Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB1630

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
13-08-2007
Zaaknummer
269650 HA RK 06-766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De overeenkomsten van geldlening en hypotheek maken deel uit van een verkoopconstructie die de kennelijke strekking heeft afbreuk te doen aan het voorkeursrecht van de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 430
Module Grondzaken 2007/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rekestnummer 269650 HA RK 06/766

9 mei 2007

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - meervoudige kamer

Beschikking in de zaak van:

de Gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle,

zetelend te Zevenhuizen,

verzoekster,

advocaat: mr. P. de Boorder,

procureur: mr. J.P. van Ginkel,

tegen

1. [verweerder sub 1.], wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOUWFONDS MAB ONTWIKKELING B.V., gevestigd te Hoevelaken en kantoorhoudende te Amersfoort,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RABO VASTGOED B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

verweerders,

advocaten: mr. J. Hoekstra en mr. S.M.C. Nuyten,

procureur: mr. P.J. von Schmidt auf Altenstadt.

Partijen worden hierna genoemd: de gemeente en verweerders dan wel Bouwfonds, Rabo Vastgoed (en gezamenlijk: Bora) en [verweerder sub 1.].

Het verzoekschrift is ingekomen ter griffie op 20 juli 2006. Partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling van het verzoek op 27 november 2006. Ter zitting van 13 november 2006, waar vrijwel gelijkluidende verzoekschriften en de daartegen gevoerde verweren zijn behandeld, hebben partijen verklaard in de onderhavige zaak af te zien van pleidooi, onder de voorwaarden dat alsnog een verweerschrift kan worden ingediend en dat partijen op naar voren gebrachte nieuwe gezichtspunten kunnen reageren.

Het verweerschrift is op 20 november 2006 ingekomen. Verzoekster heeft op 29 november 2006 gereageerd. Verweerders hebben bij brief van 1 december 2006 geantwoord.

De rechtbank heeft kennisgenomen van deze processtukken.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. De Feiten

1.1 Bij besluit van 22 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Zevenhuizen aan de raad voorgesteld onder meer ten aanzien van de percelen grond, in eigendom toebehorend aan [verweerder sub 1.], gelegen aan en nabij de [a-straat] te Zevenhuizen, kadastraal bekend gemeente Zevenhuizen, sectie E, nummer 644, ter grootte van 1 hectare, 85 are en 30 centiare alsmede nummer 654, groot 1 hectare, 59 are en 40 centiare en nummer 655, ter grootte van 1 hectare, 57 are en 10 centiare (hierna: de percelen), de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) van toepassing te doen zijn. Bij raadsbesluit van 14 december 2004 heeft de raad daartoe besloten.

Het voorkeursrecht is bij besluit van burgemeester en wethouders van gemeente Moordrecht van 6 oktober 2005 en bij raadsbesluit van 31 januari 2006 bestendigd.

1.2 Voor ontwikkeling, vaststelling en uitvoering van een strategisch grondenwervingsbeleid ten behoeve van effectieve realisatie van de doelstellingen van het Intergemeentelijke Structuurplan is het openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid Grondbank RZG Zuidplas (hierna: de Grondbank) opgericht. De Grondbank adviseert de gemeente in het kader van de Wvg omtrent aanbiedingen die de gemeente van de desbetreffende grondeigenaren ontvangt. De gemeente neemt mede op basis van dit advies een beginselbesluit tot aankoop en machtigt vervolgens de Grondbank om namens haar aankooponderhandelingen te voeren. De Grondbank verwerft na toestemming van de gemeente de aangeboden gronden.

1.3 Bij overeenkomst, ondertekend op 14 maart 2006, heeft [verweerder sub 1.] aan Bouwfonds het perceel verkocht voor een bedrag van € 1.165.000,00, waarbij als opschortende voorwaarde onder meer is overeengekomen dat er op het voorgenomen tijdstip van levering geen belemmeringen krachtens de Wvg zijn om het verkochte aan de koper te leveren. Betaling zal plaats hebben bij het ondertekenen van de akte van levering. De koper zal tot aan de datum van levering aan de verkoper betalen een rente van 5% per jaar over de basiskoopprijs van € 1.165.000,00.

1.4 Voorts is in de koopovereenkomst - voor zover van belang - bepaald:

Artikel 7:

"Verkoper verleent voor de datum van levering op vordering van koper het recht van eerste hypotheek tot zekerheid voor de nakoming van zijn verplichtingen."

