Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0529

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2007
Datum publicatie
26-07-2007
Zaaknummer
10/600134-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd en medeplegen van gewoontewitwassen. Verdachte heeft in een betrekkelijk korte periode deelgenomen aan het wisselen van meerdere grote geldsbedragen van kleine naar grote coupures.

Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten in stand gehouden en bevorderd. Aannemelijk is dat in elk geval een groot gedeelte van het door verdachte gewisselde geld afkomstig was van de handel in drugs. Daarnaast heeft verdachte gedurende een langere periode uit winstbejag medewerking verleend aan het overmaken van gelden naar het buitenland die van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank heeft ten gunste van verdachte acht geslagen op de omstandigheid dat niet is gebleken dat hij in Nederland dan wel daarbuiten eerder terzake van misdrijf is veroordeeld. De straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 420bis, 420ter van het Wetboek van Strafrecht. Werkstraf van 240 uur, met aftrek, vervangende hechtenis van 120 dagen; resteren 235 uur, subsidiair 118 dagen; voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar, met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

NEVENZITTINGSPLAATS 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 10/600134-06

's-Gravenhage, 26 juli 2007

De rechtbank Rotterdam, zitting houdende te 's-Gravenghage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte F],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 25 april 2007, 11 juli 2007 en 12 juli 2007.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.W.T. Klappe, advocaat te Rotterdam, is op de terechtzittingen van 25 april 2007 en 11 juli 2007 verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. Meissen heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem onder 1 primair en 3 telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte terzake van het hem onder 1 subsidiair en 2 primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van de feiten 1 (primair en subsidiair), 2 (primair en subsidiair) en 3 partieel nietig dient te worden verklaard, aangezien de in de dagvaarding gebruikte termen verhullen, verbergen, omzetten en gebruiken onvoldoende feitelijk zijn en nader hadden dienen te worden omschreven.

Dit verweer wordt door de rechtbank verworpen, aangezien zij zich niet kan verenigen met de daaraan ten grondslag gelegde stellingen. De door de raadsvrouw gewraakte termen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende feitelijk om zelfstandig tot uitdrukking te brengen op wat voor gedragingen de telastlegging ziet, zodat een nadere feitelijke invulling achterwege kon blijven. Bovendien heeft verdachte er, zowel bij het verhoor door de politie als ter terechtzitting, blijk van gegeven goed te hebben begrepen welk verwijt hem door hetgeen in de telastlegging is neergelegd wordt gemaakt.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 3 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 primair telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Bewijsoverwegingen.

1. Ten aanzien van feit 1

1.1. Van misdrijf afkomstig

Ten aanzien van het in de telastlegging opgenomen bestanddeel

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ...... wist(en) dat dit/deze geldsbedrag(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit de opbrengst van handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf

overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank vat dit onderdeel van de telastlegging aldus op, dat de Officier van Justitie heeft bedoeld primair telast te leggen dat alle geldbedragen welke door verdachte, al dan niet samen met zijn mededaders, zijn gewisseld onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn van de handel in verdovende middelen. De rechtbank acht evenwel niet bewezen dat alle geldbedragen die zijn gewisseld van drugshandel afkomstig waren, zodat reeds daarom van de zinsnede afkomstig was/waren uit de opbrengst van handel in verdovende middelen zal worden vrijgesproken.

De rechtbank acht evenwel, op hierna aan te geven gronden, wel bewezen dat de betreffend geldbedragen in elk geval ten dele van de handel in verdovende middelen afkomstig waren. Dat betekent dat de bewezenverklaring van het bestanddeel "afkomstig was/waren van enig misdrijf" moet worden opgevat als: afkomstig van enig misdrijf, waaronder in elk geval de handel in verdovende middelen.

Voor de beantwoording van de vraag of de gewisselde gelden van misdrijf afkomstig zijn, zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

- Verdachte heeft samen met anderen grote, contante geldbedragen gewisseld. De geldbedragen bestonden uit kleine coupures, waarvan algemeen bekend is dat die door de handel in drugs worden gegenereerd.

