Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB1545

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-08-2007
Datum publicatie
10-08-2007
Zaaknummer
09/925453-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en openlijk in vereniging geweld plegen. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: - 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 47, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Gevangenisstraf van 35 dagen met aftrek, werkstraf 180 uren. Benadeelde partij niet ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/925453-07

's-Gravenhage, 10 augustus 2007

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 1],

geboren op [datum] 1984 te [geboorteplaats],

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting [penitentiaire inrichting]

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 27 juli 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. J.W. van der Kooi, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. W.N. Ferdinandusse heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de hem bij dagvaarding als eerste alternatief/cumulatief, tweede alternatief/cumulatief en derde alternatief/cumulatief telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 25 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte ter zake van voornoemde feiten wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis.

De telastlegging

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Partiële vrijspraak (eerste en tweede alternatief/cumulatief telastgelegde)

De rechtbank zal verdachte (gedeeltelijk) vrijspreken van het als eerste alternatief/cumulatief telastgelegde voor zover dit - verkort en zakelijk weergegeven - betreft het (meermalen) slaan en/of stompen, al dan niet met een honkbalknuppel, van [A] (de passages opgenomen achter het eerste en tweede streepje), het (meermalen) slaan van [B] met een knuppel (de passage opgenomen achter het vijfde streepje) en het geven van een kopstoot aan [C] (de passage openomen achter het zevende streepje).

De rechtbank overweegt hierbij dat, afgezien van de vraag in hoeverre deze handelingen op grond van de zich in het dossier bevindende stukken wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, deze handelingen niet kunnen worden aangemerkt als het (meermalen) (mede-)plegen van een poging tot zware mishandeling.

Voorts zal de rechtbank verdachte (gedeeltelijk) vrijspreken van het als eerste alternatief/cumulatief telastgelegde voor zover dit - verkort en zakelijk weergegeven - betreft het steken in de hand van [C] (de passage achter het zesde streepje) nu zij onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig acht om deze handeling aan te kunnen merken als het plegen van een poging tot zware mishandeling.

Tot slot zal de rechtbank verdachte (gedeeltelijk) vrijspreken van het als tweede alternatief/cumulatief telastgelegde voor zover dit - verkort en zakelijk weergegeven - betreft het leksteken van de autoband(en) van de auto toebehorende aan [B], nu afgezien van de vraag in hoeverre deze handelingen op grond van de zich in het dossier bevindende stukken wettig en overtuigen bewezen kunnen worden verklaard, deze handelingen niet kunnen worden aangemerkt als het openlijk in vereniging geweld plegen tegen de in de telastlegging genoemde personen.

Vrijspraak (van het als derde alternatief/cumulatief telastgelegde)

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding als derde alternatief/cumulatief is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit feit dat er weliswaar een begin van bewijs is ten aanzien van dit aan de verdachte telastgelegde feit, te weten het proces-verbaal van aangifte van [B] waarin hij verklaart te hebben gezien dat verdachte [verdachte 1] de linkervoorband van zijn auto lek prikte, doch de rechtbank acht dit, mede in het licht van de (hierna bij nadere bewijsoverweging geschetste) omstandigheden, onvoldoende om dit feit wettig en overtuigend bewezen te achten.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Bewijsoverweging (ten aanzien van het eerste en tweede alternatief/cumulatief telastgelegde)

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit ten aanzien van alle telastgelegde feiten aangezien er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig zou zijn.

De rechtbank verwerpt dit verweer, voor zover dit ziet op de als eerste en tweede cumulatief/alternatief telastgelegde feiten en overweegt hierbij het volgende.

Vast staat dat op 19 mei 2007 rond middernacht een treffen plaatsvindt, bij het Casema-gebouw in Den Haag, tussen twee groepjes jongens. De ene groep bestaat in ieder geval uit aangevers [A], [D], [B] en getuige [C]. De andere groep, de verdachten, bestaat in ieder geval uit [verdachte 3] en (de broers) [verdachte 1] en [verdachte 2]. Verder wordt door alle verdachten als aanwezige een zekere [E] genoemd en blijkt uit verklaringen van de verdachten dat er nog een jongen genaamd [F] (fon.), althans een verder onbekend gebleven jongen, aanwezig was. Afgezien van de door verdachten met naam genoemde personen, verklaren alle aangevers dat de groep jongens die op hen afkwam zeker uit meer dan deze vijf met name genoemde jongens bestond, zodat deze groep eerder twee keer zo groot dient te worden geacht. Dit vindt overigens steun in de verklaring van verdachte [verdachte 2] tegenover de rechter-commissaris.

De aanleiding van het treffen bij het Casema-gebouw vormt, zo verklaart verdachte [verdachte 1], een conflict dat speelde tussen [verdachte 3] en [A]. Verdachte [verdachte 2] noemt een conflict tussen [verdachte 3] en [B]. Verdachte [verdachte 3] tenslotte noemt, na eerst verklaard te hebben niet te weten waar het conflict over ging, als aanleiding dat [B] werk zou regelen voor verdachte's broertje [broertje van verdachte 3], hetgeen [B] niet was nagekomen.

Dat dit conflict al langer speelde blijkt uit de verklaring van verdachte [verdachte 1] die verklaart dat [B] hem drie dagen voor de bewuste avond opbelde en zou hebben gezegd dat hij met hem, [verdachte 3] en [F] wilde vechten in Zoetermeer, ergens bij een park. Hierop zijn de drie naar de afgesproken plek gegaan, doch zagen dat deze [B] hen opwachtte met vijf anderen. Hierop hebben zij besloten, aldus verdachte [verdachte 1], dat zij beter terug konden gaan omdat zij dat 'nooit zouden winnen' (p.40).

Op de bewuste avond, zo verklaart aangever [B] (p.29), omstreeks 22.30 uur was een groepje jongens waarvan hij een aantal jongens herkende, te weten: [verdachte 3], [F],[verdachte 1] en [verdachte 2], al bij hem langs geweest op zijn werk en werd hij tot tweemaal toe aangesproken door [verdachte 3] met wie aangever uiteindelijk telefonisch de afspraak maakte om elkaar (rond middernacht) te ontmoeten bij het Casema-gebouw in Den Haag. Verdachte [verdachte 1] heeft in zijn verklaring tegenover de politie bevestigd dat er telefonisch contact heeft plaatsgevonden tussen [verdachte 3] en aangevers. [verdachte 1], zijn broer [verdachte 2], [verdachte 3], [E], [F] en, zoals blijkt uit de verklaringen van de aangevers, een aantal onbekend gebleven jongens, zijn uiteindelijk rond middernacht naar het Casema-gebouw gegaan alwaar zij [A], [D], [B] en [C] hebben getroffen.

Aangever [A] verklaart (p.23) dat toen hij, [B] en [D] de auto parkeerden voor het Casema-gebouw, er een groep jongens op hen afkwam en dat hij hier geen goed gevoel bij had aangezien deze jongens messen en knuppels bij zich hadden. Direct werd één van de voorbanden lek gestoken zodat zij niet meer konden wegrijden. Aangever verklaart met veel geweld uit de auto getrokken te zijn en vervolgens door meerdere personen geslagen en geschopt te zijn. Opeens zag aangever een jongen, waarvan hij de naam niet weet, met een grijze metalen honkbalknuppel op hem afkomen en hem hiermee kennelijk sloeg op zijn been en arm (medische verklaring en foto's op pagina 45 e.v.). Verder zag aangever dat [verdachte 1] en een zekere [F] iets in hun handen hadden dat leek op een mes. Aangever zag dat deze twee jongens op hem af sprongen met opgeheven armen waarop hij meteen een steken op zijn voorhoofd voelde en begreep dat hij was gestoken met een mes, hetgeen later, in het ziekenhuis, werd bevestigd.

Aangever [D] verklaart (p.26) dat hij zag dat een groep mannen op hun auto kwam aflopen. Van deze groep hielden twee mannen een houten knuppel en twee mannen een fietsketting vast. De overige personen hielden een mes vast. Aangever [D] zag dat [B] op zijn rug werd geslagen met een knuppel (letsel, foto's pagina 49 e.v.). Voorts zag hij dat, nadat één van de mannen één van de autobanden had lek gestoken met een dolkmes (met een lemmet van ongeveer 20 centimeter), deze man op hem afliep en met dit mes een stekende beweging in zijn richting maakte die hij gelukkigerwijs heeft kunnen afweren. Hierna haalde deze man een vlindermes tevoorschijn en liep met twee andere jongens op [A] af. Aangever [D] zag vervolgens dat het hoofd van [A] hierna onder het bloed zat.

Aangever [B] verklaart (p.30) dat hij, nadat hij de auto geparkeerd had voor het Casema-gebouw, door drie jongens, [F], [verdachte 1] en een voor hem onbekende jongen, met kracht uit de auto werd getrokken en vervolgens voelde dat de onbekende jongen hem met kracht op de rug sloeg met wat later een knuppel bleek te zijn.

Ten slotte, getuige [C] verklaart (p.36) dat hij zag dat [B] met een knuppel werd geslagen en dat [verdachte 3] met een mes bedreigd werd. Voorts verklaart getuige [C] dat hij ook zelf bedreigd werd met een mes door een jongen die tevens gepoogd heeft hem een kopstoot te geven en dat een andere jongen hem wilde slaan met een knuppel doch dat hij net op tijd kon wegrennen.

De rechtbank leidt uit de voornoemde door de aangevers geschetste omstandigheden af dat de groep jongens die op hen afkwam niet alleen een overmacht vormde in aantal, doch dat deze groep tevens bewapend was met (houten) knuppels en messen. Voorts leidt de rechtbank uit de door de aangevers geschetste omstandigheden af dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking van de groepsleden, waardoor verdachte en zijn mededaders strafrechtelijk aansprakelijk zijn voor het geheel van de telastgelegde en gepleegde handelingen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan de als eerste en tweede alternatief/cumulatief telastgelegde feiten.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding als eerste en tweede alternatief/cumulatief telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zowel [A] als van [D]. Voorts heeft de verdachte zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen genoemde personen, alsmede tegen [B] en [C].

De situatie waarin verdachte en zijn medeverdachten genoemde slachtoffers gebracht hebben is voor laatstgenoemden, zoals blijkt uit hun respectieve verklaringen, zeer bedreigend geweest, niet alleen omdat verdachte en zijn mededaders in aantal een overmacht vormden, doch ook vanwege het feit dat zij bewapend waren met messen en knuppels en hen, de slachtoffers, de ontsnapping met de auto onmogelijk maakten doordat zij de voorbanden van deze auto lek staken. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan. Dat het letsel, met name wat betreft hetgeen met messen aan de slachtoffers [A] en [D] is toegebracht, beperkt van omvang is gebleven, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan verdachte en zijn mededaders te danken is.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van de verdachte waaruit blijkt dat verdachte, alhoewel hij zich reeds eerder schuldig gemaakt heeft ter zake van (vermogens-)misdrijven, niet eerder veroordeeld is ter zake van geweldsmisdrijven.

Op grond van voornoemde overwegingen zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen van gelijke duur als het door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte aantal dagen. Hiernaast acht de rechtbank op grond van de hiervoor genoemde overwegingen een forse onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur, passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij

[A], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, doch heeft op het voegingsformulier geen bedrag genoemd, noch heeft de benadeelde partij aanvullende stukken ter onderbouwing van deze vordering ingediend.

Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij, [A], wisselend verklaard ten aanzien van het door hem ingediende, doch onvolledig ingevulde, Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces. Aanvankelijk heeft de benadeelde partij verklaard geen schadevergoeding te verlangen, later toch weer wel. De benadeelde partij heeft aangegeven materiële schade te hebben geleden nu hij ten gevolge van het feit twee weken niet heeft kunnen werken en hierdoor inkomsten heeft gemist, doch heeft deze vordering onvoldoende onderbouwd (met stukken waar deze vordering betrekking op heeft). Voorts heeft de benadeelde partij, na hiernaar expliciet gevraagd te zijn, aangegeven immateriële schade te hebben geleden, doch ook deze vordering heeft de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de hoogte van beide schadeposten heeft de benadeelde partij eveneens wisselend verklaard.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de, overigens door de verdediging (deels) weersproken vordering, nu deze vordering onvoldoende onderbouwd is.

De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij de vordering aan kan brengen bij de burgerlijke rechter.

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 47, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding als derde cumulatief/alternatief telastgelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding als eerste en tweede alternatief/cumulatief telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

medeplegen van poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd;

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 35 dagen;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op: 28 mei 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 30 mei 2007,

in vrijheid gesteld op: 02 juli 2007;

veroordeelt verdachte te dier zake voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 180 uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 90 dagen;

bepaalt dat de benadeelde partij [A], wonende [adres] niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding, en dat deze de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. De Boer, voorzitter,

Bosman en Schaaf, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Molenaar, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 augustus 2007.