Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB1793

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-08-2007
Datum publicatie
16-08-2007
Zaaknummer
AWB 07/29810
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / opnieuw beroep / geen nieuwe omstandigheden

In het kader van de toets of het zicht op uitzetting en verweerders voortvarendheid in het effectueren van die uitzetting het voortduren van de vreemdelingenbewaring van een vreemdeling rechtvaardigt, vormt de rechtbank haar oordeel mede op basis van de informatie die partijen aandragen in het beroepschrift, tijdens het vooronderzoek en tijdens het onderzoek ter zitting. Die informatie is naar dezerzijds oordeel des te meer van belang in het geval een gemachtigde namens een betrokkene wederom beroep instelt nadat zeer kort voordien de rechtbank reeds een oordeel heeft gegeven over de rechtmatigheid van de bewaring.

De gemachtigde van eiseres heeft zich in het inleidend beroepschrift echter beperkt tot de grief dat er geen zicht op uitzetting is en dat verweerder niet voortvarend genoeg handelt om eiseres op korte termijn te kunnen uitzetten. Om hem moverende redenen heeft de gemachtigde het bij dit standaard beroepschrift gelaten en ook niet gereageerd op de door verweerder ingezonden voortgangsrapportage en is deze gemachtigde evenmin ter zitting verschenen.

Nu de gemachtigde van eiseres op geen enkele wijze iets heeft aangevoerd dat niet reeds eerder is aangevoerd en is beoordeeld en de rechtbank evenmin van enige wijziging in de relevante omstandigheden is gebleken, volstaat de rechtbank met een verwijzing naar haar uitspraak van 18 juli 2007 waarin reeds gemotiveerd is overwogen dat zicht op uitzetting van eiseres bestaat en dat verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te kunnen effectueren.

Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken, dat de voortduring van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

Vorenstaand oordeel brengt met zich dat een grondslag voor toekenning van schadevergoeding ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 96 juncto artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

Proc.nr.: AWB 07/29810

Inzake: [eiseres],

volgens haar verklaring geboren op [geboortedatum] 1978 en van Marokkaanse nationaliteit, verblijvende in het Detentiecentrum Noorderzand te Heerhugowaard,

hierna te noemen: eiseres,

gemachtigde mr. G. Jairam, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie te ’s-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 18 april 2007 is eiseres in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 24 juli 2007 is namens eiseres beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

De rechtbank heeft op 31 juli 2007 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat het onderzoek ter zitting niet achterwege kan blijven, waarna op 8 augustus 2007 het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden. Eiseres is bij die behandeling niet verschenen. De gemachtigde van eiseres is zonder kennisgeving evenmin verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde ir. M. Petsch.

II. OVERWEGINGEN

Ter beoordeling ligt thans de vraag of er - nog steeds - voldoende perspectief bestaat op uitzetting van eiseres en of verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te effectueren. Voorts is van belang te beoordelen of voortzetting van de bewaring ook overigens, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid nog gerechtvaardigd is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Eiseres is op 18 april 2007 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 11 mei 2007

(AWB 07/16688) is het door eiseres tegen die maatregel ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Eiseres heeft vervolgens op 15 mei 2007 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 ingediend. Verweerder heeft de bewaringsgrondslag per diezelfde dag gewijzigd in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Op 4 juni 2007 is vervolgens door de gemachtigde van eiseres beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. Dat beroep is bij uitspraak van de rechtbank van 8 juni 2007 (AWB 07/23169) ongegrond verklaard.

Bij besluit van 22 juni 2007 is de door eiseres ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 niet ingewilligd. In verband hiermee is eiseres in bewaring gesteld op de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bedoelde grond.

Tegen het besluit van 22 juni 2007 heeft eiseres beroep ingesteld. Voorts heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht bij wege van voorlopige voorziening uitzetting te verbieden tot op het beroep is beslist.

Ingevolge onderdeel A4/6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) mag eiseres de beslissing van de voorzieningenrechter hier te lande afwachten.

Op 4 juli 2007 is vervolgens wederom beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. Bij uitspraak van 18 juli 2007 (AWB 07/27339) heeft de rechtbank de bewaring tot de dag van sluiting van het vooronderzoek, te weten 11 juli 2007, rechtmatig geacht en het namens eiseres ingestelde beroep ongegrond verklaard. In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de omstandigheid dat eiseres thans niet verwijderbaar is omdat zij hangende het door haar ingestelde asielberoep een voorlopige voorziening heeft gevraagd, geen grond biedt voor het oordeel dat geen zicht op uitzetting bestaat. Hiertoe heeft de rechtbank van belang geacht dat ter bespoediging van de voorlopige voorzieningenprocedure de betreffende gerechtelijke instantie is verzocht het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening met voorrang te behandelen.

Bij beroepschrift van 24 juli 2007 is door mr. G. Jairam vervolgens wederom beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming van eiseres. In dit beroepschrift, zijnde een zogenoemd CIV-formulier, zijn geen specifiek op de zaak van eiseres betrekking hebbende gronden tegen het voortduren van de maatregel aangevoerd. De aangevoerde gronden zijn klaarblijkelijk standaardgronden nu die thans voor de derde keer op gelijke wijze zijn aangevoerd.

Naar aanleiding van dit beroepschrift heeft verweerder op 25 juli 2007 een voortgangsrapportage ingezonden. Blijkens deze voortgangsrapportage zijn er ten aanzien van de uitzetbaarheid van eiseres in de korte periode tussen de uitspraak op het vorige beroep en het onderhavige beroep geen wijzigingen opgetreden en is verweerder nog steeds in afwachting van een uitspraak op het zijdens eiseres ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Derhalve zijn er evenmin uitzettingshandelingen verricht.

Alhoewel de gemachtigde van eiseres daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft deze niet op de voortgangsrapportage gereageerd.

Ten einde de gemachtigde van eiseres in de gelegenheid te stellen om alsnog te motiveren waarom naar zijn mening het voortduren van de maatregel na de uitspraak van de rechtbank op 18 juli 2007 voor onrechtmatig moet worden gehouden, heeft de rechtbank op 31 juli 2007 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat het onderzoek ter zitting niet achterwege kan blijven.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 8 augustus 2007, alwaar eiseres en haar gemachtigde niet zijn verschenen.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

In het kader van de toets of het zicht op uitzetting en verweerders voortvarendheid in het effectueren van die uitzetting het voortduren van de vreemdelingenbewaring van een vreemdeling rechtvaardigt, vormt de rechtbank haar oordeel mede op basis van de informatie die partijen aandragen in het beroepschrift, tijdens het vooronderzoek en tijdens het onderzoek ter zitting. Die informatie is naar dezerzijds oordeel des te meer van belang in het geval een gemachtigde namens een betrokkene wederom beroep instelt nadat zeer kort voordien de rechtbank reeds een oordeel heeft gegeven over de rechtmatigheid van de bewaring.

De gemachtigde van eiseres heeft zich in het inleidend beroepschrift echter beperkt tot de grief dat er geen zicht op uitzetting is en dat verweerder niet voortvarend genoeg handelt om eiseres op korte termijn te kunnen uitzetten. Om hem moverende redenen heeft de gemachtigde het bij dit standaard beroepschrift gelaten en ook niet gereageerd op de door verweerder ingezonden voortgangsrapportage en is deze gemachtigde evenmin ter zitting verschenen.

Nu de gemachtigde van eiseres op geen enkele wijze iets heeft aangevoerd dat niet reeds eerder is aangevoerd en is beoordeeld en de rechtbank evenmin van enige wijziging in de relevante omstandigheden is gebleken, volstaat de rechtbank met een verwijzing naar haar uitspraak van 18 juli 2007 waarin reeds gemotiveerd is overwogen dat zicht op uitzetting van eiseres bestaat en dat verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te kunnen effectueren.

Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken, dat de voortduring van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

Vorenstaand oordeel brengt met zich dat een grondslag voor toekenning van schadevergoeding ontbreekt.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep gericht tegen de voortzetting van de bewaring ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. M.I.J. Hegeman in tegenwoordigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2007.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschriften verzonden: