Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0494

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-07-2007
Datum publicatie
26-07-2007
Zaaknummer
09/750009-06 +09/750007-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenbeslissing in de strafzaak tegen de 39-jarige Rwandees J.M. die verdacht wordt van genocide en oorlogsmisdrijven, gepleegd in 1994 in Rwanda. De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de strafvervolging ter zake van genocide, gepleegd in Rwanda in 1994. Deze verdachte staat ook terecht voor oorlogsmisdrijven. De uitspraak van vandaag heeft geen betrekking op de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte voor deze misdrijven. De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk omdat de Nederlandse strafrechter uit zichzelf geen rechtsmacht heeft voor genocide, gepleegd door een Rwandees in Rwanda in 1994, waarbij geen Nederlandse slachtoffers zijn gevallen. Het openbaar ministerie was zich hiervan bewust, maar meende dat een verzoek van de aanklager van het Rwanda-tribunaal de vervolging over te nemen, zoals in deze zaak is gebeurd, wel rechtsmacht zou vestigen. De rechtbank komt echter tot het oordeel dat de Nederlandse strafrechter ook niet deze zogeheten afgeleide rechtsmacht heeft, omdat niet voldaan is aan het vereiste dat de strafvervolging door Nederland alleen kan worden overgenomen op grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt. Het openbaar ministerie heeft in de beslissing in deze zaak aanleiding gevonden om de dagvaarding in de zaak tegen de 61-jarige Rwandees Michel B., in ieder geval voor vandaag, in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 236

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(TUSSENBESLISSING)

parketnummers 09/750009-06 + 09/750007-07

's-Gravenhage, 24 juli 2007

In de strafzaak onder bovenvermelde parketnummers tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Rwanda) op [geboortedatum] 1968,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, Penitentiair Complex Scheveningen Huis van Bewaring Unit 2,

heeft de rechtbank ter zitting van 24 juli 2007 de navolgende tussenbeslissing gewezen.

Inleiding

1. Verdachte staat terecht voor betrokkenheid bij een aantal ernstige strafbare feiten (die zouden zijn) gepleegd in Rwanda in april 1994. De tot verdachte gerichte beschuldigingen zijn vervat in twee dagvaardingen welke gevoegd worden behandeld.

2. Verdachte is in de zaak met parketnummer 09/750009-06 voor het eerst gedagvaard voor een pro forma zitting op 21 november 2006. Deze zaak is wederom pro forma behandeld op 12 februari 2007 en 5 maart 2007, alsmede ter zitting van 11 mei 2007, welke werd voorgezet op 16 en 21 mei 2007. Deze dagvaarding betreft de volgende feitencomplexen:

I Ambulancemoorden, kort gezegd het doden van een aantal vrouwen en kinderen die in een ambulance werden vervoerd;

II Zevendedags Adventisten complex Mugonero, kort gezegd het doden van en/of toebrengen van (zwaar) lichamelijk en/of geestelijk letsel aan een grote groep mensen die waren gevlucht naar dit complex;

III Gijzelen/ vernederen/ bedreigen van de familie [familienaam 1].

3. Verdachte is in de zaak met parketnummer 09/750007-07 voor het eerst gedagvaard voor de zitting van 11 mei 2007 (voortgezet op 16 en 21 mei 2007). Deze tweede dagvaarding betreft de volgende feitencomplexen:

IV Verkrachtingen en aanslagen op het leven van een aantal vrouwen;

V Weghalen van en moord op de kleinkinderen van de familie [familienaam 2].

4. Al deze feitencomplexen zijn - kort gezegd - primair telastgelegd als oorlogsmisdrijven (artikel 8 Wet Oorlogsstrafrecht) en subsidiair als foltering (artikelen 1 en 2 Uitvoeringswet Folteringsverdrag).

5. Op de tweede dagvaarding zijn voorts (als feit 1) alle vijf feitencomplexen mede telastgelegd als genocide (artikel 1 Uitvoeringswet genocideverdrag). De strafvervolging ten aanzien van dit feit heeft de officier van justitie overgenomen van de Aanklager van het Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen aansprakelijk voor genocide en andere ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht, begaan op het grondgebied van Rwanda of buurlanden van Rwanda op tijdstippen gelegen tussen 1 januari 1994 en 31 december 1994 (verder: Rwanda-tribunaal).

6. Ter zitting van 11, 16 en 21 mei 2007 heeft de officier van justitie de rechtbank uitdrukkelijk verzocht om reeds in dit stadium van de procedure, op de voet van artikel 283, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) een beslissing te nemen over haar ontvankelijkheid ten aanzien van dit feit. De raadsman heeft zich hierbij aangesloten en zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie ten aanzien hiervan niet-ontvankelijk is.

7. De rechtbank beslist hierover het navolgende. Zij benadrukt dat in deze tussenbeslissing alleen aan de orde is de ontvankelijkheid van de officier van justitie ter zake de vervolging van verdachte voor feit 1 op de tweede dagvaarding (genocide).

8. De officier van justitie heeft ter terechtzitting uiteengezet dat het openbaar ministerie, in het bijzonder het Landelijk Parket, eind juni/begin juli 2006 zelf contact heeft gelegd met de Aanklager van het Rwanda-tribunaal (verder: de Aanklager) over de mogelijkheden onderzoek te doen naar delicten die door verdachte zouden zijn begaan in Rwanda in 1994. Er is toen tussen het openbaar ministerie en de Aanklager afgesproken dat er door het openbaar ministerie eigen onderzoek zou worden verricht in (onder meer) Rwanda en dat de Aanklager op de hoogte zou worden gesteld of en wanneer het tot een aanhouding van verdachte zou komen. Reeds in juli 2006 heeft het openbaar ministerie met de Aanklager gesproken over de mogelijkheid van overdacht van strafvervolging door het Rwanda-tribunaal aan de Nederlandse autoriteiten.

9. De officier van justitie heeft ter zitting een brief overgelegd van haar collega mr. J.J.A. Lucas van 11 augustus 2006, gericht aan het bureau van de Aanklager. In deze brief werd melding gemaakt van de aanhouding van verdachte en werd de Aanklager gevraagd zijn wensen ten aanzien van de vervolging van verdachte kenbaar te maken. Vervolgens is er, aldus de officier van justitie, in de maanden augustus en september 2006 meermalen contact geweest tussen het openbaar ministerie en de Aanklager. Hierbij is onder meer ter sprake gekomen dat het Rwanda-tribunaal, gelet op Resoluties 1503 (2003) en 1534 (2004) van de VN Veiligheidsraad, zijn zaken moet gaan afronden en verdachte niet zelf kan berechten. Evenmin behoort uitlevering van verdachte aan Rwanda tot de mogelijkheden. De officier van justitie heeft de Aanklager er daarbij ook opgewezen dat het niet mogelijk was verdachte ter zake van de in de paragrafen 2 en 3 genoemde feitelijke gedragingen te vervolgen wegens genocide, nu de Nederlandse wetgeving ten aanzien van genocide, welke gepleegd is voor oktober 2003, geen universele jurisdictie kent. Verder zijn de mogelijkheden die de Nederlandse wet biedt om strafvervolging over te nemen besproken, alsmede de mogelijkheden van het Rwanda-tribunaal om strafvervolging aan nationale instanties over te dragen. Het openbaar ministerie en de Aanklager waren het er over eens dat een zogenoemde `prosecutor's referral´ de aangewezen weg was om de strafvervolging van verdachte aan Nederland over te dragen. Dit heeft geresulteerd in een brief van de Aanklager van 3 oktober 2006 aan de ambassadeur van Nederland in Dar es Salaam te Tanzania met het verzoek het in de bijlage vervatte 'request to accept transfer for national prosecution from the Prosecutor of the international criminal tribunal for Rwanda to the minister of justice of the kingdom of the Netherlands' van 29 september 2006 door te sturen. De Minister van Justitie heeft dit verzoek, dat ziet op de 'prosecution for the crimes of genocide and complicity in genocide', op 27 november 2006 toegewezen en de officier van justitie bij het Landelijk Parket gemachtigd de strafvervolging tegen verdachte over te nemen.

10. Na ontvangst van deze machtiging heeft het openbaar ministerie op 5 januari 2007 een gerechtelijk vooronderzoek (verder: gvo) gevorderd ten aanzien van de feiten die thans vermeld staan op de tweede dagvaarding. De rechter-commissaris heeft deze vordering bij beschikking van 11 januari 2007 afgewezen voor zover de aan de verdachte verweten gedragingen daarin als genocide zijn gekwalificeerd. Naar haar oordeel heeft Nederland niet de bevoegdheid verdachte hiervoor te vervolgen en berechten. Het openbaar ministerie is tegen deze beslissing in beroep gegaan, maar heeft dit beroep later ingetrokken.

Verweer inzake de strijdigheid met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen

11. De verdediging heeft allereerst aangevoerd dat het de officier van justitie niet vrij staat verdachte ter zake van genocide te vervolgen, nu de rechter-commissaris reeds heeft beslist (zie hierboven onder 10) dat Nederland hierover geen rechtsmacht heeft en het openbaar ministerie het tegen die beschikking ingestelde beroep heeft ingetrokken. Naar het oordeel van de raadsman brengt het gesloten stelsel van rechtsmiddelen met zich dat deze beslissing van de rechter-commissaris aldus in rechte is komen vast te staan.

12. De officier van justitie heeft in reactie hierop gesteld dat zij het hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris heeft ingetrokken, omdat er tegen de tijd dat er een beslissing in hoger beroep (of cassatie) zou zijn gegeven, er geen belang meer zou zijn bij een gvo. Voorts heeft de officier van justitie ontkend een verkapt rechtsmiddel tegen de beslissing van de rechter-commissaris aan te wenden door de rechtbank te vragen in dit stadium van het proces een oordeel over de rechtsmacht uit te spreken.

13. De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechter-commissaris heeft beslist op een vordering tot het instellen van een gvo. Er is geen rechtsregel op grond waarvan de officier van justitie bij het uitbrengen van een dagvaarding gebonden is aan een dergelijke beslissing van de rechter-commissaris. Het staat de officier van justitie ook vrij om zonder een daaraan voorafgaand gvo een verdachte te dagvaarden. De rechtbank stelt vast dat de rechter-commissaris in haar beschikking geoordeeld heeft over dezelfde rechtsvraag - namelijk die van de rechtsmacht van de Nederlandse strafrechter en daarmee over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie - welke thans aan de orde is. Er is geen rechtsregel op grond waarvan de rechtbank ter terechtzitting gebonden is aan het oordeel van de rechter-commissaris ten aanzien van één van de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv.

Rechtsmachtregeling in de Nederlandse strafwet

14. Onder de strafrechtsmacht van een staat wordt verstaan het bereik dat die staat (in overeenstemming met het volkenrecht) aan een strafwet heeft gegeven. Het gaat om de bevoegdheid die een staat - met het oog op de belangen die hij daarmee wil beschermen - zichzelf heeft gegeven om de nationale strafwet toe te passen. De rechtsmachtregeling van een staat heeft in de eerste plaats betekenis voor de staat zelf; rechtsmacht is voor de staat een voorwaarde om tot vervolging te kunnen overgaan. De rechtsmachtregeling van een staat kan voorts betekenis hebben voor andere staten, zoals in het geval dat de strafwet van een staat toepasselijk is op feiten begaan op het grondgebied van een andere staat. De rechtsmachtregeling heeft ten derde uiteraard ook betekenis voor degene die daaraan eventueel wordt onderworpen.

15. De Nederlandse strafrechtelijke rechtsmachtregeling is in de eerste plaats geregeld in de artikelen 2 tot en met 7 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Kort gezegd houdt deze regeling in dat de Nederlandse strafwet van toepassing is op:

- een ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt (territorialiteitsbeginsel);

- de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan bepaalde strafbare feiten (actief personaliteitsbeginsel);

- een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan bepaalde strafbare feiten waarvan een Nederlander slachtoffer is geworden (passief personaliteitsbeginsel);

- een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan strafbare feiten gericht tegen vitale nationale belangen, zoals de soevereiniteit of veiligheid van de Nederlandse staat (het beschermingsbeginsel);

- een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan bepaalde strafbare feiten (het universaliteitsbeginsel).

16. Deze artikelen van het Wetboek van Strafrecht behelzen een regeling van de zogenoemde originaire rechtsmacht, dat wil zeggen rechtsmacht die de Nederlandse wetgever gevestigd heeft voor de Nederlandse instanties die met de vervolging en berechting van strafbare feiten zijn belast.

17. Het Wetboek van Strafrecht voorziet ook in een regeling van afgeleide rechtsmacht (artikel 4a Sr). In artikel 4a Sr is bepaald dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op een ieder tegen wie de strafvervolging door Nederland van een vreemde staat is overgenomen op grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt.

18. In 1994, de periode waarin de aan verdachte verweten feiten zouden zijn gepleegd, golden, naast de hierboven omschreven (algemene) rechtsmachtbepalingen van het Wetboek van Strafrecht - voor zover hier van belang - bepalingen betreffende de rechtsmacht in de Wet van 2 juli 1964, houdende Uitvoeringswet genocideverdrag, Stb. 1964, 243, inwerkingtreding 24 oktober 1970, Stb. 1970, 481 (verder: Uitvoeringswet genocideverdrag) en de Wet van 10 juli 1952, houdende vaststelling van de Wet Oorlogsstrafrecht alsmede van enige daarmede verband houdende wijzigingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Militair Strafrecht en de Invoeringswet Militair Straf- en Tuchtrecht, Stb. 1952, 408, inwerkingtreding 5 augustus 1952, en nadien meermalen gewijzigd, onder meer op 2 juli 1964 Stb. 243, inwerkingtreding 24 oktober 1970, Stb. 1970, 481 (verder: WOS).

19. Met onder meer de Uitvoeringswet genocideverdrag is het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide van 9 december 1948, Trb. 1960, 32 (verder: Genocideverdrag) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het Genocideverdrag houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Artikel I:

De Verdragsluitende Partijen stellen vast, dat genocide, ongeacht of het feit in vredes- dan wel in oorlogstijd wordt bedreven een misdrijf is krachtens internationaal recht, welk misdrijf zij op zich nemen te voorkomen en te bestraffen.

Art VI:

Zij, die worden beschuldigd van genocide (...), worden berecht door een daartoe bevoegde rechtbank van de Staat, binnen welks gebied het feit is gepleegd, of door een zodanige internationale strafrechter als daartoe bevoegd is ten aanzien van die Verdragsluitende Partijen, welke de rechtsmacht van deze rechter hebben aanvaard.

20. De Uitvoeringswet genocideverdrag is met ingang van 1 oktober 2003 ingetrokken en vervangen door de Wet internationale misdrijven (zie paragraaf 29 hieronder). In de in de telastlegging genoemde periode gold echter nog de Uitvoeringswet genocideverdrag. De volgende bepalingen uit deze wet in dit kader van belang:

Artikel 1:

1. Hij die met het oogmerk een nationale of etnische groep, een groep behorend tot een bepaald ras, dan wel een groep met een bepaalde godsdienst of levensovertuiging, geheel of gedeeltelijk, als zodanig te vernietigen, opzettelijk:

1°. leden van de groep doodt;

2°. leden van de groep zwaar lichamelijk of geestelijk letsel toebrengt;

3°. aan de groep levensvoorwaarden oplegt die op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging zijn gericht;

4°. maatregelen neemt, welke tot doel hebben geboorten binnen de groep te voorkomen;

5°. kinderen van de groep gewelddadig overbrengt naar een andere groep wordt als schuldig aan genocide gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren of geldboete van de vijfde categorie.