Artikel 10:

"Koper voornemens is het registergoed te gebruiken voor de ontwikkeling van woningbouw, annex bedrijventerrein, annex glastuinbouwlocatie. [..]"

Artikel 27:

"[..] Het verkochte zal niet geheel of gedeeltelijk worden verhuurd, verpacht, in huurkoop gegeven, of op enigerlei andere wijze in gebruik worden afgestaan, tenzij met schriftelijke toestemming van koper."

Artikel 32:

"[..] Koper en verkoper beogen met deze overeenkomst in het kader van het zelfrealisatierecht van verkoper een overeenkomst te sluiten die na deze zelfrealisatie levering van bouwterrein mogelijk maakt. [..]"

1.5 In de overeenkomst van geldlening, ondertekend op 14 maart 2006, waarin is vastgelegd dat Bouwfonds aan [verweerder sub 1.] een lening verstrekt ter grootte van € 1.165.000,00, is overwogen dat [verweerder sub 1.] ter meerdere zekerheid tot nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst van geldlening een recht van eerste hypotheek zal vestigen op de percelen ten bedrage van € 2.330.000,00.

1.6 Voorts is in artikel 3. Rente en Provisie bepaald:

"1. Schuldenaar is over de Hoofdsom 5% rente op jaarbasis verschuldigd, te voldoen op het einde van de Looptijd. [..]"

In Artikel 5. Opeisingsgronden is onder meer bepaald:

" 1. Onverminderd de toepasselijkheid van artikel 1 lid 2 is de geldlening door Schuldenaar niet vervroegd aflosbaar. 2. Schuldeiser heeft het recht de hoofdsom alsmede de verschuldigde rente onverwijld op te eisen indien en zodra zich één van de volgende omstandigheden voordoet:

a.bij verkoop en levering van het Bestaande Registergoed aan een derde;

b.indien Schuldenaar en/of de juridische eigenaar op het Bestaande

Registergoed of een gedeelte daarvan een beperkt recht vestigt ten behoeve van een derde, dan wel met een derde een overeenkomst tot het vestigen daarvan overgaat;

c.niet-, niet tijdige of niet behoorlijke nakoming door Schuldenaar van enige verplichting jegens Schuldeiser uit hoofde van deze overeenkomst; [..]

g.tekortschieten door Schuldenaar ter zake van enige andere vordering op Schuldenaar uit hoofde van enige andere verplichting jegens Schuldenaar (rechtbank leest: schuldeiser);

h. indien een andere aan Schuldenaar verstrekte lening of krediet wordt opgeëist;"

1.7 Bij akte van 14 maart 2006 heeft [verweerder sub 1.] als eigenaar een hypotheek gevestigd ten gunste van Bouwfonds op het perceel.

De akte van vestiging is op 15 maart 2006 ingeschreven in de openbare registers van het Kadaster (deel 31450, nr. 116).

Deze hypotheek is mede gevestigd ten behoeve van Rabo Vastgoed.

1.8 De hypotheek is verleend tot zekerheid voor de terugbetaling van de op 14 maart 2006 tussen Bax en Bouwfonds getekende onderhandse overeenkomst van geldlening van € 1.165.000,00 alsmede tot zekerheid van de betaling van al hetgeen hypotheekgevers uit welke hoofde dan ook aan hypotheekhouders verschuldigd zijn of te eniger tijd verschuldigd mochten worden.

De hypotheek is verleend tot een bedrag van in totaal € 3.029.000,00, bestaande uit een bedrag van € 2.330.000,00 te vermeerderen met een bedrag voor rente en kosten van € 699.000,00.

1.9 In de hypotheekakte staat onder 'Geldlening' onder meer vermeld: "Onverminderd hetgeen Hypotheekgever en Hypotheeknemer bij de overeenkomst tot geldlening zijn aangegaan, is de geldlening voorts te allen tijde opeisbaar zonder enige ingebrekestelling:

a. bij verkoop en levering van het Registergoed aan een derde; [..]

c. (rechtbank leest: bij) niet-, niet tijdige of niet behoorlijke nakoming door de Hypotheekgever van enige verplichting jegens Hypotheeknemer uit hoofde van genoemde onderhandse overeenkomst; [..]

g. (rechtbank leest: bij) tekortschieten door Hypotheekgever ter zake van enige andere vordering van Hypotheeknemer of Hypotheekgever uit hoofde van enige andere verplichting jegens (rechtbank leest: van) Hypotheekgever;

[..]".

Voorts staat onder 'Bepalingen inzake de zekerheidsstelling' onder meer vermeld:

" 3. bevoegdheid van Bouwfonds tot het in beheer en/ of onder zich nemen van het Registergoed, zodra de lening is opgeëist; [..]

5. bevoegdheid van Hypotheeknemer, indien de Hypotheekgever in gebreke is in de voldoening van het door hem verschuldigde, het Registergoed [..] in het openbaar te (doen) verkopen [..]"

1.10 Tijdens een overleg op 24 januari 2006 heeft Bora de Grondbank op de hoogte gebracht van afspraken tussen Bora en grondeigenaren 'voor grondinbreng van gronden binnen het rechtsgebied van de Grondbank waar de gemeente de Wet voorkeursrecht gemeenten van toepassing heeft verklaard'.

Op 17 februari 2006 en 10 maart 2006 heeft de Grondbank Bora en [verweerder sub 1.] schriftelijk verzocht om toezending van afschriften van de overeenkomsten, doch zonder succes.

De Grondbank heeft na kadastrale recherche kennis gekregen van de hypotheekakte.

Op 30 maart 2006 hebben de Grondbank en de gemeente verweerders schriftelijk verzocht om de toezending van de overeenkomsten die aan de hypotheekverlening ten grondslag liggen, tevergeefs. De inhoud van de geldlening- en de koopovereenkomst waren tot 20 november 2006, de datum van overlegging in deze procedure, bij de gemeente en de grondbank onbekend.

1.11 Op 30 mei 2006 heeft overleg plaatsgehad tussen de gemeente, de Grondbank en Bora, zonder concrete resultaten.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1 Het verzoek strekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot nietigverklaring van de hypotheekovereenkomst alsmede de onderliggende overeenkomsten, in casu betreffende de overeenkomsten van koop en geldlening, alle gedateerd 14 maart 2006.

2.2 De gemeente stelt zich op het standpunt dat deze overeenkomsten tezamen en in onderlinge samenhang bezien een constructie vormen van rechtshandelingen die zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan de voorkeurspositie van de gemeente. De koopovereenkomst houdt in dat [verweerder sub 1.] een leveringsverplichting heeft jegens Bouwfonds en dat [verweerder sub 1.] de percelen niet mag aanbieden aan een derde. Uit de bepalingen van de overeenkomst blijkt dat deze is gericht op projectontwikkeling. De financiële afspraken zijn zodanig dat de geldlening is bedoeld als voorschot op de koopsom. [verweerder sub 1.] kan niet meer vrijelijk over de percelen beschikken en bij niet-naleving van enige verplichting van [verweerder sub 1.] heeft Bouwfonds het recht van parate executie.

2.3 Verweerders hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Op grond van artikel 26 lid 1Wvg kan de gemeente de nietigheid inroepen van rechthandelingen die verricht zijn met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan haar in deze wet geregelde voorkeurspositie, welk verzoek krachtens artikel 26 lid 2 Wvg gedaan moet worden binnen acht weken, nadat de gemeente een afschrift heeft ontvangen van de akte waarin de desbetreffende rechtshandeling is vervat.

Ontvankelijkheid

3.2 De gemeente dient in de visie van verweerders wegens termijnoverschrijding

niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek tot nietigverklaring van rechtshandelingen.

Dat verzoek is immers door de gemeente ingediend op 20 juli 2006 en op dat moment, aldus verweerders, was de daarvoor in artikel 26 Wvg gestelde termijn van acht weken reeds verstreken.

De conclusie dat die termijn was verstreken baseren verweerders op de veronderstelling, dat door de Grondbank uiterlijk tussen 10 en 30 maart 2006 een afschrift van de hypotheekakte d.d. 14 maart 2006 moet zijn ontvangen, terwijl uit die hypotheekakte blijkt van het bestaan van onderliggende rechtshandelingen. In dat verband hebben verweerders zich voorts op het standpunt gesteld dat, gelet op de onderlinge verhouding tussen de Grondbank en de gemeente, de conclusie zonder meer gerechtvaardigd is dat de gemeente op hetzelfde moment als de Grondbank over een afschrift van de hypotheekakte heeft beschikt.

Nu de nietigverklaring van de hypotheekakte niet langer kan worden verzocht, kan naar het oordeel van Bora ook de nietigverklaring van de daaraan ten grondslag liggende overeenkomsten niet langer met het ingediende verzoek worden verzocht.

3.3 Bepalend voor de aanvang van de termijn waarbinnen een gemeente de nietigheid moet inroepen, is ingevolge artikel 26, tweede lid, Wvg het moment waarop een gemeente een afschrift heeft ontvangen van de akte waarin de desbetreffende rechtshandeling is vervat.

Dat artikelonderdeel is in deze zin gewijzigd bij wet van 14 juni 2002, Stb. 326 en daardoor wordt niet langer aangeknoopt bij het moment waarop de desbetreffende rechtshandeling ter kennis van een gemeente is gekomen.

Als zodanig is derhalve niet relevant of een gemeente al dan niet kennis heeft gehad omtrent het bestaan van bepaalde rechtshandelingen. Daarentegen is beslissend het moment waarop afschrift van de akte waarin die rechtshandeling is vervat, is ontvangen. En overigens blijkt uit de wetsgeschiedenis dat een zogeheten prematuur verzoekschrift, ingediend voorafgaand aan het ontvangen van een afschrift van een akte, geen aanleiding verschaft voor niet-ontvankelijkheid.

3.4 Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de rechtbank staat vast, dat de gemeente eerst door ontvangst van het verweerschrift afschrift heeft ontvangen van (onderhandse) akten van een overeenkomst van geldlening respectievelijk koop die aan de hypotheekovereenkomst ten grondslag liggen (productie 9 respectievelijk 10 bij het verweerschrift), beide gedateerd 14 maart 2006.

3.5 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat geen grond bestaat het verzoek van de gemeente, althans voor zover betrekking hebbend op de rechtshandeling van koop respectievelijk geldlening, wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk te verklaren.

3.6 Tussen partijen is terecht niet in geschil dat het in de Wvg geregelde voorkeursrecht van een gemeente als zodanig niet in de weg staat aan het vestigen van een hypotheek op een grond, waarop een dergelijk voorkeursrecht is gevestigd.

Voor een oordeel over de ingeroepen nietigheid van een rechtshandeling op de voet van artikel 26, eerste lid, Wvg komt het in een geval als het onderhavige, een hypotheekovereenkomst met onderliggende rechtshandelingen, dus aan op een oordeel over de betekenis, in onderlinge samenhang, van de hypotheekovereenkomst en de inhoud van de onderliggende overeenkomsten van, in casu, koop respectievelijk geldlening.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke wetstoepassing dan met zich mee dat de vraag of een verzoek als het onderhavige al dan niet tijdig is ingediend voor zover betrekking hebbend op de hypotheekovereenkomst, eveneens moet worden beoordeeld eerst naar het moment waarop een gemeente afschrift heeft ontvangen van de (onderhandse) akten waarin de rechtshandelingen, ter verzekering waarvan de hypotheekovereenkomst strekt, zijn vervat.

3.7 Derhalve bestaat evenmin grond het verzoek van de gemeente, voor zover betrekking hebbend op de hypotheekovereenkomst, wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk te verklaren.

3.8 In het kader van een redelijke wetstoepassing kan en zal de rechtbank in het midden laten niet alleen wat er zij van de onderlinge verhouding tussen de gemeente en de Grondbank, maar ook de omstandigheid dat de gemeente in het ongewisse heeft gelaten het moment waarop zij een afschrift van - alleen nog maar - de hypotheekakte zou hebben ontvangen.

3.9 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat geen grond bestaat het verzoek van de gemeente aan te merken als te zijn ingediend op een moment nadat de termijn van acht weken is verstreken.

3.10 Verweerders hebben voorts met een beroep op artikel 3:303 B.W. als verweer gevoerd dat de gemeente in haar verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de gemeente geen enkel belang heeft bij de nietigverklaring. Daartoe hebben verweerders zich op het standpunt gesteld dat Bora steeds heeft aangegeven bereid te zijn tot overdracht van de verworven gronden aan de gemeente indien Bora bij de gewenste woningproductie kan worden betrokken. In die voorwaardelijke bereidheid van Bora ligt mede het belang van de gemeente bij het verzoek om nietigverklaring ter handhaving van haar eigen regiefunctie. Daarbij kan in het midden worden gelaten of verweerders overigens al dan niet voldoende openheid van zaken hebben geboden jegens de gemeente.

