Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB1342

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-07-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
AWB 07/27708, 07/27705, 07/27711
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / PTSS / rapport MAPP / geen objectieve onderbouwing

Eiser heeft met de verwijzing naar het rapport van het MAPP niet aannemelijk gemaakt dat een slechte psychische gesteldheid van invloed is geweest op de inhoud van zijn verklaringen. Uit het rapport van het MAPP blijkt dat er geen testen zijn afgenomen, aangezien eiser hiervoor niet gemotiveerd was. Dit heeft tot gevolg dat geen objectief meetresultaat aanwezig is, om de gestelde conclusies te dragen. Deze conclusies luiden dat eiser bloot heeft gestaan aan traumatische omstandigheden en dat het zeer aannemelijk is dat er sprake is van een PTSS. Het valt uit het rapport niet na te gaan hoe deze conclusies konden worden getrokken uit het met hem gevoerde gesprek. Dit gesprek is weliswaar in kort samengevatte vorm opgenomen, maar nu niet duidelijk is hoe de vragen hebben geluid en welke antwoorden eiser heeft gegeven, blijft het onduidelijk wat in de vragen is gesuggereerd en waar eiser zelf mee gekomen is. Gelet hierop en met name op het feit dat er ten aanzien van eiser geen testen zijn afgenomen, stoelt de conclusie van het onderzoek naar het oordeel van de rechtbank niet op een objectieve onderbouwing. Derhalve kan het rapport geen afbreuk doen aan het oordeel van de arts van de GGD dat eisers medische situatie niet in de weg staat aan het afleggen van coherente verklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

Uitspraak

artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en

artikel 8:70 van de Awb jo artikel 94 en artikel 106 van de Vw 2000

reg. nrs.:

AWB 07/27708 (voorlopige voorziening)

AWB 07/27705 (beroep asiel)

AWB 07/27711 (beroep vrijheidsontnemende maatregel)

V-nr.: 271.681.5979

inzake:

[Eiser], geboren op [geboortedatum] 1974, van (gestelde) Kameroense nationaliteit, verblijvende in het Uitzetcentrum Schiphol-Oost te Oude Meer, verzoeker/eiser, hierna te noemen: eiser,

gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter, advocaat te ‘s-Hertogenbosch,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. Favier, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 1 juli 2007 is eiser op grond van artikel 3 van de Vw 2000 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast.

2. Bij beroepschrift van 7 juli 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt het beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

3. Op 7 juli 2007 heeft eiser tevens beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 juli 2007, uitgereikt aan eiser op 7 juli 2007, waarbij de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht uitzetting van eiser achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist.

4. Het verzoek om een voorlopige voorziening, alsmede het beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel, is behandeld ter zitting van 20 juli 2007. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was A.Y.C. Sikkens, tolk Engels, ter zitting aanwezig. De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: de rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. ASIELRELAAS

Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd.

Eiser is afkomstig uit [geboorteplaats], dat is gelegen in de provincie South West. Hij is sinds 1996 lid van de Southern Cameroons National Council (hierna: SCNC). Eiser was de publiciteitssecretaris van de jeugdvleugel van de partij. Zijn activiteiten bestonden uit het organiseren van demonstraties en van bijeenkomsten, het verspreiden van folders en het werven van nieuwe leden. Eiser is vanwege zijn activiteiten voor deze partij in totaal rond de twintig keer gearresteerd. Hij werd dan vastgehouden, variërend tussen de drie dagen en drie maanden. Tijdens de detenties in 1997, in mei 2004 en in januari 2005 is eiser mishandeld. Er is nimmer een officiële aanklacht tegen hem uitgevaardigd en eiser is steeds vrijgelaten. Aan zijn vrijlating waren geen voorwaarden verbonden. In mei 2005 is eiser naar Nigeria gevlucht omdat hij genoeg had van de intimidatie van de politie in zijn land. In juni van dit jaar vernam hij van zijn vader dat er een arrestatiebevel tegen hem was uitgevaardigd. Daarop heeft eiser besloten te vluchten. Met behulp van een reisagent is eiser per vliegtuig naar Engeland gereisd. Van daar is hij met behulp van de partij naar Nederland gevlogen.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN TER ZAKE VAN DE ASIELAANVRAAG

1. Verweerder heeft de aanvraag van eiser binnen 48 procesuren in het aanmeldcentrum (AC) afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

Eiser heeft toerekenbaar geen documenten ter ondersteuning van zijn identiteit, nationaliteit en reisroute overgelegd. Het komt dan ook voor zijn rekening en risico dat er getwijfeld kan worden aan de door hem afgelegde verklaringen omtrent zijn asielmotieven.

Van het asielrelaas gaat geen positieve overtuigingskracht uit. De problemen die eiser als gevolg van zijn gestelde lidmaatschap van de SCNC stelt te hebben ondervonden van de zijde van de autoriteiten, worden niet geloofwaardig geacht. Daartoe is gesteld dat eiser volstrekt onvoldoende informatie over de SCNC heeft verstrekt, zeker gezien zijn gestelde functie van publiciteitsfunctionaris, zodat ongeloofwaardig wordt geacht dat eiser deze functie heeft gehad en de gestelde activiteiten heeft verricht. Zo heeft eiser niet kunnen vertellen door wie de partij is opgericht en evenmin heeft hij de structuur kunnen schetsen. Ook heeft hij niet kunnen aangeven binnen welke politieke partijen de SCNC veel sympathisanten heeft, welke bewegingen onder de SCNC vallen en welke beroepsorganisaties tot de partij zijn toegetreden. Als voorzitter heeft eiser Henry Possung genoemd, hetgeen niet correct is aangezien deze persoon deze functie al vele jaren niet meer bekleedt. De door eiser gemaakte tekening van zijn lidmaatschapskaart komt niet overeen met de door de SCNC gebruikte kaart. Ook heeft eiser de vlag van de partij niet kunnen tekenen. Voorts weet eiser niet op welke manier de partij haar doelstellingen wil bereiken en kan hij niet vertellen wat het motto dan wel de slogan van de partij is. Eiser kent ook het verschil tussen de Southern Cameroons Youth Leage en de SCNC niet en hoewel hij publiciteitssecretaris van de jeugdvleugel is geweest, heeft eiser niet kunnen vertellen wanneer is aangekondigd dat deze jeugdafdeling een militaire vleugel wilde oprichten, wie dit aankondigde en op welke wijze dit gebeurde. Ook de medeoprichters van deze militaire vleugel heeft eiser niet genoemd. Eiser weet evenmin wanneer de jeugdbeweging heeft aangekondigd een regering in ballingschap op te richten en hij noemt de verkeerde naam voor de aankondiger van dit besluit. Verder weet eiser niet welke belangrijke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden op 30 december 1999 en in juni 2000. Ten slotte heeft eiser verklaard altijd voor een verkiezing een demonstratie te hebben georganiseerd, maar kan hij geen antwoord geven op de vraag wanneer er tussen 1997 en 2005 verkiezingen zijn geweest en hij heeft een onjuiste naam genoemd op de vraag door wie is opgeroepen de verkiezingen van juni 2002 te boycotten. Dat eiser een enkele vraag wel goed heeft weten te beantwoorden, leidt niet tot een ander oordeel. Opmerkelijk blijft immers dat eiser geen antwoorden heeft gegeven op eenvoudige kennis- en ervaringsvragen die voor ieder actief lid of sympathisant van de SCNC als bekend moeten worden verondersteld. Dit klemt te meer nu eiser heeft verklaard publiciteitssecretaris te zijn geweest.

Aan het verzoek om de door verweerder geraadpleegde bronnen te mogen inzien, kan op elk gewenst moment worden voldaan. Overigens heeft eiser op een groot aantal elementaire vragen in het geheel geen antwoord gegeven. Het bij de zienswijze overgelegde internetartikel, dat zou moeten aantonen dat eiser wel degelijk een SCNC activist is geweest, doet verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van eiser nu de informatie uit het artikel niet overeenkomt met eisers verklaringen. Bovendien heeft eiser de door hem gestelde en in het artikel genoemde identiteit op geen enkele wijze onderbouwd. Geconcludeerd wordt derhalve dat geen geloof wordt gehecht aan eisers verklaringen omtrent zijn asielmotieven.

Voor zover eiser zich beroept op geheugenverlies, wordt overwogen dat op 5 juli 2007 door de door verweerder geraadpleegde GGD-arts is geoordeeld dat eiser gehoord kan worden en dat zijn medische situatie niet in de weg staat aan het afleggen van coherente verklaringen. De geuite algemene kritiek op de AC-procedure, doet aan het bovenstaande niet af.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de aanvraag, gelet op de vereiste zorgvuldigheid, niet binnen 48 procesuren heeft kunnen afdoen. Eiser meent dat hij in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning.

Ten aanzien van de geloofwaardigheid is het bestreden besluit een herhaling van het voornemen. Eiser handhaaft derhalve hetgeen hij in zijn zienswijze heeft aangevoerd. Er is sprake van onzorgvuldige besluitvorming en een motiveringsgebrek, nu in het bestreden besluit onvoldoende is ingegaan op de zienswijze.

Verweerder heeft voorts, gezien eisers medische situatie, niet binnen de AC-procedure op zijn asielaanvraag kunnen beslissen. Eiser lijdt aan geheugenverlies als gevolg van het feit dat hij in het verleden is gemarteld en de herinnering hieraan heeft getracht te blokkeren. Het is onzorgvuldig dat verweerder niet heeft gewacht met het nemen een besluit totdat het medische rapport van het Meldpunt Asielzoekers met Psychische Problemen (hierna: het MAPP) bekend was. Het medisch advies van de GGD, waar verweerder zich op baseert, is onvoldoende omdat het geen informatie bevat over de aard en de ernst van de psychische aandoening.

Ten slotte heeft verweerder geen inzicht gegeven in de gebruikte bronnen, zodat het voor eiser niet mogelijk is te controleren of hetgeen verweerder hem tegenwerpt correct is. Het bestreden besluit is ook hierom in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

IV. STANDPUNTEN PARTIJEN TER ZAKE VAN DE VRIJHEIDSONTNEMENDE MAATREGEL

Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

In geval van gegrondverklaring van het asielberoep dient eiser een nieuwe beslissing op zijn aanvraag in vrijheid af te mogen wachten.

Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel is bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd te achten.

V. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het besluit van verweerder om de uitzetting niet achterwege te laten wordt geschorst.

2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Eisers zijn tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

3. De AC-procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 procesuren. Deze procedure leent zich slechts voor die zaken waarvan verweerder, daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht nemend, binnen deze korte termijn kan beoordelen of de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 van de Vw 2000 kan worden afgewezen.

4. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

5. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

6. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van genoemd artikel wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

7. Indien zich de omstandigheid voordoet, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, mogen ingevolge artikel 31 van de Vw 2000, mede gelet op de totstandkoming van die bepaling (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan opgestelde beleidsregels, in het relaas van de vreemdeling om het geloofwaardig te achten, geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hierna: de Afdeling, van 27 januari 2003, JV 2003/103, en van 15 juni 2006, 200602132/1 en 200602135/1).

8. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming en een motiveringsgebrek, nu in het bestreden besluit onvoldoende is ingegaan op hetgeen eiser in zijn zienswijze heeft aangevoerd. Deze - algemeen geformuleerde - beroepsgrond kan, gezien het ontbreken van een nadere toelichting, echter niet slagen. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

9. Verweerder heeft eiser het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 tegengeworpen omdat hij toerekenbaar geen documenten ter vaststelling van zijn identiteit, zijn nationaliteit en zijn reisroute heeft overgelegd. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat hij zijn geboorteakte en partijkaart heeft achtergelaten in Kameroen en dat het te gevaarlijk was deze documenten naar Nigeria over te laten komen. Verweerder heeft in redelijkheid aan deze verklaring voorbij kunnen gaan nu eiser het gestelde op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Voorts is eiser verweten dat hij geen documenten met betrekking tot zijn reis van Nigeria naar het Verenigd Koninkrijk heeft overgelegd. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat deze documenten steeds in handen zijn geweest van de reisagent. Dit kan, ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 28 december 2001, JV 2002/73) evenwel niet afdoen aan de eigen verantwoordelijkheid die eiser heeft voor de onderbouwing - waar mogelijk - van zijn reisroute en vormt derhalve geen verschoonbare reden voor het niet overleggen van de op deze reis gebruikte documenten. Dat verweerder, zoals door eiser is betoogd, aan de hand van de door eiser afgelegde verklaringen de gevolgde reisroute heeft kunnen nagaan, is onvoldoende om eiser het ontbreken van bedoelde documenten niet tegen te werpen. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid kunnen concluderen dat op grond hiervan op voorhand afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser.

10. Met betrekking tot de stelling van eiser dat verweerder de samenwerkingsverplichting als bedoeld in artikel 4 van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming (de Definitierichtlijn) heeft geschonden, overweegt de rechtbank als volgt. De Definitierichtlijn beoogt minimumnormen te geven met betrekking tot het materiële recht van de lidstaten betreffende de erkenning als vluchteling of persoon die anderszins internationale bescherming behoeft. Nog daargelaten dat eiser deze beroepsgrond eerst ter zitting heeft voorgedragen, is in hetgeen eiser heeft aangevoerd, geen grond gelegen voor het oordeel dat de in artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn neergelegde samenwerkingsplicht door verweerder is geschonden. Er zijn geen aanwijzingen dat het artikel een verdergaande onderzoeksplicht aan verweerder oplegt dan verweerder bij het nemen van het bestreden besluit overeenkomstig het nationale recht in acht heeft genomen. Bovendien heeft eiser op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij alle inspanningen heeft geleverd ter verkrijging van documenten dan wel dat dit niet van hem kan worden verlangd.

11. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het relaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert. Verweerder heeft daartoe een aantal elementen, zoals opgenomen in III.1, aangevoerd en geconcludeerd dat eiser onvoldoende informatie heeft kunnen verschaffen over de SCNC, zeker gezien de gestelde functie die eiser binnen de partij had, zodat niet geloofwaardig wordt geacht dat eiser lid is geweest van de SCNC noch dat hij activiteiten voor deze organisatie heeft verricht. Gelet daarop heeft verweerder de problemen die eiser als gevolg van zijn gestelde lidmaatschap van de SCNC stelt te hebben ondervonden evenmin geloofwaardig geacht.

12. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat zijn psychische gesteldheid er aan in de weg staat dat hij binnen de AC-procedure zijn hele verhaal kan vertellen. Eiser lijdt aan geheugenverlies. Hij is in zijn land van herkomst gemarteld en de herinneringen hieraan heeft hij getracht te blokkeren. Eiser kan zich daarom veel zaken uit het verleden niet meer herinneren. De AC-procedure is te kort om eiser vertrouwen en rust te geven. Op grond van de psychische gesteldheid van eiser ten tijde van de gehoren, heeft verweerder de aanvraag niet binnen 48 procesuren kunnen afwijzen.

Verweerder heeft gewezen op het feit dat eiser op 5 juli 2007 is onderzocht door een arts van de GGD. Deze arts heeft geoordeeld dat eiser gehoord kan worden en dat zijn medische situatie niet in de weg staat aan het afleggen van coherente verklaringen.

