiel aan te vragen, doch dat hij is gekomen voor het generaal pardon. De voorzieningenrechter acht het onder de gegeven omstandigheden niet juist van verweerder om verzoeker niettemin in de AC-procedure op te nemen en de aanvraag in behandeling te nemen. Hij heeft verwezen naar artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000, waarin is bepaald dat verweerder bevoegd is de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was het door verweerder in de AC-procedure genomen besluit in dit geval niet gerechtvaardigd, nu verzoeker aan zijn aanvraag in het geheel geen asielgerelateerde gronden ten grondslag heeft gelegd. Beroep gegrond wegens schending van artikel 28 Vw 2000. Geen veroordeling in de proceskosten, omdat verzoeker op advies van zijn gemachtigde bewust de AC-procedure heeft gebruikt om een besluit uit te lokken over de vraag of hij in aanmerking komt voor het generaal pardon.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNVR 2007/242

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Zaaknummers:

Awb 07/29740 (voorlopige voorziening)

Awb 07/29738 (beroep)

Uitspraak in het geschil tussen

[Verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1971,

van Iraakse nationaliteit,

V-nummer: 200.607.4988,

verzoeker,

gemachtigde: mr. S.S. Ilahi, advocaat te Groningen,

en

DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. S. Raterink, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. Op 18 juli 2007 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 24 juli 2007 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2. Bij beroepschrift van 24 juli 2007 heeft verzoeker hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder Awb 07/29738. Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten.

1.3. Bij verzoekschrift van 24 juli 2007 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist. Bij brief van 31 juli 2007 zijn de gronden van het verzoek ingediend.

1.4. Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 3 augustus 2007. Verzoeker is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2. De voorzieningenrechter kan, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaak, op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.

Feiten en standpunten van partijen

2.3. Verzoeker heeft eerder, te weten op 25 augustus 1997, een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en een aanvraag om een vergunning tot verblijf. Bij beschikking van 31 maart 1998 is deze aanvraag kennelijk ongegrond verklaard respectievelijk niet ingewilligd. Het daartegen gemaakt bezwaar is bij beschikking van 16 maart 1999 ongegrond verklaard. Deze rechtbank ‘s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 16 november 1999 (Awb 99/2894) het hiertegen gerichte beroep van 15 april 1999 ongegrond verklaard. Daarmee heeft de beslissing op de aanvraag van 25 augustus 1997 formele rechtskracht gekregen. Vervolgens heeft verzoeker op 18 juli 2007 wederom een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke aanvraag bij beschikking van 24 juli 2007 is afgewezen. Laatstgemelde beschikking ligt thans ter beoordeling voor.

2.4. Verzoeker heeft in het kader van zijn, thans aan de orde zijnde, herhaalde aanvraag van 18 juli 2007 een beroep gedaan op de generaal pardonregeling. In dit verband heeft verzoeker aangevoerd dat hij al ruim negen jaar in Nederland verblijft.

Voorts heeft verzoeker gevraagd of hij in aanmerking kan komen voor onderdak en sociale voorzieningen.

2.5. Verweerder heeft de aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, Awb, afgewezen. Daarbij is overwogen dat de aan de aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet kunnen worden beschouwd als nieuw in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Een beroep op de speciale regeling valt gezien de strikte scheiding tussen asiel en regulier buiten de strekking van de onderhavige aanvraag, omdat het om een reguliere verblijfsvergunning gaat. Voorts heeft de speciale regeling of een beroep daarop geen enkel causaal verband met de reden van vertrek van verzoeker uit zijn land van herkomst. De stelling van verzoeker dat het beroep op de speciale regeling asielgerelateerd is, wordt door verweerder niet gevolgd. Daartoe is overwogen dat in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2007/11 staat vermeld dat ambtshalve een verblijfsvergunning regulier kan worden verleend aan een vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de regeling ‘afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet’. Ten aanzien van de vraag of verzoeker in aanmerking komt voor sociale voorzieningen en onderdak heeft verweerder overwogen dat de herhaalde aanvraag er niet toe strekt opvang te genereren voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Het verlies van opvang is een (rechts)gevolg van de toenmalige afwijzing van de asielaanvraag. Nu de huidige aanvraag van verzoeker wordt afgewezen, bestaat er voor hem geen recht op opvang. Daarnaast heeft het ontbreken van sociale voorzieningen of onderdak geen enkele relatie met de reden van vertrek van verzoeker uit zijn land van herkomst. Om die reden is geen sprake van een novum in de zin van artikel 4:6 Awb.