Ook dit verweer wordt verworpen.

3.11 Derhalve is de gemeente ontvankelijk in haar verzoekschrift d.d. 20 juli 2006 strekkende tot nietigverklaring van de hypotheekovereenkomst alsmede van de onderliggende overeenkomst(en), in casu betreffende de overeenkomst van geldlening en de overeenkomst van koop, alle gedateerd 14 maart 2006.

Nietigheid

3.12 Blijkens de jurisprudentie over artikel 26 Wvg, zoals dit artikel luidt sinds de Wet van 14 juni 2002, Stb.326, kan de nietigheid worden ingeroepen van alle soorten rechtshandelingen (Gerechtshof 's-Gravenhage, uitspraken van 16 juni 2005, rekestnummer R05/269 en van 13 oktober 2005, rekestnummers R05/757 en R05/845). Het gaat dan om rechtshandelingen die de kennelijke strekking hebben afbreuk te doen aan het voorkeursrecht van de gemeente, waarbij die rechtshandelingen zodanig zijn opgezet dat geen vervreemding plaatsvindt gedurende het bestaan van het voorkeursrecht, maar wel de beschikkingsmacht over en het economisch belang bij de grond in enigerlei mate worden overgedragen aan een of meer andere (rechts)personen.

3.13 Als inhoudelijk verweer stellen verweerders zich primair op het standpunt dat het verzoek om nietigverklaring moet worden afgewezen wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe voeren verweerders aan dat de Grondbank moet worden gezien als een willekeurige derde partij, omdat de opgerichte gemeenschappelijke regeling niet is aangewezen als bedoeld in artikel 10 Wvg, terwijl de gemeente nimmer is opgetreden tegen de verwerving in eigendom door de Grondbank van met voorkeursrecht belaste gronden.

Dit verweer wordt verworpen, reeds omdat verweerders geen feiten of omstandigheden hebben gesteld op grond waarvan die grondverwervingen door de Grondbank de kennelijke strekking hebben om het voorkeursrecht van de gemeente te doorkruisen. Derhalve kan niet worden gesproken van gelijke gevallen die ongelijk zouden worden behandeld.

3.14 Anders dan door verweerders is gesteld, komt geen betekenis toe aan de opschortende voorwaarden waaronder de koopovereenkomst is aangegaan. Die opschortende voorwaarden bestaan met name daarin hetzij dat Bouwfonds of diens rechtsopvolger een (samenwerkings)overeenkomst met de gemeente heeft gesloten over de ontwikkeling en realisatie van de door de gemeente aan het verkochte toegedachte/ gegeven bestemming hetzij dat er op het voorgenomen tijdstip van levering geen belemmeringen krachtens de Wvg zijn om het verkochte aan Bouwfonds te leveren.

Zolang eerstgenoemde opschortende voorwaarde niet is vervuld, is [verweerder sub 1.] toch al wel verplicht om er van af te zien de percelen aan de gemeente te verkopen.

Ook eventuele belemmeringen ingevolge de Wvg ten tijde van het voorgenomen tijdstip van levering staan er niet aan in de weg dat [verweerder sub 1.] als verkoper de verplichting heeft en houdt om, zoveel als in zijn mogelijkheden ligt, er aan mee te werken dat Bouwfonds toch de beschikking over de percelen krijgt.

3.15 De koopovereenkomst tussen [verweerder sub 1.] en Bouwfonds komt er op neer dat de juridische levering is uitgesteld en dus geen vervreemding plaatsvindt, maar dat de beschikkingsmacht over de percelen in enigerlei mate reeds is overgedragen, in zoverre [verweerder sub 1.] contractueel niet meer vrij is de percelen aan te bieden aan de gemeente.

Schending van die contractuele verplichting leidt tot onmiddellijke opeisbaarheid van de geldlening en de uitwinning van het hypotheekrecht, waardoor Bouwfonds gerechtigd is tot het beheer van de percelen en/ of tot het openbaar (doen) verkopen van de percelen.

Deze omstandigheden leiden tot het oordeel dat [verweerder sub 1.] althans in enigerlei mate de beschikkingsmacht over de percelen heeft overgedragen aan Bouwfonds.

Wat betreft het economisch belang moet worden vastgesteld dat [verweerder sub 1.] kennelijk vooruitlopend op de betaling van de koopsom aanstonds een geldsom ontvangt, weliswaar bij wijze van geldlening, ten bedrage € 1.165.000,00.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt daaruit dat [verweerder sub 1.] door die verkoop niet langer een eigen economisch belang heeft bij de percelen althans dat in enigerlei mate sprake is van een overdracht van economisch belang.

De koopovereenkomst met Bouwfonds heeft een zodanige inhoud dat [verweerder sub 1.] niet langer aanleiding heeft om de percelen op enig moment nog aan een derde, laat staan aan de gemeente, ten verkoop aan te bieden en aldus heeft die koopovereenkomst de kennelijke strekking afbreuk te doen aan het voorkeursrecht van de gemeente.

3.16 Verweerders hebben betoogd dat de overeenkomst van geldlening en hypotheek niet de kennelijke strekking hebben afbreuk te doen aan het voorkeursrecht van de gemeente, omdat de wetgever met het instrument van het voorkeursrecht niet heeft beoogd de eigenaar een voet dwars te zetten bij de verwerving van financiering door middel van hypotheek en dat elke andere conclusie zou leiden tot een ernstige en ongewenste verstoring van het reguliere economische verkeer.

3.17 In de overeenkomst van geldlening is bepaald dat vervroegde aflossing niet mogelijk is.

Voorts is daarin bepaald dat hoofdsom alsmede verschuldigde rente (5% op jaarbasis en te voldoen op het einde van de looptijd) onverwijld opeisbaar zijn onder meer indien [verweerder sub 1.] enige verplichting, uit welke hoofde ook, niet nakomt jegens de schuldenaar (rechtbank leest: schuldeiser). Tot zekerheid van de nakoming van zijn verplichtingen heeft [verweerder sub 1.] een hypotheek op de percelen moeten vestigen ten gunste van Bouwfonds.

In de hypotheekovereenkomst is onder meer bepaald dat die hypotheekstelling strekt tot zekerheid van betaling van de geldlening maar ook van al hetgeen [verweerder sub 1.] uit welke anderen hoofde ook jegens Bouwfonds is verschuldigd of te eniger tijd verschuldigd mocht worden.

Voorts is daarin bepaald dat Bouwfonds, zodra de geldlening is opgeëist - en dus situaties waarin [verweerder sub 1.] enige verplichting uit welke hoofde dan ook jegens Bouwfonds niet is nagekomen - gerechtigd is tot het beheer van de percelen en/ of tot het openbaar (doen) verkopen van de percelen.

De overeenkomsten van geldlening en hypotheek maken deel uit van een verkoopconstructie waarin de feitelijke beschikkingsmacht over de percelen en het economisch belang daarbij aan Bouwfonds zijn overgedragen.

Verweerders gaan er met dit verweer ten onrechte aan voorbij dat in het onderhavige geval geen sprake is van een gewone geldlening met hypothecaire zekerheid, maar dat zowel de overeenkomst van geldlening als die van hypotheek instrumenteel zijn aan het sluiten en naleven van de koopovereenkomst.

3.18 Dit leidt tot de conclusie dat ook de rechtshandelingen van geldlening en hypotheek de kennelijke strekking hebben afbreuk te doen aan het voorkeursrecht van de gemeente.

3.19 De percelen zijn door [verweerder sub 1.], in strijd met artikel 10 Wvg, niet aangeboden aan de gemeente. Het verzoek zal worden toegewezen. Verweerders zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van deze procedure.

BESLISSING

De rechtbank:

I verklaart nietig de koopovereenkomst, de overeenkomst van geldlening en de

hypotheekovereenkomst, alle gedateerd 14 maart 2006;

II veroordeelt verweerders in de kosten van de procedure, aan de zijde van de gemeente begroot op € 248,-- aan griffierecht en € 452,-- aan procureurssalaris;

III verklaart deze besschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

IV wijst af hetgeen meer of ander is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Huijgens, Dedel en Kroft en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 mei 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.