Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0838

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
AWB 07/24697 en 07/24696
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / artikelen 15b en 20 Definitierichtlijn / geen nieuw recht

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker enkel een beroep doet op artikel 15b en artikel 20, derde lid van de Richtlijn 2004/83/EG. De gemachtigde van verzoeker heeft dit desgevraagd ter zitting bevestigd. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of genoemde artikelen nieuw recht zijn in de zin van artikel 4:6 Awb. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient die vraag ontkennend te worden beantwoord. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen sprake van nieuw recht, omdat artikel 15b van de Richtlijn 2004/83/EG overeen komt met de toetsing in het kader van artikel 3 EVRM juncto artikel 29, eerste lid onder b, Vw 2000. Artikel 20, derde lid, van de Definitierichtlijn 2004/83/EG is eveneens geen nieuw recht, nu dit artikel in het hoofdstuk VII staat, welke gaat over de kenmerken van de internationale bescherming, en dit artikel blijkens het tweede lid van artikel 20 van de Richtlijn geldt voor vluchtelingen en personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen. Dit artikel is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen bepaling op grond waarvan een vreemdeling aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning. Anders dan verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van nieuw recht, zodat verweerder de aanvraag met toepassing van artikel 4:6 Awb heeft kunnen afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: Awb 07/24697 en 07/24696

Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 3 juli 2007

inzake:

[verzoeker],

geboren op 1 augustus 1973,

van Turkse nationaliteit,

IND dossiernummer: 0501.21.0310,

V-nummer: 270.647.2196

verzoeker,

gemachtigde: mr. Y. Tamer, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen

STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. Postma, werkzaam bij de IND.

Procesverloop

Op 8 juni 2007 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft bij beschikking van 14 juni 2007 afwijzend op de aanvraag beslist.

Bij beroepschrift van 14 juni 2007 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de beschikking van 14 juni 2007. Dit beroep is geregistreerd onder Awb 07/24696. Verzoeker is meegedeeld dat hij de behandeling van het beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Bij verzoekschrift van 14 juni 2007 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen totdat op het beroep wordt beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de voorzieningenrechter en verzoeker gezonden.

De openbare behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 29 juni 2007. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Motivering

Feiten en standpunten van partijen

Verzoeker heeft op 2 februari 2005 voor de eerste maal een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 8 februari 2005 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 1 april 2005 gegrond verklaard. Op 14 juni 2006 heeft verweerder voornoemde aanvraag opnieuw niet ingewilligd. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 21 februari 2007 is het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 april 2007 bevestigd.

Verzoeker heeft op 8 juni 2007 een nieuwe aanvraag ingediend, omdat naar zijn mening niet terug kan naar Turkije. Daartoe heeft verzoeker een aantal documenten overgelegd.

1. onvertaalde krantenberichten

2. foto’s

3. internetbericht

4. bericht uit de Hurriyet, 22 augustus 2005

5. artikel van de internet versie van Hurriyet van 11 mei 2006 en 21 mei 2006, met vertaling

6. internetbericht van Haber 7, van 30 mei 2006, met vertaling

7. brief aan de Staatssecretaris, ontvangen op 3 april 2007, met vertaling

8. internetbericht van Gays en lesbians aus der Turkei, 8 augustus 2006 met vertaling

9. internetbericht van toespraak Demet Demir van 30 juli 2006, met vertaling

10. internetbericht van 18 juni 2006, “In Ankara protesteerden wij tegen de gebeurtenissen in Eryaman, met vertaling

11. pagina 71 en 72 van het ambtsbericht van 6 maart 2007 inzake Turkije

12. afsprakenkaart GGZ

13. bericht van verzetten van afspraak bij Riagg

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat hetgeen door verzoeker naar voren is gebracht niet kan worden beschouwd als nieuwe feiten en omstandigheden. Er bestaat volgens verweerder derhalve geen aanleiding de aanvraag inhoudelijk te beoordelen op inwilligbaarheid.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat zijn aanvraag ten onrechte in de AC-procedure is afgedaan. Naar het oordeel van verzoeker is voldoende gebleken van nieuw gebleken feiten en/of omstandigheden en was een nader onderzoek in deze aangewezen. Verzoeker meent dat hij niet terug kan naar Turkije, omdat hij destijds vanwege zijn geaardheid problemen heeft ondervonden en bij terugkeer, zal ondervinden. Verzoeker is bang voor eerwraak. Verzoeker heeft psychische problemen en wordt daarvoor in Nederland behandeld. Volgens verzoeker kan hij, gelet op zijn verleden in Turkije, niet de juiste medische behandeling krijgen. Bij de aanvullende gronden van beroep legt verzoeker een brief over van dokter Konya van 21 juni 2007 en een intake met die arts van 27 november 2007. In de gronden van het beroep doet verzoeker voorts een beroep op de artikel 15, sub b en artikel 20 van de Definitierichtlijn 2004/83/EG. Volgens verzoeker is er sprake van nieuw recht en had verweerder de aanvraag niet met toepassing van artikel 4:6 Awb kunnen afdoen.

Beoordeling van het verzoek

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen het besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Verzoeker is tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

In de hoofdzaak dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is onder meer van belang of verweerder de aanvraag zonder schending van eisen van zorgvuldigheid in het kader van de AC-procedure heeft kunnen afwijzen.