2.6. Verzoeker verwijst in de eerste plaats naar al hetgeen eerder in de zienswijze naar voren is gebracht. Voorts stelt verzoeker dat hij met het beroep op de generaal pardonregeling een beroep doet op een verlening van een verblijfsvergunning regulier die asielgerelateerd is. Verder meent verzoeker dat verweerder al in het aanmeldcentrum had kunnen beoordelen of hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van WBV 2007/11. Daartoe stelt hij dat zijn dossier compleet is, hij bij verweerder bekend is en hij geen contra-indicaties heeft. Tevens begrijpt verzoeker niet waarom hij de beslissing op zijn beroepschrift niet in Nederland mag afwachten en hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Ten slotte meent verzoeker dat verweerder inhoudelijk in had moeten gaan op zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel en niet had kunnen volstaan met de overweging dat de verwijzing naar het gelijkheidsbeginsel geen aanleiding geeft om ten aanzien van hem de eerder genomen beslissing te herzien. Hij stelt dat de bestreden beschikking op dat punt niet voldoende is gemotiveerd.

Beoordeling van het verzoek

2.7. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker zijn herhaalde aanvraag niet heeft ingediend om opnieuw asiel te vragen. Hij acht daartoe van belang dat verzoeker tijdens het gehoor inzake nieuwe feiten en omstandigheden heeft verklaard dat hij niet is gekomen om opnieuw asiel aan te vragen, doch dat hij is gekomen voor het generaal pardon. Voorts heeft verzoeker in genoemd gehoor verklaard dat hij volgens zijn advocaat door moest gaan met zijn asielaanvraag. Verder is van belang dat de gemachtigde van verzoeker ter zitting heeft bevestigd dat verzoeker in het aanmeldcentrum te Ter Apel een aanvraag heeft ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel en daaraan de pardonregeling, als neergelegd in WBV 2007/11, ten grondslag heeft gelegd.

De voorzieningenrechter acht het, bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, niet juist van verweerder om verzoeker niettemin in de AC-procedure op te nemen en de aanvraag in behandeling te nemen. Hij verwijst in dit kader naar artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000, waarin is bepaald dat verweerder bevoegd is de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen. De voorzieningenrechter laat daarbij meewegen dat de aanvraag van verzoeker enkel bedoeld was om een besluit uit te lokken over de regeling inzake het generaal pardon en om te trachten verzoeker (weer) in de opvang te krijgen. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het door verweerder in de AC-procedure genomen besluit in dit geval niet gerechtvaardigd was, nu verzoeker aan zijn aanvraag in het geheel geen asielgerelateerde gronden ten grondslag heeft gelegd.

2.8. Gelet op het voorgaande komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het bepaalde in artikel 28 Vw 2000. Het beroep is derhalve gegrond. Aan het beroep van verzoeker op het gelijkheidsbeginsel komt de voorzieningenrechter dan niet meer toe.

2.9. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb.

2.10. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat in het onderhavige geval geen aanleiding. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker, op advies van zijn gemachtigde, bewust de AC-procedure heeft gebruikt om een besluit uit te lokken over de vraag of hij in aanmerking komt voor het generaal pardon.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer Awb 07/29738, gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking van 24 juli 2007;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummer Awb 07/29740, af.

Aldus gegeven door mr. H.C.P. Venema, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.A. Ruiter als griffier op 8 augustus 2007.

Tegen de uitspraak inzake het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Tegen de uitspraak in de bodemzaak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: