Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0532

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2007
Datum publicatie
26-07-2007
Zaaknummer
10/600122-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van gewoontewitwassen, meermalen gepleegd; medeplegen van witwassen; handelen in strijd met art. 26, eerste lid en artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie. Verdachte heeft zich samen met anderen onder meer schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen. Op grote schaal zijn door haar kleine coupures gewisseld voor biljetten van € 500,00. Verdachte heeft hierbij een centrale, leidinggevende rol gehad. Verdachte heeft voor haar activiteiten onder een valse naam meerdere woningen gehuurd en gebruik gemaakt van diverse telefoonnummers, kennelijk met het doel om haar illegale bezigheden te verhullen. Hiernaast was zij verantwoordelijk voor het organiseren van diverse geldtransporten naar Colombia en daarmee de cruciale schakel voor het internationale karakter van het witwassen. Op professionele wijze heeft verdachte koeriers geregeld en vluchten geboekt. Hierbij heeft zij misbruik gemaakt van het feit dat de koeriers vaak graag naar Colombia wilden reizen om hun familie te bezoeken, maar niet in staat waren een ticket te bekostigen. Hiernaast heeft verdachte een automatisch vuurwapen, een geluiddemper en munitie voorhanden gehad, hetgeen tot zeer gevaarlijke situaties kan leiden en een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengt. De straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 33b, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 420bis, 420ter van het Wetboek van Strafrecht; 13, 26, 55 van de Wet wapens en munitie. Gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden, met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

NEVENZITTINGSPLAATS 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 10/600122-06

's-Gravenhage, 26 juli 2006

De rechtbank Rotterdam, zitting houdende te 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte C],

geboren te [geboorteplaats]1974,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Vrouwen "Breda" te Breda.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 8 februari 2007, 25 april 2007, 9 juli 2007, 10 juli 2007, 11 juli 2007 en 12 juli 2007.

De verdachte is op de terechtzittingen van 25 april 2007, 9 juli 2007 en 10 juli 2007 verschenen en gehoord. Op de terechtzittingen van 8 februari 2007 en 9 juli 2007 is als raadsvrouw van verdachte verschenen mr. A. Ghonedale, advocaat te Amsterdam. Op de terechtzittingen van 25 april 2007 en 10 juli 2007 is als raadsman van verdachte verschenen mr. L.J.B.G. van Kleef, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie mr. Meissen heeft gevorderd dat verdachte terzake van het haar onder 1 primair, 2, 3, 5 en 6 primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat ten aanzien van de blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen als volgt zal worden beslist:

- teruggave aan verdachte van de nummers 1, 2, 3, 4, inhoud 7, 8, 9, 11, 12, 16, 22, 25, 30, 31, 41, 42, 45, 50 t/m 52, 56, 61, 62, 64;

- onttrekking aan het verkeer van de nummers 5a, 23, 46, 60, 67;

- verbeurdverklaring van de nummers 5b, 10, 13 t/m 15, 17 t/m 21, 24, 26 t/m 29, 32 t/m 40, 43, 44, 47 t/m 49, 53 t/m 55, 57 t/m 59, 63, 65, 66 t/m 83.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - nadat de telastlegging op de terechtzittingen van 8 februari 2007 en 9 juli 2007 is gewijzigd - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vorderingen wijziging telastlegging, gemerkt A1 en A2.

Bewijsoverwegingen.

1. Medeplegen (feit 1)

In haar afwegingen omtrent de vraag of verdachte tezamen en in vereniging met haar mededaders geld heeft gewisseld zoals onder 1 is telastgelegd, heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende feiten en omstandigheden.

- In de periode van 1 juli 2004 tot 1 november 2006 werden in totaal 92.800 coupures van € 500,00 biljetten besteld en afgeleverd bij postagentschap '[postagentschap]' gevestigd aan het [adres] te Den Haag, dit betreft een uitzonderlijke hoeveelheid van een relatief incourante coupure;

- uit getuigenverklaringen alsmede telefoontaps blijkt dat [A] met grote regelmaat geld kwam wisselen bij '[postagentschap]'; [B] wisselde ten behoeve van [A] kleine coupures om in coupures van € 500,00;

- uit telefoontaps alsmede de verklaringen van medeverdachte [B] en getuigen blijkt dat [A] grote geldbedragen heeft gewisseld ten behoeve van derden, voorts zijn er geen aanwijzingen dat [A] bij anderen dan [B] geld wisselde;

- uit telefoontaps is gebleken dat verdachte en haar medeverdachte [E] in de periode van 14 juni 2006 tot 1 november 2006 veelvuldig telefonisch contact onderhielden met [A];

- uit niets is gebleken dat er een andere verklaring is voor de veelvuldige contacten met [A] dan dat deze betrekking hebben op wisselactiviteiten;

