Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB1381

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
AWB 05/8754 IB/PVV
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2009:BL5697, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omdat X en zijn echtgenote, X-Y, die samen in een v.o.f. een onderneming drijven, over 2001 geen aangifte hebben gedaan, stelt inspecteur aanslagen ambtshalve vast. X en X-Y maken te laat bezwaar en verzoeken om vermindering. Zij leggen hierbij de aangiftegegevens over, waaruit blijkt dat de onderneming eind 2001 is gestaakt. Inspecteur wijst verzoek om vermindering van X af en legt hem navorderingsaanslag met boete op. In verband met vrijval voorziening en dubbele waarde van vm. bedrijfspand berekent inspecteur de stakingswinst hoger. Na afwijzing herhaald verzoek om vermindering AH-opgelegde aanslagen (in plaats van deze aan te merken als beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring) en na afwijzing bezwaar tegen navorderingsaanslag wenden X en X-Y zich tot de Nationale ombudsman. Deze merkt klacht aan als beroep tegen uitspraak op bezwaar m.b.t. navorderingsaanslag van X en stuurt klacht door naar de rechtbank. De rechtbank verklaart dit beroep ontvankelijk en vernietigt de aan X opgelegde navorderingsaanslag, omdat voorziening moet worden gesteld op waarde van de schuld in het economisch verkeer en omdat inspecteurs taxatie van het bedrijfspand op verkeerd uitgangspunt is gebaseerd. De rechtbank vertrouwt erop dat inspecteur de verzoeken van X en X-Y om vermindering van ambtshalve vastgestelde aanslagen in heroverweging zal nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1543
V-N 2007/54.2.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/8754 IB/PVV

Uitspraakdatum: 26 juli 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [Z.], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag ([aanslagnummer]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 244.238 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.636. Tevens is bij deze navorderingsaanslag een vergrijpboete opgelegd ad € 886 en aan heffingsrente € 2.858 in rekening gebracht.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 oktober 2005 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 13 oktober 2005 bij de Nationale Ombudsman een klacht ingediend, aldaar op dezelfde dag ontvangen. De Nationale Ombudsman heeft deze klacht als beroep tegen de uitspraak op bezwaar aangemerkt en doorgestuurd naar de rechtbank.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2007 te 's-Gravenhage.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [X-Y]. Namens verweerder is verschenen [...].

1.6. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek zal worden voortgezet op de daarbij aangegeven wijze.

1.7. Vervolgens heeft tussen de rechtbank en partijen een briefwisseling plaatsgevonden. Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven heeft de rechtbank bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft en heeft zij het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser ([geboortedatum] 1943) en zijn echtgenote waren in het onderhavige jaar firmant van de vennootschap onder firma [de onderneming]. De winstverdeling is 60% voor eiser en 40% voor de echtgenote. De onderneming is op 31 december 2001 gestaakt, omdat eiser door de gevolgen van een zwaar auto-ongeluk de onderneming niet meer kon voortzetten. Met ingang van 1 januari 2002 is de onderneming overgenomen door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf A.].

2.2. De onderneming was gevestigd op het adres [het bedrijfspand] Het bedrijfspand is vanaf 1 januari 2002 verhuurd aan de gegadigde voor overname van de onderneming die de hoogste huur bood. Dit was [bedrijf A.], die fl. 8.000 huur per maand wilde betalen.

2.3. Ten laste van de winst over het jaar 2000 is overeenkomstig een vaststellings-overeenkomst met de Belastingdienst d.d. 28 september 2001 een voorziening gevormd van fl. 130.000 ter zake van een schuld aan [bedrijf B.] te Duitsland, waarover in Duitsland een gerechtelijke procedure liep. Ter gelegenheid van de staking van de onderneming is deze voorziening door verweerder geschrapt en is het gehele bedrag bij de winst gevoegd.

2.4. Aan eiser is een aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 uitgereikt. Eiser heeft, ook nadat hij daartoe is aangemaand, het aangiftebiljet niet ingediend.