- Vervolgens werden die kleine coupures door medeverdachte [A] op het door de medeverdachte [B] gedreven postagentschap gewisseld naar biljetten van € 500,00, hetgeen een zeer ongebruikelijke, niet courante coupure is.

- De wisselingen werden niet verricht aan een van de reguliere balies van het postagentschap, maar aan loket 4, waar geen computer aanwezig was. Als gevolg hiervan werden de wisselingen niet gemeld aan het Meldpunt ongebruikelijke transacties. De wisselingen werden bovendien uitsluitend verricht door [B] en niet door een van de andere medewerkers van het postagentschap.

- De door verdachte ter wisseling aangenomen en vervolgens ter wisseling vervoerde geldbedragen waren afkomstig van diverse personen, waarvan verdachte - naar hij zelf heeft verklaard respectievelijk uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt - niet de volledige personalia kende.

- Aan de overdracht van de gelden van die andere persoon/personen aan de mededader van verdachte gingen in versluierde taal plaatsvindende telefoongesprekken vooraf.

- De overdracht vond op een wijze plaats die kennelijk tot doel had het feitelijke gebeuren zo veel mogelijk aan het oog te onttrekken.

- Verdachte heeft zeer grote geldbedragen in contanten op risicovolle wijze (zoals in plastic tassen, dozen en op klaarlichte dag in een auto) vervoerd.

- Het aangeboden geld was overduidelijk niet van een reguliere bankinstelling afkomstig, mede daaruit blijkend dat het regelmatig onvoldoende precies geteld en/of gesorteerd was.

- De contactpersonen van verdachte waren van Colombiaanse, althans Zuid-Amerikaanse afkomst, hetgeen een verdere aanwijzing was dat er een relatie kon zijn met de drugshandel.

- Verdachte heeft, zowel tegenover de politie als ter terechtzitting, omtrent de desbetreffende geldbedragen verklaard (samengevat) dat niemand zoveel geld bij zich kan hebben als dat geld op een legale manier verdiend is, en dat hij, verdachte, wist dat het geen eerlijk geld was.

Op grond van deze feiten en omstandigheden kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de betreffende geldbedragen - middelijk of onmiddellijk - afkomstig zijn uit enig misdrijf, waaronder drugshandel.

1.2. Wetenschap van misdrijf afkomstig

Op grond van de onder 1.1. weergegeven omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank bovendien bewezen dat verdachte op zijn minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem samen met zijn mededader ter wisseling in ontvangst genomen en nadien gewisselde geldbedragen van misdrijf afkomstig waren.

1.3. Medeplegen

Door de raadsvrouw van verdachte is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van dit feit (zowel in primaire als subsidiaire variant) aangezien de door verdachte verrichte handelingen als niet meer en anders dan medeplichtigheid aan witwassen zijn te kwalificeren, terwijl die deelnemingsvorm niet is telastgelegd.

De rechtbank verwerpt dit betoog, nu zij bewezen acht dat sprake was van een zodanig bewust en nauw samenwerkingsverband tussen verdachte en zijn mededader (onder meer blijkend uit de door verdachte ter organisatie van de wisselingen verrichte handelingen, bestaande in het leggen van contacten met aanbieders van het geld en het voeren van telefoongesprekken over de feitelijke uitvoering van de wisselingen) dat verdachte kan gelden als medepleger van de bewezenverklaarde feiten.

2. Ten aanzien van feit 2

2.1. Van misdrijf afkomstig

Het onder 1.1. overwogene ten aanzien van het in de telastlegging opgenomen bestanddeel

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ...... wist(en) dat dit/deze geldsbedrag(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit de opbrengst van handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf

moet als hier herhaald en ingevoegd worden beschouwd.

Ten aanzien van het bestanddeel "van misdrijf afkomstig" overweegt de rechtbank het volgende.

- Verdachte heeft op verzoek van anderen tegen beloning gedurende een langere periode geldbedragen overgemaakt naar het buitenland, met name naar Colombia.

- Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring afgelegd over de wijze waarop hij met zijn opdrachtgevers in contact is gekomen en evenmin kan hij enige nadere informatie over die opdrachtgevers verschaffen, zoals personalia en adressen.

- Verdachte heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan hij mocht aannemen dat het door hem overgemaakte geld uit enige legale bron afkomstig was.

Op grond van deze feiten en omstandigheden kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de betreffende geldbedragen - middelijk of onmiddellijk - afkomstig zijn uit enig misdrijf, waaronder drugshandel.

2.2. Wetenschap van misdrijf afkomstig

Op grond van deze hiervoor onder 2.1 vermelde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte op zijn minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem ter overmaking naar het buitenland in ontvangst genomen geldbedragen van misdrijf afkomstig waren.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Bij de bepaling van strafsoort en strafmaat gaat de rechtbank verder uit van de volgende feiten en omstandigheden:

Voor wat betreft de onder 1 bewezenverklaarde feiten geldt, dat verdachte in een betrekkelijk korte periode heeft deelgenomen aan het wisselen van meerdere grote geldsbedragen van kleine naar grote coupures.

Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten in standgehouden en bevorderd. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financi‰le en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten heeft als onderdeel van een zwartgeldcircuit reeds een ontwrichtende werking. Deze werking wordt versterkt, indien dit geld via witwassen als vermeend legaal geld aangewend kan worden in investeringen in de reguliere economie. Verdachte heeft zich bij zijn handelen kennelijk slechts laten leiden door financieel gewin en geen oog gehad voor de schadelijke gevolgen hiervan voor de samenleving.

Aannemelijk is dat in elk geval een groot gedeelte van het door verdachte gewisselde geld afkomstig was van de handel in drugs. Drugshandel is zeer schadelijk voor de samenleving als geheel alsook voor de gezondheid en het welzijn van die leden van de samenleving die aan verslaving aan drugs ten prooi vallen. Een crimineel circuit als dat waarbinnen de drugshandel plaatsvindt kan slechts succesvol functioneren als de daarmee gegenereerde winsten ook metterdaad terechtkomen bij diegenen die zich op grote schaal en in internationaal verband met de organisatie van die drugshandel bezig houden. Juist aan dat aspect van het dergelijke criminele circuits - en daarmee aan het in stand houden van die circuits als geheel - heeft verdachte door zijn rol in het plegen van de onderhavige strafbare feiten een bijdrage geleverd. Niet is gebleken dat bij het handelen van verdachte enig ander doel voorop heeft gestaan dan winstbejag.

Daarnaast heeft verdachte gedurende een langere periode uit winstbejag medewerking verleend aan het overmaken van gelden naar het buitenland die van misdrijf afkomstig waren. Ook daarmee heeft verdachte bijgedragen aan het wegsluizen van die gelden, waardoor diegenen die daarvan hebben geprofiteerd tastbaar resultaat hebben geboekt met hun criminele activiteiten.

De rechtbank heeft ten gunste van verdachte acht geslagen op de omstandigheid dat niet is gebleken dat hij in Nederland dan wel daarbuiten eerder terzake van misdrijf is veroordeeld. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het omtrent verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport.

Al die omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank het opleggen van een werkstraf voor de maximale duur een passende straf. Daarnaast zal aan verdachte een voorwaardelijke vrijheidsstraf van lange duur worden opgelegd, teneinde hem het laakbare van zijn gedragingen in te scherpen en hem van herhaling van dergelijke gedragingen te weerhouden.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 420bis, 420ter van het Wetboek van Strafrecht;

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 3 telastgelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 primair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 primair:

medeplegen van gewoontewitwassen;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 (tweehonderdveertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderdtwintig) DAGEN;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag, zodat 236 uren subsidiair 118 dagen resteren;

in verzekering gesteld op : 13 december 2006,

in vrijheid gesteld op : 15 december 2006;

veroordeelt verdachte te dier zake voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar;

bepaalt, dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. J.W. du Pon, voorzitter,

P.J. Schreuder en R.J. de Bruijn, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. Fledderus, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juli 2007.