Volgens eiser is het onderzoek door de arts van de GGD te globaal geweest, omdat niet is onderzocht of het mogelijk is dat eiser door de lichamelijke en psychische gevolgen van de door hem ondergane martelingen aan geheugenverlies lijdt. Bij brief van 19 juli 2007 heeft eiser een rapport overgelegd van het MAPP, dat betrekking heeft op het onderzoek dat op 18 juli 2007 ten aanzien van hem is uitgevoerd door drs. A. Kievit, gezondheidszorgpsycholoog en klinisch psycholoog. Volgens eiser blijkt hieruit dat het zeer aannemelijk is dat eiser getraumatiseerd is door gebeurtenissen uit het verleden, dat hij een copingstijl beschrijft die het hem mogelijk maakt om in het hier en nu te functioneren en dat hij nu niet kan participeren in de asielprocedure.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de verwijzing naar het rapport van het MAPP niet aannemelijk gemaakt dat een slechte psychische gesteldheid van invloed is geweest op de inhoud van zijn verklaringen. Van belang acht de rechtbank dat uit het rapport van het MAPP blijkt dat er geen testen zijn afgenomen, aangezien eiser hiervoor niet gemotiveerd was. Dit heeft tot gevolg dat geen objectief meetresultaat aanwezig is, om de gestelde conclusies te dragen. Deze conclusies luiden dat eiser bloot heeft gestaan aan traumatische omstandigheden en dat het zeer aannemelijk is dat er sprake is van een PTSS. Het valt uit het rapport niet na te gaan hoe deze conclusies konden worden getrokken uit het met hem gevoerde gesprek. Dit gesprek is weliswaar in kort samengevatte vorm opgenomen, maar nu niet duidelijk is hoe de vragen hebben geluid en welke antwoorden eiser heeft gegeven, blijft het onduidelijk wat in de vragen is gesuggereerd en waar eiser zelf mee gekomen is. Gelet hierop en met name op het feit dat er ten aanzien van eiser geen testen zijn afgenomen, stoelt de conclusie van het onderzoek naar het oordeel van de rechtbank niet op een objectieve onderbouwing. Derhalve kan het rapport geen afbreuk doen aan het oordeel van de arts van de GGD dat eisers medische situatie niet in de weg staat aan het afleggen van coherente verklaringen. Deze beroepsgrond faalt dan ook.

13. Hetgeen eiser voorts in beroep heeft aangevoerd, acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat verweerder aan het geconstateerde gebrek aan informatie dat eiser over de SCNC en over zijn activiteiten voor deze partij heeft gegeven, niet de daaraan in het bestreden besluit toegekende betekenis heeft mogen toekennen. Verweerder heeft daarbij van doorslaggevend belang mogen achten dat eiser naar gesteld publiciteitssecretaris van de jeugdvleugel van de partij is geweest en dat hij vele activiteiten voor de SCNC zou hebben verricht. Eiser heeft betoogd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door hem de geraadpleegde bronnen niet te verstrekken. Wat hier ook van zij, het is aan eiser om zijn relaas aannemelijk te maken en vastgesteld kan worden dat eiser op een zeer groot aantal vragen geen antwoord heeft gegeven. Gelet hierop acht de rechtbank geen grond aanwezig voor het oordeel dat de in III.1 opgesomde elementen, in onderlinge samenhang bezien, verweerder niet in redelijkheid tot de conclusie hebben mogen brengen dat het relaas van eiser positieve overtuigingskracht mist.

14. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot ongeloofwaardigheid van de verklaringen van eiser heeft kunnen concluderen. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op één van de gronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

15. Uit het voorgaande volgt dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen. Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van eiser zal ongegrond worden verklaard. Dat brengt mee dat het verzoek om voorlopige voorziening bij gebrek aan belang dient te worden afgewezen.

VI. OVERWEGINGEN INZAKE DE VRIJHEIDSONTNEMENDE MAATREGEL

16. Verweerder is voorts op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden.

Verweerder voert het beleid dat onder meer tot - voortzetting van - de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 wordt besloten indien de asielaanvraag binnen de aanmeldcentrumprocedure is afgewezen.

17. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat verweerder - na afweging van alle bij de vrijheidsontnemende maatregel betrokken belangen - voornoemd beleid in het geval van eiser in redelijkheid niet heeft kunnen voeren.

De rechtbank is ook overigens van oordeel dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 thans niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

18. Ook het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is derhalve ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

19. Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

VII. BESLISSING

De voorzieningenrechter

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 07/27705:

- verklaart het beroep ongegrond;

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 07/27708:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 07/27711:

- verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond;

- wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 27 juli 2007 door mr. M.J. Diemer, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Kolk, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier

De rechter

Afschrift verzonden op:

Conc.: MK

Coll:

D: C

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen een week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep ter zake van de asielaanvraag bedraagt één week.

De termijn voor het instellen van hoger beroep ter zake van de vrijheidsontnemende maatregel bedraagt eveneens één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.