- op 22 juni 2006 voert [verdachte] een telefoongesprek met [A] in welk telefoongesprek een afspraak werd gemaakt om "het aan hem te geven". De rechtbank houdt het er voor dat hier wordt gesproken over een geldbedrag dat door verdachte aan [A] zou worden gegeven; een dergelijk gesprek vond ook plaats op 5 september 2006;

- uit telefoontaps, camerabeelden en observaties is gebleken dat verdachte en haar medeverdachte [E] in de korte periode van 14 juni 2006 tot 1 november 2006 [A] veelvuldig hebben ontmoet;

- bij de doorzoeking van het door verdachte en medeverdachte [E] gehuurde appartement aan de [adres] te Amsterdam is een grote hoeveelheid geld (ruim € 300.000,00 waarvan een groot deel in 500-eurobiljetten) en een geldtelmachine aangetroffen alsmede een grote hoeveelheid koffers en materialen en gereedschappen.

- nu verdachte geen enkele verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van de grote hoeveelheid koffers, waarvan een deel gedeeltelijk was gedemonteerd, alsmede de materialen en gereedschappen, houdt de rechtbank het er - mede gelet op de overige bewijsmiddelen - voor dat de aanwezigheid van deze goederen in verband dient te worden gebracht met het prepareren van koffers ten behoeve van het illegaal transporteren van geld;

- bij genoemde doorzoeking zijn tevens documenten aangetroffen (verder: de administratie) die aan de hand van de verklaringen van medeverdachten, waaronder de geldkoeriers, alsmede administratieve bescheiden van reisbureau "[reisbureau]" in verband gebracht kunnen worden met wisseltransacties en illegale geldtransporten die hebben plaatsgevonden in de periode maart 2006 tot november 2006;

- verdachte is door een tweetal geldkoeriers ([J] en [L]) herkend als degene die hen had geronseld en ieder een geldbedrag van € 300.000,00 had meegegeven;

- uit de administratie - in samenhang bezien met telefoontaps en verklaringen van medeverdachten - kan de conclusie worden getrokken dat per maand een omvangrijk geldbedrag in hoeveelheden van telkens 600 bankbiljetten van 500 euro (€ 300.000,00), per koerier werd verzonden naar Colombia;

- uit een telefoontap blijkt dat verdachte en haar medeverdachte [E], de medeverdachte [A] ook wel aanduidden met de naam '[X]'. In de administratie staat onder 4, 6, 9 oktober, 13 oktober en 21 oktober onder de naam '[X]' telkens vermeld een hoeveelheid van 120.000 of 100.000. Voorts staat daarbij bovendien vermeld '3% 3.600 of 3.000'. Het moet er - gelet op de context - voor worden gehouden dat [A] op de betreffende data geld heeft gewisseld en dat hij volgens deze administratie een courtage ontving van 3%;

- ook uit een aantal telefoontaps op en omstreeks 17 oktober 2006 kan de conclusie worden getrokken dat er een rechtstreeks verband bestond tussen verdachte en haar mededader [E] enerzijds en de wisselactiviteiten van [A] en [B] anderzijds. In dit geval ging een voorgenomen omvangrijke wisseltransactie om een onbekend gebleven reden niet door waardoor [B] met een groot aantal coupures van € 500,00 is blijven zitten. Dit vindt tevens steun in de door Postkantoren BV verstrekte informatie omtrent leveringen van bankbiljetten van € 500,00 op 16 en 18 oktober 2006, respectievelijk € 200.000,00 en € 250.000,00.

Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, wordt wettig en overtuigend bewezen geacht, dat verdachte tezamen en in vereniging met haar medeverdachten [E], [A] en [B] via postagentschap '[postagentschap]' grote geldbedragen heeft gewisseld.

2. De telastgelegde periode (feit 1)

Aangezien eerst vanaf begin juni 2006 concrete aanwijzingen bestaan dat verdachte door tussenkomst van haar medeverdachte [A] geld wisselde via postagentschap '[postagentschap]' zal de rechtbank bewezenverklaren dat de periode waarin zij zich schuldig heeft gemaakt aan het feit zoals onder 1 is telastgelegd, een aanvang neemt op 1 juni 2006. Voor zover uit de administratie die is aangetroffen in het appartement op de [adres]l te Amsterdam blijkt dat er meer geldwisseltransacties hebben plaatsgevonden, is onvoldoende komen vast te staan dat deze geldwisselingen via medeverdachte [A] plaats hebben gevonden dan wel dat verdachte bij die geldwisselingen betrokken was en wat de mate van haar betrokkenheid dan is geweest. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken voor de periode voorafgaand aan 1 juni 2006.

