Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0960

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-08-2007
Datum publicatie
03-08-2007
Zaaknummer
KG 07/732
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aalvisrechten Lauwersmeer. In dit kort geding is de vraag opgeworpen welke betekenis moet worden toegekend aan de goedkeuring die de Kamer voor de Binnenvisserij op 5 augustus 2004 heeft gegeven aan de gewraakte verhuur door de Staat aan het visserijbedrijf van gedaagden sub 2 en 3. In het bijzonder is het de vraag of aan deze goedkeuring formele rechtskracht toekomt, en zo ja, wat dat betekent voor de mogelijkheid van rechterlijke toetsing van deze verhuur. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van eiser af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 3 augustus 2007,

bij vervroeging gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/732 van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. L.Ph.J. baron van Utenhove,

advocaat mr. J.H. Hermsen te Apeldoorn,

tegen:

1. de Staat der Nederlanden (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit),

zetelende te 's-Gravenhage,

procureur mr. R.W. Veldhuis,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

in persoon verschenen,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

gedaagden.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 27 juli 2007 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Eiser (hierna: [eiser]) is beroepsvisser.

1.2. De gedaagden sub 2 en 3 (hierna: [gedaagde sub 2] respectievelijk [gedaagde sub 3]) zijn broers (hierna gezamenlijk ook wel: de gebroeders [gedaagden sub 2 en 3]). Zij drijven gezamenlijk de onderneming genaamd Visserijbedrijf [visserijbedrijf A].

1.3. In 1999 heeft de Staat de aalvisrechten op het aan hem in eigendom toebehorende Lauwersmeer verhuurd aan drie partijen, elk voor een gelijk deel: (1) [partij 1], (2) [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3], en (3) [partij 3] en [eiser]. Daartoe heeft de Staat met deze partijen huurovereenkomsten gesloten, telkens voor zes jaar. De verhuur van aalvisrechten vindt plaats op basis van gemene weidevisserij.

1.4. Per 1 januari 2002 is de huurovereenkomst met [partij 3] en [eiser] geëindigd en heeft de Staat met [eiser] een nieuwe huurovereenkomst voor zes jaar gesloten.

1.5. Met een brief van 1 maart 2004 heeft [partij 1] (hierna: [partij 1]) de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Minister) verzocht om zijn ([partij 1]) aalvisrechten te verhuren aan Visserijbedrijf [visserijbedrijf A]. In de brief meldt [partij 1] dat hij zijn visserijbedrijf aan Visserijbedrijf [visserijbedrijf A] wil overdragen.

1.6. De huurovereenkomst tussen de Staat en [partij 1] is op 1 juli 2004 geëindigd. De Staat heeft vanaf deze datum de desbetreffende aalvisrechten voor een periode van zes jaar verhuurd aan Visserijbedrijf [visserijbedrijf A] en is daartoe met dit bedrijf een huurovereenkomst aangegaan.

1.7. Bij besluit van 5 augustus 2004 heeft de Kamer voor de Binnenvisserij deze huurovereenkomst goedgekeurd overeenkomstig artikel 26 Visserijwet 1963.

1.8. Met een brief van 23 december 2004 heeft de Staat [eiser] geïnformeerd over de huurovereenkomst met Visserijbedrijf [vissersijbedrijf A.].

1.9. Met een brief van 8 maart 2005 heeft [eiser] bij de Kamer voor de Binnenvisserij bewaar gemaakt tegen het goedkeuringsbesluit van 5 augustus 2004.

1.10. Bij besluit van 29 april 2005 heeft de Kamer voor de Binnenvisserij het bezwaar van [eiser] wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. [eiser] is hiertegen in beroep gegaan.

1.11. Bij uitspraak van 21 februari 2006 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad het door [eiser] ingestelde beroep ongegrond verklaard. [eiser] is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan.

1.12. Bij uitspraak van 25 oktober 2006 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de aangevallen uitspraak van 21 februari 2006 bevestigd.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

[eiser] vordert - zakelijk weergegeven - primair:

1. de Staat, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] te gelasten om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis de tussen hen gesloten huurovereenkomst van (naar de voorzieningenrechter begrijpt) 1 juli 2004 buiten effect te stellen;

2. de Staat op straffe van een dwangsom te gelasten om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis aan [eiser] een deugdelijk voorstel te doen voor het tot stand brengen van een overeenkomst die strekt tot gelijke verdeling van de vrijgekomen visrechten tussen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] enerzijds en [eiser] anderzijds;

3. te bepalen dat [eiser] tot het moment waarop deze overeenkomst zal zijn tot stand gekomen alvast met onmiddellijke ingang de aalvisrechten op het Lauwersmeer zal mogen uitoefenen als ware de helft van de vrijgekomen visrechten van [partij 1] reeds aan [eiser] toebedeeld.

Subsidiair vordert [eiser] een voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij de aalvisrechten op het Lauwersmeer met onmiddellijke ingang, dan wel vanaf een door de voorzieningenrechter te bepalen tijdstip, zal mogen uitoefenen als ware de helft van de vrijgekomen visrechten van [partij 1] aan hem, [eiser], toebedeeld.

Daartoe voert [eiser] het volgende aan.

De Staat heeft de vrijgekomen visrechten van [partij 1] aan de gebroeders [gedaagden sub 2 en 3] overgedragen, zonder [eiser] daarin te kennen. Dat is onrechtmatig jegens [eiser] op de volgende gronden.

De Staat heeft in strijd met de Beleidsregels inzake de verhuur van vrijgekomen visrechten op het Lauwersmeer gehandeld. Daarin is geregeld dat de Staat in overleg met de (overige) vissers beziet of de vrijgekomen visrechten weer moeten worden uitgegeven en zo ja, aan wie.

Voorts is de Staat voorbijgegaan aan het Beleidsbesluit Binnenvisserij, waarin het beperken van conflicten als beleidspunt is opgenomen. De handelwijze van de Staat staat ook op gespannen voet met het in dit beleidsbesluit vastgelegde uitgangspunt dat de verhuur en de uitgifte van vrijgekomen visrechten op zodanige wijze zullen geschieden dat zowel de sportvissers als de beroepsvissers in onderlinge samenwerking het visstandbeheer en de visserij optimaal vorm kunnen geven.

De overdracht is tevens strijdig met de huurovereenkomsten tussen de Staat enerzijds en de drie betrokken vissers anderzijds. Van deze huurovereenkomsten maakt het Visserijplan Lauwersmeer deel uit, dat onder meer is gericht op de continuering van de bedrijfsvoering van de huidige drie visserijbedrijven en op de verhoging van het rendement van deze drie bedrijven tot een acceptabel niveau. De Staat heeft deze essentiële doelstelling miskend.

Daarnaast heeft de Staat de Richtlijnen bij overdrachten van huurovereenkomsten van de Staat geschonden. De gebroeders [gedaagden sub 2 en 3] zijn - in afwijking van de in deze richtlijnen opgenomen eisen voor overdracht - immers geen bloed- of aanverwanten van [partij 1]. Zij zijn evenmin te kwalificeren als werknemer of compagnon.

Verder heeft de Staat evident gehandeld in strijd met de (ook in privaatrechtelijke rechtsbetrekkingen in acht te nemen) beginselen van behoorlijk bestuur, en met artikel 6:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarbij is van belang dat de beroepsvisserij economisch erg kwetsbaar is en wordt geconfronteerd met noodzakelijke vangstbeperking, hetgeen noopt tot een juiste verdeling van rechten en plichten. Uit de gemene weidevisserij volgt dat de drie visserijbedrijven op één het hetzelfde viswater de concurrentie met elkaar moeten aangaan. Om te voorkomen dat deze concurrentie leidt tot nadelige gevolgen, voorzien de huurovereenkomsten zoveel mogelijk in een toestand van evenwicht en gelijkwaardigheid.

De Staat en [gedaagde sub 2] voeren gemotiveerd verweer, dat hierna voor zover nodig zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. [eiser] heeft een voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen. De verschenen gedaagden hebben dit op zichzelf ook niet betwist. Weliswaar strekt [eisers] primaire vordering tot buiteneffectstelling van een al in 2004 tot stand gekomen overeenkomst tussen de gedaagden, met enkele daaraan verbonden andere voorzieningen, maar dit tijdsverloop heeft in dit geval [eisers] spoedeisende belang niet verloren doen gaan. In de tussentijd heeft hij in twee instanties een bestuursrechtelijke procedure gevoerd en ook zijn er, deels daarna, intensieve maar vruchteloos gebleven onderhandelingen gevoerd om tot een minnelijke regeling te komen. Afgezien daarvan beoogt [eiser] met zijn vorderingen ook een volgens hem op korte termijn dreigend nadeel af te wenden.