2.5.1. Met dagtekening 4 juni 2004 heeft verweerder vervolgens ambtshalve een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 200.000.

2.5.2. Op 19 november 2004 heeft eiser verzocht om ambtshalve vermindering van deze aanslag. Verweerder heeft dit verzoek behandeld als bezwaar tegen de ambtshalve aanslag. Op 2 februari 2005 is het bezwaar door eiser gemotiveerd.

2.6. Op 9 februari 2005 heeft eiser alsnog een aangiftebiljet met bijlagen ingediend, waarin hij zijn belastbare inkomen uit werk en woning berekende op € 63.636. Bij brief van 10 februari 2005 heeft verweerder een boekenonderzoek bij eiser betreffende de aanvaardbaarheid van deze aangifte aangekondigd. Op 3 maart 2005 is een aanvang met het boeken-onderzoek gemaakt. De uitkomsten van het onderzoek zijn neergelegd in een controlerapport van verweerder van 4 mei 2005. Een kopie van het rapport behoort tot de gedingstukken.

2.7. Op grond van de bevindingen uit dit rapport is eiser door verweerder bij uitspraak op bezwaar van 26 mei 2005 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar en is daarbij ambtshalve overwogen dat de aanslag niet zal worden verminderd en dat een navorderingsaanslag zal worden opgelegd. De aanslag van zijn echtgenote is wel ambtshalve verminderd.

2.8. Op 31 mei 2005 hebben eiser en zijn echtgenote een tweede bezwaar ingediend. Bij brief van 22 juni 2005 heeft verweerder daarop bericht dat met dagtekening 30 juni 2005 aan eiser een navorderingsaanslag zal worden opgelegd, die op 31 mei 2005 reeds intern was vastgesteld conform het controlerapport maar op dat moment nog een dagtekening moest krijgen, en dat eiser tegen die navorderingsaanslag bezwaar zal moeten aantekenen.

3. Geschil

3.1. In geschil is of de navorderingsaanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld, hetgeen verweerder stelt en eiser bestrijdt. Meer in het bijzonder is in geschil of de stakingswinst juist is berekend, waarbij partijen verdeeld houdt voor welke waarde het bedrijfspand bij de staking naar privé is overgegaan en of de in 2000 gevormde voorziening dient vrij te vallen.

3.2. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de belastingaanslag.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4. Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de ontvankelijkheid

4.1. Bij uitspraak op bezwaar van 4 oktober 2005 heeft verweerder de navorderingsaanslag gehandhaafd. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde aldus op 15 november 2005. Bij brief van 13 oktober 2005, gericht aan de Nationale Ombudsman, hebben eiser en zijn echtgenote gereageerd op de uitspraak op bezwaar. De Nationale Ombudsman heeft deze brief naar het oordeel van de rechtbank terecht aangemerkt als een beroepschrift gericht tegen onder meer de uitspraak op bezwaar van 4 oktober 2005 en doorgezonden aan de rechtbank ter verdere behandeling. Ingevolge het bepaalde in artikel 9.19, tweede lid, van de Awb juncto artikel 6:15, derde lid, van de Awb dient het tijdstip waarop het beroepschrift door de Nationale Ombudsman is ontvangen te worden beschouwd als het tijdstip waarop de zaak bij de bevoegde instantie, in dit geval de onderhavige rechtbank, aanhangig is gemaakt. De onder 2.10 vermelde brief is op 13 oktober 2005, dus voor het einde van de beroepstermijn, bij de Nationale Ombudsman ontvangen. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

Met betrekking tot de stakingswinst op het bedrijfspand

4.2. Verweerder heeft ter zake van het bedrijfspand het standpunt ingenomen dat de waarde daarvan op het stakingstijdstip is te stellen op € 392.000. Hij baseert zich daarbij op een op 26 mei 2004 gedagtekend taxatierapport van J.C. van der Laan, als taxateur onroerende zaken werkzaam bij de [Belastingdienst]. In dit taxatierapport is de waarde in het economisch verkeer in vrije staat op 31 december 2001 gesteld op € 392.000. In zijn bij het bezwaar tegen de primitieve aanslag gevoegde aangifte is eiser uitgegaan van een waarde van € 167.899 (fl. 370.000) respectievelijk € 197.394 (fl. 435.000). Naderhand heeft eiser een op 8 augustus 2005 gedagtekend taxatierapport in het geding gebracht, opgesteld door taxateur T. Koster, dat de waarde van het bedrijfspand gezien de van [bedrijf A.] ontvangen huur op het stakingstijdstip heeft gesteld op € 339.400. Tevens heeft eiser overgelegd een in opdracht van [bedrijf A.] door Zadelhof bedrijfsmakelaars op 26 juli 2006 opgesteld taxatierapport, waarbij de onderhandse verkoopwaarde van het bedrijfspand is getaxeerd op € 215.000 en de huurwaarde op € 18.000 per jaar.

4.3. Eiser heeft ter zitting verklaard, door verweerder niet weersproken, dat hij bij de overdracht van zijn onderneming de na diverse besprekingen overgebleven gegadigden heeft laten bieden op de huurprijs voor het bedrijfspand en hij van tevoren verklaard had, dat hij zijn onderneming zou overdragen aan degene die de hoogste huurprijs bood. Aldus is voor de overdracht de keuze op [bedrijf A.] gevallen en is met [bedrijf A.] een huurprijs van fl. 8.000 per maand overeengekomen. Dit in aanmerking nemend is verweerder er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de waarde van het bedrijfspand op het moment van staking bij de overbrenging naar het privé-vermogen moet worden bepaald op de waarde in vrije staat, zoals in het door verweerder overgelegde taxatierapport staat, dan wel dat, zoals in het controlerapport staat, over het bedrijfspand in vrije staat afgerekend dient te worden en dat het bedrijfspand vervolgens vanuit privé verhuurd wordt. Vaststelling van de stakingswinst kan daarom op dit onderdeel niet geschieden aan de hand van het door verweerder in aanmerking genomen bedrag van € 392.000.

4.4. Verweerders stelling dat kapitalisatie van de met [bedrijf A.] overeengekomen huurprijs tot dezelfde waarde leidt, kan de rechtbank niet volgen, omdat deze onderbouwing evenzo miskent dat deze huurprijs op de onder in 4.3. genoemde omstandigheden tot stand is gekomen en slechts voor een periode van drie jaar is vastgelegd. De op dit zelfde uitgangspunt gebaseerde taxatie van Koster biedt daarom eveneens onvoldoende houvast voor bepaling van de waarde van het pand bij de overgang naar privé.

4.5. Met overlegging van het in juli 2006 in opdracht van [bedrijf A.] met het oog op huurver-lenging en/of mogelijke aankoop door Zadelhoff opgestelde taxatierapport heeft eiser de door hem verdedigde waarde van € 197.394 ( fl. 435.000) wel aannemelijk gemaakt. Dit rapport noemt als onderhandse verkoopwaarde in juli 2006 een bedrag van € 215.000 kosten koper. Dit ligt in de orde van grootte van de WOZ-waarde met peildatum 1 januari 2005 van € 218.000. De WOZ-waarde met peildatum 1 januari 1999 was € 171.075 en met peildatum 1 januari 2003 € 196.000, zo blijkt uit de door verweerder verstrekte opgave.

4.6. Het in 4.5. genoemde rapport van Zadelhoff stelt overigens de huurwaarde van het pand in juli 2006 op € 18.000 per jaar. Dit komt overeen met ca fl. 3.300 per maand. Hierin ziet de rechtbank een bevestiging dat een huurprijs van fl. 8.000 per maand vanaf 1 januari 2002 niet de huurwaarde in het economisch verkeer weergaf.

4.7. Omdat verweerder bij de berekening van de stakingswinst op dit onderdeel is uitgegaan van een waarde van € 392.000 in plaats van € 197.394 heeft hij deze met € 194.606 te hoog in aanmerking genomen en aldus eisers belastbaar inkomen met 60% van dit bedrag, zijnde € 116.764, te hoog vastgesteld. Ook heeft verweerder de onjuiste waarde van het pand voor de grondslag van het box 3-inkomen met € 194.606 te hoog in aanmerking genomen. Ook op dit punt is de aanslag te hoog vastgesteld.

Met betrekking tot vrijval van de voorziening

4.8. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat door eiser in het kader van een schikking uiteindelijk € 10.000 aan [bedrijf B.] is voldaan. Eiser had de bewijsstukken hiervan reeds op 18 augustus 2005 bij de aanvulling van zijn bezwaren tegen de hem en zijn echtgenote opgelegde primitieve aanslagen overgelegd. Ten aanzien van de advocaatkosten stelt verweerder zich op het standpunt dat door eiser wel de rekeningen doch geen bewijzen van betaling zijn overgelegd. De eveneens in augustus 2005 overgelegde herinneringsnota van de advocaat d.d. 10 maart 2005 bevat echter de mededeling dat op 24 respectievelijk 28 februari 2005 betalingen zijn ontvangen van € 6.000 respectievelijk € 5.000. Openstaat dan nog een bedrag van € 12.871 aan advocaatkosten waarop uiterlijk 25 maart € 6.000 dient te zijn voldaan, bij gebreke waarvan anders tot incasso zal worden overgegaan. Eiser stelt toen alsnog direct € 10.000 te hebben voldaan en de rest later. De rechtbank acht daarom alleszins aannemelijk gemaakt dat eiser in verband met de vordering van [bedrijf B.] in 2004 en 2005 betalingen tot een bedrag van in totaal tenminste € 31.530 heeft gedaan.

4.9. In navolging van het controlerapport stelt verweerder zich op het standpunt dat de voorziening ad fl. 130.000 (€ 58.991), waarover op 28 september 2001 nog met eiser een vaststellings-overeenkomst is gesloten, op het moment van staking, 31 december 2001, op nul dient te worden gesteld met de toezegging dat latere betalingen in de betreffende jaren ten laste van het inkomen uit werk en woning kunnen worden gebracht. De rechtbank kan verweerder in dit standpunt niet volgen. Op het moment van bepaling van de stakingswinst moet een zo goed mogelijke schatting worden gemaakt van de hoogte van de voorziening. De door eiser verdedigde beperking van de afname tot € 27.461 (€ 58.991 - € 31.530) is daarom juist. Verweerder heeft eisers inkomen op dit punt met 60% van € 31.530 ofwel met € 18.918 te hoog vastgesteld.

Met betrekking tot de boete

4.10. Gelet op het voorgaande is de navorderingsaanslag ten onrechte opgelegd, omdat hierbij het belastbaar inkomen uit werk en woning € 135.682 ( € 116.764 + € 18.918) en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 2.636 te hoog is vastgesteld. De navorderings-aanslag dient geheel te vervallen, omdat naar nu blijkt zowel bij eiser als bij zijn echtgenote bij vaststelling van de primitieve aanslagen al van te hoge bedragen is uitgegaan. Hiermee komt ook de bij de navorderingsaanslag opgelegde vergrijpboete te vervallen en behoeft deze geen bespreking meer.

Conclusie

4.11. Het beroep is gegrond. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd. De rechtbank vertrouwt erop dat verweerder het in verband met deze navorderingsaanslag afgewezen verzoek tot ambtshalve vermindering van de primitieve aanslagen van eiser en zijn echtgenote voor het jaar 2001 opnieuw in overweging zal nemen. Dit temeer, omdat verweerder de op 31 mei 2005 namens eiser en namens zijn echtgenote ingestuurde herhaalde bezwaren niet als beroepschrift heeft aangemerkt, aannemende dat zij op de aangekondigde, maar nog niet opgelegde, navorderingsaanslag betrekking hadden.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 322 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- herroept de belastingaanslag en de daarbij opgelegde boete en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 322, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 26 juli 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. T. van Rij, in tegenwoordigheid van F.J. Crabbendam, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.