(...)

Artikel 2:

Met gelijke straf, als gesteld op de in het voorgaande artikel bedoelde feiten, wordt gestraft hij die opzettelijk toelaat dat een aan hem ondergeschikte een zodanig feit begaat.

Artikel 5:

1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander, die zich buiten Nederland schuldig maakt:

1°. aan een misdrijf omschreven in de artikelen 1 en 2 van deze wet

(...)

21. Op grond van het Genocideverdrag is alleen de staat waar het strafbare feit zou zijn gepleegd, gehouden een strafvervolging in te stellen (of een internationaal strafgerecht). In de Uitvoeringswet genocideverdrag is geopteerd - in aanvulling op het territorialiteitsbeginsel ingevolge art. 2 Sr - voor het actieve personaliteitsbeginsel als aanknopingspunt voor de bepaling van de rechtsmacht. In de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot deze wet wordt hierover opgemerkt dat het verdrag geen uitsluitende bevoegdheid schept, "zodat het zeer wel mogelijk is, dat een rechter in een andere staat dan die op wiens grondgebied de strafbare feiten zijn gepleegd (...) bevoegd is" (Kamerstukken II, 1963-1964, 6612 (R262), 6613, nr. 7-8, p. 2).

22. Artikel 3 (oud) WOS luidde ten tijde van de telastegelegde feiten luidde, voor zover van belang, als volgt:

Onverminderd het te dien aanzien in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht bepaalde is de Nederlandse strafwet toepasselijk:

(...)

2°. op ieder, die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een misdrijf omschreven (...) in de artikelen 1 en 2 van de Uitvoeringswet genocideverdrag, indien dit feit is gepleegd tegen of met betrekking tot een Nederlander of een Nederlands rechtspersoon of indien enig Nederlands belang daardoor is of kon worden geschaad;

(...)

4°. op de Nederlander, die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een misdrijf, in artikel 1 bedoeld.

23. De WOS geeft een regeling van de rechtsmacht voor genocide in geval van oorlog begaan of eerst in geval van oorlog strafbaar (artikel 1 aanhef (oud) WOS), waarbij onder oorlog ook een burgeroorlog wordt verstaan (artikel 1 lid 3 (oud) WOS) dan wel indien sprake is van een gewapend conflict dat niet als oorlog kan worden aangemerkt en waarbij Nederland is betrokken hetzij ter individuele of collectieve zelfverdediging, hetzij tot herstel van internationale orde en veiligheid (artikel 1 lid 2 (oud) WOS). De wetgever heeft met deze regeling derhalve - in aanvulling op het territorialiteitsbeginsel ingevolge art. 2 Sr - het actieve personaliteitsbeginsel, het passieve personaliteitsbeginsel en het beschermingsbeginsel als aanknopingspunt voor rechtsmacht genomen.

24. De rechtbank stelt vast dat verdachte geen Nederlands staatsburger is, dat bij de aan verdachte verweten gedragingen - voor zover bekend - geen Nederlandse slachtoffers zijn gevallen en dat de aan verdachte verweten gedragingen buiten Nederland zijn begaan.

25. Rechtsmacht ingevolge de WOS zou dan nog kunnen bestaan, indien 'enig Nederlands belang is of kan worden geschaad' (art. 3 sub 2 (oud) WOS). Dit is een uitwerking van het beschermingsbeginsel. In de parlementaire geschiedenis wordt nagenoeg geen toelichting gegeven op deze zinsnede. Kennelijk sprak de invulling hiervan voor de wetgever voor zich. Met de berechting van internationale misdrijven is onmiskenbaar een groot internationaal belang gemoeid en dus ook een Nederlands belang. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever echter niet dit Nederlands belang op het oog gehad; het Nederlands belang moet geschaad zijn door het begane misdrijf, niet door het ontbreken van de mogelijkheid van berechting daarvan. Er bestaat derhalve geen reden om een Nederlands belang in de zin van artikel 3 sub 2 (oud) WOS te veronderstellen.