3.2. De vorderingen zijn - behalve tegen de gebroeders [gedaagden sub 2 en 3] - gericht tegen de Staat in zijn hoedanigheid van (private) verhuurder van de aalvisrechten in kwestie. Daarmee is dit een zaak die aan de burgerlijke rechter kan worden voorgelegd en wordt beheerst door het privaatrecht. Van belang is overigens wel dat de Staat een overheidslichaam is. Dit betekent onder meer dat zijn handelen mede kan worden getoetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.3. In dit kort geding is de vraag opgeworpen welke betekenis moet worden toegekend aan de goedkeuring die de Kamer voor de Binnenvisserij op 5 augustus 2004 heeft gegeven aan de gewraakte verhuur door de Staat aan Visserijbedrijf [visserijbedrijf A] (lees: de gebroeders [gedaagden sub 2 en 3]). In het bijzonder is het de vraag of aan deze goedkeuring formele rechtskracht toekomt, en zo ja, wat dat betekent voor de mogelijkheid van rechterlijke toetsing van deze verhuur. Op dit punt moet een onderscheid worden gemaakt. De goedkeuring zelf, als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, heeft - door het stranden van [eisers] hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak - formele rechtskracht verkregen en is dus onherroepelijk. Dit betekent echter niet dat de private verhuring waarop de goedkeuring ziet, niet meer door de rechter (in dit geval dus de voorzieningenrechter in dit kort geding) kan worden getoetst. Het feit dat een overeenkomst naar burgerlijk recht bestuursrechtelijke goedkeuring behoeft om effect te kunnen sorteren, betekent niet dat die overeenkomst na het onherroepelijk worden van die goedkeuring zelf ook onaantastbaar is geworden. Ook de eisen van een doelmatige taakverdeling tussen de bestuursrechter en de civiele rechter dwingen niet tot de conclusie dat de laatstgenoemde de bedoelde overeenkomst niet meer op haar merites zou kunnen beoordelen.

3.4. In dit kort geding staat, zoals vermeld, vast dat de verhuring aan Visserijbedrijf [visserijbedrijf A] is gebeurd op verzoek van [partij 1] en met instemming van de gebroeders [gedaagden sub 2 en 3] en dat deze partijen onderling tot overeenstemming waren gekomen over de overdracht van [partij 1] bedrijf aan de gebroeders [gedaagden sub 2 en 3]. Er kan voorts van worden uitgegaan dat [partij 1], die zich door gezondheidsproblemen genoodzaakt had gezien zijn bedrijf te beëindigen, voorkeur had voor bedrijfsopvolging, ook in de voortzetting van de huur van de aalvisrechten, door de gebroeders [gedaagden sub 2 en 3]. Ten slotte staat vast dat [eiser] onkundig is gelaten van [partij 1] verzoek aan de Staat tot verhuring van de vrijkomende visrechten aan de gebroeders [gedaagden sub 2 en 3]. De Staat heeft [eiser] ook niet geïnformeerd over de beslissing van de Minister op het verzoek. [eiser] is pas veel later op de hoogte geraakt van dit alles.

3.5. De vorderingen van [eiser] stellen de vraag aan de orde of de Staat zich tegenover [eiser] in dit opzicht onbehoorlijk - niet als een goede verhuurder van het viswater - heeft gedragen. Bij de beantwoording van deze vraag wordt vooropgesteld dat voor de Staat tegenover [partij 1] of de gebroeders [gedaagden sub 2 en 3] niet de verplichting bestond om het verzoek van [partij 1] in te willigen. Er geldt geen voorrangspositie, in welke zin ook, voor een door een zittende huurder voorgedragen opvolgende (kandidaat-)huurder. Dit is anders dan bijvoorbeeld bij de in artikel 7:307 BW voorziene mogelijkheid van indeplaatsstelling bij de verhuur van bedrijfsruimte; voor de huurder die een derde, aan wie hij zijn in het gehuurde uitgeoefende bedrijf wil overdragen, in zijn plaats als opvolgend huurder wenst, staat een bijzondere rechtsgang open om te vorderen dat hij gemachtigd wordt die derde als huurder in zijn plaats te stellen.

Voor de hier besproken vraag is voorts - en vooral - van belang dat tussen de huurders van de aalvisrechten een bijzondere verhouding bestaat; zij hebben in de vorm van gemene weidevisserij tezamen het visrecht op het Lauwersmeer en moeten daarom tot goede werkafspraken komen om hun afzonderlijke rechten adequaat te kunnen uitoefenen. De Staat dient naar vermogen te bevorderen dat de onderlinge verhouding tussen de huurders niet wordt verstoord. Dit blijkt mede uit de door [eiser] vermelde beleidsregels, waarbij in het midden kan blijven of deze rechtstreeks toepasselijk zijn in de verhouding van de Staat tot [eiser]. Hierbij verdient opmerking dat een gelijke verhouding tussen de aanspraken van de huurders (1:1:1 of 1:1) een betere waarborg biedt voor goede verhoudingen dan een ongelijke (2:1). Hieraan doet niet af dat de gebroeders [gedaagden sub 2 en 3] met hun tweeën zijn en [eiser] niet; het gaat immers om de onderlinge posities van degenen die concurrent van elkaar zijn. Deze verplichting van de Staat hangt hiermee samen dat hij, ofschoon verhuurder naar privaatrecht, geen 'gewone' eigenaar-verhuurder is; het gaat bij uitstek om (een redelijke verdeling van het gebruik, in dit geval als viswater, van) publieke eigendom.

Tegen de achtergrond van dit een en ander stond het de Staat niet vrij om geheel buiten [eiser] om de vrijkomende visrechten aan de andere zittende huurder te verhuren. [eiser] had en heeft een groot, voor de Staat uiteraard kenbaar, belang bij uitbreiding van zijn visareaal. Op de hier aan de orde gestelde vraag past dus een bevestigend antwoord. De Staat heeft jegens [eiser] in strijd gehandeld met het op hem rustende zorgvuldigheidsbeginsel en daarmee met zijn verplichting als goede verhuurder.

3.6. Aan de gebroeders [gedaagden sub 2 en 3] valt in rechte geen verwijt te maken. Het stond hun vrij om met [partij 1] tot zaken te komen en hem vervolgens aan de Staat te doen vragen om instemming met de 'overdracht' van de huurrechten van [partij 1] aan hen. Het had hun gesierd als zij [eiser], hun deelgenoot in de gemene weidevisserij, in kennis hadden gesteld van hun voornemens, maar voor het aannemen van een verplichting van hen op dit punt bestaat onvoldoende grond. Ditzelfde geldt - in ten minste gelijke mate - voor [partij 1].

3.7. Hoewel de Staat zich tegenover [eiser] onbehoorlijk en in strijd met zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst heeft gedragen, kan onderdeel 1 van de primaire vordering van [eiser] niet slagen. Het 'buiten effect stellen' van de huurovereenkomst van de Staat met Visserijbedrijf [visserijbedrijf A], indien al mogelijk bij wijze van ongedaanmaking van de gevolgen van de tekortkoming van de Staat, zou ernstige en - naar uit het onder 3.6 vermelde voortvloeit - ongerechtvaardigde consequenties hebben voor de positie van de gebroeders [gedaagden sub 2 en 3] en [partij 1]. Ook afgezien daarvan zijn de gevolgen van ongedaanmaking niet goed te overzien. Daar komt bij dat er geen rechtsregel is waaruit volgt dat de Staat onder alle omstandigheden verplicht was de vrijkomende visrechten gelijkelijk over de twee resterende huurders, [eiser] en de gebroeders [gedaagden sub 2 en 3], te verdelen, hoezeer een dergelijke verdeling ook, in beginsel, de voorkeur lijkt te verdienen. Hierop stuiten de onderdelen 2 en 3 van de primaire vordering en ook de subsidiaire vordering af. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat de Staat aan [eiser] de financiële schade moet vergoeden die deze als gevolg van de handelwijze van de Staat heeft geleden en mogelijk nog lijdt, maar een daarop afgestemde vordering is niet ingesteld. Een dergelijke vordering zou overigens op basis van het tot dusver gevoerde debat ook niet kunnen worden toegewezen, doordat onvoldoende duidelijkheid bestaat over wat de Staat had kunnen (en mogen) doen als hij ook [eiser] de gelegenheid had gegeven van zijn belangstelling voor de vrijkomende visrechten te doen blijken.

3.8. De proceskosten tussen [eiser] en de Staat zullen op de hierna te vermelde wijze worden gecompenseerd. De vordering van [eiser] wordt weliswaar in alle onderdelen afgewezen, maar op het meest inhoudelijke punt van het geschil is de Staat in het ongelijk gesteld. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] dienen ten laste van [eiser] te komen, nu hij in het geding met deze gedaagde geheel in het ongelijk is gesteld. Tegen de niet verschenen gedaagde, [gedaagde sub 3], wordt verstek verleend, maar ook de tegen hem gerichte vordering dient te worden afgewezen, en wel op gelijke grond als de afwijzing van de vordering tegen [gedaagde sub 2]. Een beslissing over de kosten in de zaak tegen de niet verschenen gedaagde kan achterwege blijven, nu deze gedaagde geen kosten heeft gemaakt.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verleent verstek tegen [gedaagde sub 3];

wijst de vorderingen af;

bepaalt in het geding tussen [eiser] en de Staat dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde sub 2], tot dusverre begroot op € 251,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is bij vervroeging gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en uitgesproken ter openbare zitting van 3 augustus 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.