3. Van misdrijf afkomstig (feit 1, 2 en 6)

Ten aanzien van het in de telastlegging opgenomen bestanddeel

terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) ...... wist(en) dat dit/deze geldsbedrag(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit de opbrengst van handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf

overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank vat dit onderdeel van de telastlegging aldus op, dat de Officier van Justitie heeft bedoeld primair telast te leggen dat alle geldbedragen welke door verdachte, al dan niet samen met zijn mededaders, zijn gewisseld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig zijn van de handel in verdovende middelen. De rechtbank acht evenwel niet bewezen dat alle geldbedragen die zijn gewisseld van drugshandel afkomstig waren, zodat reeds daarom van de zinsnede afkomstig was/waren uit de opbrengst van handel in verdovende middelen zal worden vrijgesproken.

De rechtbank acht evenwel, op nog nader aan te geven gronden, wel bewezen dat de betreffend geldbedragen in elk geval ten dele van de handel in verdovende middelen afkomstig waren. Dat betekent dat de bewezenverklaring van het bestanddeel "afkomstig was/waren van enig misdrijf" moet worden opgevat als: afkomstig van enig misdrijf, waaronder in elk geval de handel in verdovende middelen.

Voor de beantwoording van de vraag of de in feit 1, 2 en 6 genoemde gelden van misdrijf afkomstig zijn, zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Verdachte heeft samen met anderen zeer frequent grote, contante geldbedragen gewisseld. Deze geldbedragen bestonden uit kleine coupures. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit, waaronder drugshandel, gepaard gaan met het genereren van grote hoeveelheden contant geld en dat dit doorgaans kleine coupures betreft. Deze kleine coupures werden door verdachte gewisseld naar biljetten van € 500,00, hetgeen een zeer ongebruikelijke, niet courante coupure is. De wisselingen werden bovendien niet rechtstreeks verricht bij reguliere financiële instellingen, maar de geldbedragen werden verstrekt aan een tussenpersoon, die hiervoor een commissie rekende.

Hiernaast heeft verdachte een groot aantal geldtransporten naar Colombia georganiseerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat Colombia een centrale rol speelt in de handel van verdovende middelen. De grote, contante geldbedragen werden vervoerd door geldkoeriers, die hiervoor een vergoeding ontvingen. Het op deze wijze overbrengen van geldbedragen is risicovol, kostbaar en tijdrovend. In het legale geldcircuit is een dergelijke handelwijze uiterst ongebruikelijk en ongewenst. Tijdens het onderzoek is naar voren gekomen dat één van de koeriers in Madrid is aangehouden. Het door haar vervoerde geld zat verstopt in een geprepareerde koffer en bestond uit biljetten van € 500,00.

Bij de doorzoeking van het door verdachte en medeverdachte [E] gehuurde appartement aan de [adres] te Amsterdam is zoals hiervoor onder 1. reeds is overwogen een grote hoeveelheid geld (ruim € 300.000,00 waarvan een groot deel in 500-eurobiljetten) en een geldtelmachine aangetroffen alsmede een grote hoeveelheid - deels gedemonteerde - koffers, materialen en gereedschappen, welke goederen kennelijk bestemd waren voor het prepareren van koffers ten behoeve van het illegaal transporteren van geld.

Tenslotte wordt in de afgeluisterde telefoongesprekken vaak gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik.

Verdachte en medeverdachte [E] hebben geen legale bron van inkomsten, die de herkomst van de enorme geldbedragen kan verklaren. Zij hebben bovendien geen enkele verklaring gegeven over de herkomst van de grote sommen geld of de aanwezigheid van de koffers, preparatiematerialen en administratie in de woning.

Op grond van deze feiten en omstandigheden kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de betreffende geldbedragen - middelijk of onmiddellijk - afkomstig zijn uit enig misdrijf, waaronder drugshandel.

4. Wetenschap (feit 1, 2 en 6)

Op grond van de hiervoor onder 3. vermelde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank bovendien bewezen dat verdachte op zijn minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de betreffende geldbedragen van misdrijf afkomstig waren.

5. Ten aanzien van feit 2, 3 en 5

Ten aanzien van het achter de plint in de keuken aangetroffen geldbedrag, wapens en munitie overweegt de rechtbank het volgende.

Op 1 november 2006 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in het appartement van verdachte aan de [adres] te Amsterdam. Hierbij zijn achter de plint onder de koel-/ vriescombinatie een vuurwapen, een geluiddemper, 25 stuks munitie en een geldbedrag van € 116.000,00 aangetroffen.

Vast staat dat verdachte en haar medeverdachte [E] de woning vanaf 4 oktober 2006 hebben gehuurd en daar verbleven. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat de aangetroffen wapens, munitie en geld reeds in de woning aanwezig waren, op het moment dat deze aan verdachte en haar medeverdachte [E] werd verhuurd. Verhuurster [verhuurster] heeft in dit verband verklaard dat zij geen vuurwapen heeft en er zeker geen in de woning heeft achtergelaten, terwijl uit niets is gebleken dat die verhuurster op enige wijze kan worden gerelateerd aan vuurwapens en/of het gebruik daarvan.

Tevens is munitie aangetroffen in een toilettas in de badkamer. Gezien deze locatie, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid hiervan.

Hiernaast is van belang dat het bij de wapens en munitie aangetroffen geldbedrag bestond uit biljetten van € 500,00. Door verdachte werd immers frequent geld gewisseld naar coupures van € 500,00. Bovendien was het geld verpakt in een Samsonite was- of schoenenzak; ook elders in de woning zijn meerdere van deze zakken aangetroffen.

Op grond van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte en haar mededader op de hoogte waren van de aanwezigheid van de wapens en munitie alsmede het geld dat tevens achter de plint in genoemd appartement werd aangetroffen en dat verdachte beschikkingsmacht had over deze goederen.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3, 5 en 6 primair telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen onder meer schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen. Op grote schaal zijn door haar kleine coupures gewisseld voor biljetten van € 500,00. Verdachte heeft hierbij een centrale, leidinggevende rol gehad. Verdachte heeft voor haar activiteiten onder een valse naam meerdere woningen gehuurd en gebruik gemaakt van diverse telefoonnummers, kennelijk met het doel om haar illegale bezigheden te verhullen.

Hiernaast was zij verantwoordelijk voor het organiseren van diverse geldtransporten naar Colombia en daarmee de cruciale schakel voor het internationale karakter van het witwassen. Op professionele wijze heeft verdachte koeriers geregeld en vluchten geboekt. Hierbij heeft zij misbruik gemaakt van het feit dat de koeriers vaak graag naar Colombia wilden reizen om hun familie te bezoeken, maar niet in staat waren een ticket te bekostigen.

Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten in standgehouden en bevorderd. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten heeft als onderdeel van een zwartgeldcircuit reeds een ontwrichtende werking. Deze werking wordt versterkt, indien dit geld via witwassen als vermeend legaal geld aangewend kan worden in investeringen in de reguliere economie. Verdachte heeft zich bij haar handelen kennelijk slechts laten leiden door financieel gewin en geen oog gehad voor de schadelijke gevolgen hiervan voor de betrokken personen en de samenleving.

Hiernaast heeft verdachte een automatisch vuurwapen, een geluiddemper en munitie voorhanden gehad, hetgeen tot zeer gevaarlijke situaties kan leiden en een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengt.

Tenslotte heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel uit het justitieel documentatieregister, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Gezien deze omstandigheden, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 5b, 10, 13 t/m 15, 17 t/m 21, 24, 26 t/m 29, 32 t/m 40, 43, 44, 47 t/m 49, 53 t/m 55, 57 t/m 59, 63, 65, 66, 68 t/m 83 verbeurdverklaren, zijnde deze voorwerpen voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met behulp van en met betrekking tot deze aan verdachte toebehorende voorwerpen de onder 1 primair, 2 en 6 primair bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.

De rechtbank zal de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 5a, 23, 46, 60 onttrekken aan het verkeer, zijnde deze voorwerpen voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien

- met betrekking tot deze voorwerpen (nummers 23, 46, 60) het onder 3 bewezenverklaarde feit is begaan;

- dit aan de dader of verdachte toebehorende voorwerp (nummer 5a) bij gelegenheid van het onderzoek naar de door haar begane feiten, dan wel de feiten waarvan zij wordt verdacht, is aangetroffen, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan;

en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9, 11, 12, 16, 22, 25, 30, 31, 41, 42, 45, 50 t/m 52, 56, 61, 62, 64, 67.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 33, 33a, 33b, 36b, 36c, 36d, 47, 57, 420bis, 420ter van het Wetboek van Strafrecht;

- 13, 26, 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3, 5 en 6 primair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair en 6 primair:

medeplegen van gewoontewitwassen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van witwassen;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 5:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op : 1 november 2006,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 3 november 2006;

verklaart verbeurd de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 5b, koffer 7, 10, 13 t/m 15, 17 t/m 21, 24, 26 t/m 29, 32 t/m 40, 43, 44, 47 t/m 49, 53 t/m 55, 57 t/m 59, 63, 65, 66, 68 t/m 83;

verklaart onttrokken aan het verkeer de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 5a, 23, 46, 60;

gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1, 2, 3, 4, 6, inhoud 7, 8, 9, 11, 12, 16, 22, 25, 30, 31, 41, 42, 45, 50 t/m 52, 56, 61, 62, 64, 67;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. J.W. du Pon, voorzitter,

P.J. Schreuder en R.J. de Bruijn, rechters,

in tegenwoordigheid van J.M. Fledderus, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juli 2007.