Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB1696

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-08-2007
Datum publicatie
14-08-2007
Zaaknummer
AWB 07/31054; 07/31089 VRONTIN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / ophouding / vermoeden niet-rechtmatig verblijf

Eiseres is na een strafrechtelijk voortraject op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreeemdelingenwet opgehouden en daaropvolgend in bewaring gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de maatregelen van ophouding en bewaring vanaf het opleggen daarvan onrechtmatig. Niet is gebleken dat er feiten en omstandigheden aanwezig zijn die duiden op een niet-rechtmatig verblijf van eiseres in Nederland. Het niet tonen van een identiteitsdocument en de weigerachtige houding van eiseres tijdens een egen haar aangevangen strafrechtelijke procedure, is onvoldoende om toepassing te geven aan bevoegdheden op grond van de Vreemdelingwet 2000. Daarbij is van belang dat op geen enkele wijze is vastgesteld dat eiseres een vreemdeling is.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 94
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNVR 2007/175

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 07/31054; 07/31089 VRONTN

uitspraak op het beroep tegen de maatregel van ophouding op grond van artikel 50, tweede lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vw van de enkelvoudige kamer d.d. 14 augustus 2007

inzake

NN1/NN4, ook wel bekend als Nn Pl09 V 070803 2030

eiseres, verblijvende in het uitzetcentrum te Schiphol

gemachtigde: mr. drs. J. Hemelaar, advocaat te Leiden,

tegen besluiten van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

gemachtigde: R.L.F. Zandbelt, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Verweerder heeft op 3 augustus 2007 aan eiseres de maatregel van ophouding ex artikel 50, tweede lid, van de Vw opgelegd. Eiseres heeft hiertegen op 3 augustus 2007 beroep ingesteld en daarbij verzocht om schadevergoeding.

1.2 Verweerder heeft vervolgens op 3 augustus 2007 aan eiseres de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Eiseres heeft hiertegen op 4 augustus 2007 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Dit beroep strekt ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 13 augustus 2007. Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Eiseres heeft kort samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Primair is eiseres van mening dat nu er geen sprake is van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf zij niet mocht worden opgehouden en in bewaring worden gesteld. Het is aan verweerder om hard te maken dat iemand vreemdeling is voordat er vreemdelingrechtelijke maatregelen genomen kunnen worden en niet aan eiseres om aan te tonen dat zij geen vreemdeling is. Voorts zou geen zinnig mens op het idee komen dat eiseres een vreemdeling is. Eiseres heeft meerdere malen aangegeven dat zij over de Nederlandse nationaliteit beschikt en er zijn voldoende aanknopingspunten geboden ter onderbouwing van deze stelling. Eiseres is dan ook van mening dat de vreemdelingenpolitie te Utrecht, door niet in te willen zien dat het overduidelijk is dat eiseres de Nederlandse nationaliteit heeft, misbruik heeft gemaakt van haar macht door haar in vreemdelingenbewaring te stellen. Verder is aan eiseres tijdens het strafrechtelijk voortraject ten onrechte geen schriftelijke mededeling gedaan dat zij in vreemdelingrechtelijke ophouding en bewaring zal worden gesteld. Eiseres heeft verder aangevoerd dat er geen gronden zijn waarop de maatregel kan worden gebaseerd. Van enig zicht op uitzetting is voorts geen sprake nu eiseres de Nederlandse nationaliteit bezit en derhalve niet kan en niet mag worden uitgezet. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat verweerder zich, ter onderbouwing van de rechtmatigheid van de maatregelen van ophouding en bewaring, ten onrechte heeft beroepen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 april 2007 (JV 2007/232) omdat er geen sprake is van een vergelijkbare zaak.

2.2 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Tijdens het strafrechtelijk voortraject is gebleken dat eiseres haar identiteit en nationaliteit niet wilde prijsgeven en zij is daarom terecht op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw opgehouden. Ingevolge hoofdstuk A3/3.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) kan ook diegene die stelt Nederlander te zijn, maar dat niet kan aantonen, worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor en daar worden opgehouden. Verder is het aan eiseres om aan te tonen dat zij geen vreemdeling is. Indien iemand geen documenten toont waaruit de verblijfsrechtelijke positie kan worden vastgesteld kan dit aanleiding zijn om te vermoeden dat er sprake is van een niet rechtmatig verblijf in Nederland en kan iemand in bewaring worden gesteld. De vraag of er in de onderhavige zaak sprake is van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf is overigens niet aan de orde nu eiseres niet op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw is staandegehouden. Verweerder beroept zich in dit verband op de uitspraak van de AbRS van 9 december 2005 (zaaknummer 200509219). Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat voorafgaand aan de maatregel van bewaring een juiste belangenafweging is gemaakt en dat eiseres niet heeft onderbouwd dat er geen gronden zijn voor de maatregel van bewaring. De maatregel is derhalve terecht opgelegd, aldus verweerder. Het voortduren van de bewaring is nog steeds gerechtvaardigd nu uit de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat zij over de Nederlandse nationaliteit beschikt. Van het ontbreken van het zicht op uitzetting is geen sprake. Verweerder heeft zich in dit verband beroepen op eerdergenoemde uitspraak van de AbRS van 2 april 2007.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.3 Ter beantwoording van de vraag of eiseres op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw mocht worden opgehouden en daaropvolgend op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring mocht worden gesteld gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.4 Uit de gedingstukken blijkt het volgende. Blijkens het proces-verbaal van aanhouding van 3 augustus 2007, gedingstuk 2, is eiseres op 3 augustus 2007 om 06.55 uur strafrechtelijk aangehouden wegens schending van artikel 2.4.7 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Zeist. Eiseres is vervolgens overgebracht naar het politiebureau te Zeist en voorgeleid aan de dienstdoende hulpofficier van justitie. In het proces-verbaal van bevindingen van 3 augustus 2007 staat vermeld dat tijdens de strafzaak de dienstdoende verbalisanten een onderzoek hebben ingesteld naar de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van eiseres. Uit dat onderzoek is gebleken dat eiseres niet beschikte over een geldig document voor grensoverschrijding waaruit haar identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie bleek. Verder vermeld het proces-verbaal van bevindingen dat eiseres weigerde haar identiteit bekend te maken en weigerde om iets te zeggen. Op vrijdag 3 augustus 2007 om 18.00 uur is eiseres heengezonden en op hetzelfde tijdstip op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw opgehouden voor verhoor en ter beschikking gesteld van de afdeling Vreemdelingenpolitie Utrecht. Uit de gedingstukken blijkt vervolgens dat eiseres in het kader van haar ophouding op 3 augustus 2007 om 19.51 uur is verhoord en op een later tijstip, te weten om 22.02 uur in het kader van artikel 59 van de Vw juncto artikel 5.2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 is verhoord. Eiseres is aansluitend op laatstgenoemd verhoor in vreemdelingenbewaring gesteld.

2.5 Artikel 50, tweede lid, van de Vw luidt, voor zover hier van belang, als volgt. Indien de identiteit van de staande gehouden persoon niet onmiddellijk kan worden vastgesteld, mag hij worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor (..).

2.6 Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw luidt als volgt. Indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert kan, met het oog op de uitzetting, door Onze Minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die: geen rechtmatig verblijf heeft.

2.7 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.8 De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres, zonder dat zij op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw is staandegehouden, in aansluiting op het strafrechtelijk voortraject is overgedragen aan de vreemdelingendienst en aldaar op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw is opgehouden. Voorts is niet in geschil dat eiseres tijdens dat strafrechtelijk voortraject geen document heeft getoond waaruit haar identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie mag blijken en dat eiseres heeft geweigerd hieromtrent informatie te verstrekken.

2.9 Naar het oordeel van de rechtbank dienen er voor de toepassing van bevoegdheden op grond van de Vreemdelingenwet 2000 feiten en omstandigheden aanwezig te zijn die duiden op een niet-rechtmatig verblijf in Nederland. Deze feiten en omstandigheden dienen door verweerder aannemelijk te worden gemaakt. Daarvan is in casu niet gebleken. Het niet tonen van een identiteitsdocument en de weigerachtige houding van eiseres tijdens een tegen haar aangevangen strafrechtelijke procedure is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om toepassing te geven aan bevoegdheden op grond van de Vreemdelingwet 2000. De maatregelen van ophouding en bewaring zijn reeds hierom onrechtmatig. Daarbij acht de rechtbank nog van belang dat op geen enkele wijze is vastgesteld dat eiseres een vreemdeling is in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder m, van de Vw, zodat ook om deze reden de maatregel van bewaring onrechtmatig dient te worden geacht. De door verweerder aangehaalde uitspraak van de AbRS van 9 december 2005 doet aan het vorenstaande niet af.

2.10 Reeds gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregelen van ophouding en bewaring ten aanzien van eiseres vanaf het opleggen daarvan op 3 augustus 2007 onrechtmatig zijn. De overige gronden van de beroepen behoeven dan ook geen nadere bespreking.

2.11 De beroepen dienen derhalve gegrond verklaard te worden. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden.

2.12 Ingevolge artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt, dan wel de bewaring reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2.13 De rechtbank acht voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen. Het is de rechtbank gebleken dat de maatregel van bewaring van 4 augustus 2007 tot en met 7 augustus 2007 ten uitvoer is gelegd in een politiecel. Op laatstgenoemde datum is eiseres overgeplaatst naar een Huis van Bewaring waar zij tot op heden verblijft. De inbewaringstelling is vanaf het begin op 3 augustus 2007 onrechtmatig. Derhalve bedraagt de schadevergoeding € 775,- (verblijf in een politiebureau drie dagen à € 95,- en verblijf in een Huis van Bewaring zeven dagen à € 70,-). De laatste dag van de bewaring telt in dit kader niet mee.

2.14 De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor de beroepschriften, nu het hier gaat om samenhangende zaken, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322 en wegingsfactor 1).

Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te geschieden aan de griffier.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart zowel het beroep gericht tegen de maatregel van ophouding als het beroep gericht tegen de maatregel van bewaring gegrond;

beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang 14 augustus 2007;

wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiseres een schadevergoeding toe ten bedrage van € 775,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten dient te vergoeden aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G.TH. Engelberts, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2007, in tegenwoordigheid van mr. A. Bouteibi, als griffier.

de griffier

de rechter

Voornoemd lid beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 775 (zegge: zevenhonderdenvijfenzeventig euro).

Aldus gedaan op 14 augustus 2007 door mr. J.G.TH. Engelberts, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken.

de rechter

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 95 van de Vw staat, voor zover het betref het beroep gericht tegen de maatregel van bewaring, tegen deze uitspraak binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten.

Ingevolge artikel 95 van de Vw juncto artikel 84, onder a, van de Vw staat tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de maatregel van ophouding, geen hoger beroep open.