Artikel 4:6 Awb bepaalt dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag is gedaan, de aanvrager is gehouden nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden te melden. Indien daarvan geen sprake is, kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerder afwijzende beschikking.

De rechter moet, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in dit geval, direct treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

Vooropgesteld moet worden dat met de uitspraak van deze rechtbank van 1 april 2005 en met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 april 2007 in rechte is vast komen te staan dat verzoeker niet kan worden aangemerkt als vluchteling, dat hij bij uitzetting naar Turkije geen reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De aanvraag van 8 juni 2007, die aan de bestreden beschikking ten grondslag ligt, moet derhalve worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag in de zin van artikel 4:6, eerste lid, Awb.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door verzoeker bij de aanvraag overgelegde documenten, zoals voornoemd onder de nummers 1 t/m 13, geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn in voornoemde zin, omdat deze documenten van algemene aard zijn, niet zien op de persoon van verzoeker en voorts geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardig is.

Voor wat betreft het standpunt van verzoeker dat hij bij terugkeer een risico op schending van artikel 3 EVRM loopt, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. In voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 21 februari 2007, is in rechte komen vast te staan dat de medische situatie van verzoeker geen risico als voornoemd met zich brengt. De door verzoeker overgelegde afsprakenkaart van de GGZ en het bericht van het verzetten van afspraken, zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen nieuwe feiten in voornoemde zin. Deze documenten bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat een hernieuwde rechterlijke beoordeling gerechtvaardigd is.

In dit verband wijst de voorzieningenrechter naar vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) (uitspraak van 2 mei 1997 in de zaak St. Kitts, nr. 146/1996/767/964, RV 1997, 70 en van 6 februari 2001 in de zaak Bensaid, nr. 44599/98, «JV» 2001/103) waaruit blijkt, samengevat, dat uitzetting in verband met de medische toestand kan leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM, in het geval de vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. De door verzoeker overgelegde stukken maken naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat sprake is van een situatie als bedoeld in voornoemde jurisprudentie van het EHRM. Gelet hierop zijn de door verzoeker overgelegde medische stukken geen nova in de zin van artikel 4:6 Awb.

De pas in beroep en niet bij de aanvraag overgelegde brief van dokter Konya van 21 juni 2007 en de intake met die arts van 27 november 2006, kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden meegenomen bij de beoordeling van onderhavig beroep. Ingevolge artikel 4:6 Awb was verzoeker gehouden reeds bij zijn herhaalde aanvraag dan wel op enig ander moment in de besluitvorming te vermelden dat en waarom de door hen overgelegde documenten van dokter Konya nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden opleverden.

Verzoeker heeft voorts een beroep gedaan op artikel 15, sub b en artikel 20 van de Definitie Richtlijn 2004/83/EG.

Artikel 15 van de Definitierichtlijn 2004/83/EG bepaalt dat ernstige schade bestaat uit:

a. doodstraf of executie; of:

b. foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of:

c. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, van de Definitierichtlijn 2004/83/EG, geldt hoofdstuk VII zowel voor vluchtelingen als voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, tenzij anders is bepaald. Ingevolge het derde lid, houden de lidstaten bij de toepassing van dit hoofdstuk rekening met de specifieke situatie van kwetsbare personen zoals minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen, personen met een handicap, ouderen, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen en personen die folteringen hebben ondergaan, zijn verkracht of aan andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld zijn blootgesteld.

Aan de Definitierichtlijn komt, nu deze niet op10 oktober 2006 is geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving, rechtstreekse werking toe.

Artikel 4:6 Awb ziet niet op de situatie dat het voor de aanvraag relevante recht is gewijzigd.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker enkel een beroep doet op artikel 15b en artikel 20, derde lid van de Richtlijn 2004/83/EG. De gemachtigde van verzoeker heeft dit desgevraagd ter zitting bevestigd. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of genoemde artikelen nieuw recht zijn in de zin van artikel 4:6 Awb.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient die vraag ontkennend te worden beantwoord. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen sprake van nieuw recht, omdat artikel 15b van de Richtlijn 2004/83/EG overeen komt met de toetsing in het kader van artikel 3 EVRM juncto artikel 29, eerste lid onder b, Vw 2000. Artikel 20, derde lid, van de Definitierichtlijn 2004/83/EG is eveneens geen nieuw recht, nu dit artikel in het hoofdstuk VII staat, welke gaat over de kenmerken van de internationale bescherming, en dit artikel blijkens het tweede lid van artikel 20 van de Richtlijn geldt voor vluchtelingen en personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen. Dit artikel is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen bepaling op grond waarvan een vreemdeling aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning.

Anders dan verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van nieuw recht, zodat verweerder de aanvraag met toepassing van artikel 4:6 Awb heeft kunnen afwijzen.

Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in ongegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen.

Nu het beroep ongegrond dient te worden verklaard, wordt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Voor vergoeding van de kosten die verzoeker in verband met het indienen van het verzoekschrift of het beroepschrift heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening bekend onder nummer Awb 07/24697 af;

- verklaart het beroep, bekend onder nummer A07/24696 ongegrond.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak ten aanzien van het gedeelte waarin op het beroep is beslist, binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Aldus gegeven door mr. O.J. Bosker, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.A. Buikema als griffier op 3 juli 2007.

Afschrift verzonden: