Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB1833

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-07-2007
Datum publicatie
16-08-2007
Zaaknummer
KG 07/920
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Toewijzing van vordering ontruiming woning na gegeven ontslag op staande voet is onverantwoord.

Gedaagden werkten in restaurant op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en wonen in de woning boven een restaurant. Gedaagden zijn op staande voet ontslagen. In geschil is het antwoord op de vraag of gedaagden zonder recht of titel in de woning verblijven.

Vorderingen worden afgewezen. Onzeker of arbeidsovereenkomsten zijn geëindigd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 215
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 232
Burgerlijk Wetboek Boek 7 234
Burgerlijk Wetboek Boek 7 272
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2007/210
Prg. 2007, 122

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 30 juli 2007,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/920 van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.G. Hinnen,

tegen:

1. [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden,

verschenen in persoon, met bijstand van mr. J. Stam, advocaat te Amsterdam.

1. Het procesverloop

Eiser heeft gedaagde op 25 juli 2007 doen dagvaarden om op 30 juli 2007 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op 30 juli 2007 behandeld en spoedshalve is op diezelfde datum uitspraak gedaan. Daarvan is een uittreksel uit het audiëntieblad afgegeven met daarop de aantekening van voormeld vonnis.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 30 juli 2007 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Krachtens een huurovereenkomst van 25 juni 2005 huurt eiser de woning aan de [adres] (hierna: de woning) van mevrouw [A].

2.2. [A] is eigenaresse van het restaurant [restaurant] (hierna: het restaurant), dat eveneens is gevestigd aan de [adres], namelijk onder de woning. Gedaagden werken beiden in het restaurant op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Eiser is daar bedrijfsleider.

2.3. Op 2 juli 2007 zijn gedaagden op staande voet ontslagen. Op 31 juli 2007 dient tussen de werkgever en gedaagden, in het kader van het gegeven ontslag op staande voet, een kort geding tot doorbetaling loon, alsmede een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor zover vereist, bij de kantonrechter van deze rechtbank (sector kanton, locatie Alphen aan den Rijn).

2.4. Vanaf augustus 2006 wonen gedaagden in de woning boven het restaurant.

2.5. Een aantal buurtbewoners van de [adres] heeft de volgende verklaring ondertekend:

'Met ondertekening van deze brief, verklaar ik dat ik weet dat de woning boven het restaurant [restaurant], al vele jaren uitsluitend door het personeel van Restaurant [restaurant] gebruikt wordt. Het is mij bekend dat [eiser] niet boven het restaurant woont.'.

3. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

Eiser vordert - zakelijk weergegeven - gedaagden op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te verlaten met al hun bezittingen onder afgifte van de sleutels aan eiser. Voorts eiser te machtigen dit vonnis met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer te leggen en gedaagden te verbieden de woning daarna nog te betreden.

Daartoe voert eiser het volgende aan.

Gedaagden verblijven zonder recht of titel in de woning. Zij genieten geen huurbescherming en evenmin betalen zij huur of overige kosten voor verblijf. Gedaagden werkten in het restaurant onder de woning. Eiser heeft gedaagden tijdelijk in de gelegenheid gesteld bij hem in te wonen, omdat zij nog zoekende waren naar eigen woonruimte. Omdat de relatie tussen partijen onprettiger werd heeft eiser zich genoodzaakt gezien tijdelijk elders te gaan wonen in afwachting van het vertrek van gedaagden uit de woning. Uit de arbeidsovereenkomsten blijkt niet dat (bewoning van) de woning onderdeel uitmaakt van deze overeenkomsten.

Gedaagden voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen nu het een huurgeschil betreft en dergelijke geschillen zijn voorbehouden aan de kantonrechter. Dit verweer treft geen doel. De hier toepasselijke wettelijke hoofdregel, neergelegd in artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, schrijft voor dat in alle spoedeisende zaken de voorzieningenrechter bevoegd is een onmiddellijke voorziening bij voorraad te geven. In lid 4 van hetzelfde artikel is bepaald dat náást de voorzieningenrechter ook de kantonrechter bevoegd is een voorziening te geven in zaken die ten gronde door de kantonrechter worden behandeld en beslist. De voorzieningenrechter is dus bevoegd kennis te nemen van de vorderingen.

4.2. In geschil is het antwoord op de vraag of gedaagden zonder recht of titel in de woning verblijven. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord en wel om het volgende. Ter zitting is naar voren gekomen dat de feitelijke situatie omtrent het gebruik van de woning (geheel) anders is dan de in de dagvaarding geschetste situatie. Zo is in de dagvaarding aangevoerd dat gedaagden door eiser in de gelegenheid zijn gesteld om korte tijd bij hem in te wonen. Daarnaast stelt eiser dat hij recentelijk heeft moeten besluiten om tijdelijk elders te gaan wonen in afwachting van het vertrek van gedaagden, omdat de woonsituatie de laatste weken dermate verslechterd is. Op de zitting is echter komen vast te staan dat eiser in ieder geval vanaf juli 2005 niet meer woonachtig is in de woning boven het restaurant. Bovendien is gebleken dat de woning vaker is gebruikt voor werknemers die vanuit [land] overkomen om in het restaurant in [plaats A] te gaan werken. Een en ander volgt ook uit de door buurtbewoners ondertekende verklaring, zoals weergegeven onder 2.5. Dat eiser al geruime tijd zijn hoofdverblijf niet meer heeft in de woning, volgt ook uit de - door hem erkende - omstandigheid dat hij en de eigenaresse van het restaurant al geruime tijd een affectieve relatie met elkaar hebben. Uit deze relatie zijn twee kinderen voortgekomen die thans de leeftijd van acht en twaalf jaar hebben. Onweersproken is gesteld dat eiser samen met de eigenaresse en de kinderen in [plaats B] woont. Daarnaast is gebleken dat gedaagden al eerder hebben gewerkt in het restaurant dan met ingang van de in de dagvaarding genoemde datum 1 februari 2007. Namelijk in de periode van 1 april 2004 tot september 2005 en, na een tussenpozen van een jaar, vanaf augustus 2006 tot in ieder geval 2 juli 2007, zijnde de datum van het ontslag op staande voet.

4.3. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de woning niet enkel gebruikt wordt om personeel 'tijdelijk' te helpen met huisvesting. De arbeidsovereenkomsten lijken toch een wezenlijke rol te spelen in het kunnen gebruiken van de woning. Hiermee is voldoende aannemelijk geworden dat de arbeidsovereenkomsten en de woning met elkaar verbonden zijn, zodat de grondslag van de vordering, zonder recht of titel in de woning verblijven, niet aannemelijk is. De arbeidsovereenkomsten zijn op 2 juli 2007 weliswaar per direct opgezegd op grond van een dringende reden, maar gedaagden hebben de nietigheid van die opzeggingen ingeroepen. Dat heeft tot gevolg dat thans nog onzeker is of de arbeidsovereenkomsten zijn geëindigd. Die discussie zal op 31 juli 2007 bij de kantonrechter, zoals gemeld onder 2.3., gevoerd moeten worden.

4.4. Op grond van dit alles is toewijzing van de vorderingen onverantwoord.

4.5. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.067,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 251,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en uitgesproken ter openbare zitting van 30 juli 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.

nve