26. Zoals uit het vorenstaande blijkt, was er ten tijde van de telastgelegde feiten geen wettelijke bepaling - noch in het Wetboek van Strafrecht, noch in de Uitvoeringswet genocideverdrag, noch in de WOS, noch in enige andere wet - van toepassing die voorzag in rechtsmacht ten aanzien van genocide, door een niet-Nederlander buiten Nederland gepleegd, indien dit feit niet tegen of met betrekking tot een Nederlander of Nederlandse rechtspersoon gepleegd was of indien niet enig Nederlands belang daardoor is geschaad of kon worden geschaad.

27. Dit leidt tot de conclusie dat de wettelijke bepalingen zoals die golden ten tijde van de telastgelegde feiten geen rechtsmacht geven om verdachte te vervolgen en berechten voor genocide.

28. Dit oordeel van de rechtbank vindt bevestiging in de nota naar aanleiding van het verslag van de vaste Kamercommissie voor justitie inzake het wetsvoorstel "Bepalingen verband houdende met de instelling van het Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen aansprakelijk voor genocide en andere ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht, begaan op het grondgebied van Rwanda en van Rwandese burgers aansprakelijk voor genocide en andere van dergelijke schendingen, begaan op het grondgebied van buurlanden, tussen 1 januari 1994 en 31 december 1994" (verder: Instellingswet Rwanda-tribunaal). De Ministers van Buitenlandse Zaken en (in afwezigheid van de Minister van Justitie) van Binnenlandse Zaken, schrijven daarin onder meer het volgende:

'Wij willen allereerst erop wijzen dat niet direct voorstelbaar is dat Nederland, gelet op het aan artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht ten grondslag liggende materiële territorialiteitsbeginsel toereikende rechtsmacht heeft voor de feiten die opgedragen zijn ter kennisneming van het Rwanda-tribunaal. Het is juist, dat in geval van vervolging voor genocide teruggevallen zou kunnen worden op het passieve personaliteitsbeginsel, maar dan zouden Nederlanders massaal voorwerp moeten zijn geweest van dat soort handelingen.'

(Kamerstukken II, 1996-1997, 24 818, nr. 5, p. 7)

29. Inmiddels kent de Wet van 19 juni 2003, houdende regels met betrekking tot ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht (Wet internationale misdrijven) Stb. 2003, 270 (verder: WIM), in werking getreden per 1 oktober 2003 (Stb. 2003, 340), een ruimere rechtsmachtregeling onder meer ten aanzien van het misdrijf genocide. Deze wettelijke bepalingen houden - voor zover van belang - het volgende in:

Artikel 2:

1. Onverminderd het te dien aanzien in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht bepaalde is de Nederlandse strafwet toepasselijk:

a. op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een van de in deze wet omschreven misdrijven, wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt;

(...)

Artikel 3:

1. Hij die met het oogmerk om een nationale, etnische of godsdienstige groep, dan wel een groep behorend tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk, als zodanig te vernietigen:

a. leden van de groep doodt;

b. leden van de groep zwaar lichamelijk of geestelijk letsel toebrengt;

c. opzettelijk aan de groep levensomstandigheden oplegt die op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging zijn gericht;

d. maatregelen neemt, welke tot doel hebben geboorten binnen de groep te voorkomen; of

e. kinderen van de groep onder dwang overbrengt naar een andere groep,

wordt als schuldig aan genocide gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de zesde categorie.

30. Vanaf 1 oktober 2003 is de Nederlandse strafwet dan ook toepasselijk op een ieder die zich waar ook ter wereld aan deze feiten schuldig maakt, mits de verdachte zich op Nederlands grondgebied bevindt (beperkt universaliteitsbeginsel). Met de laatste zinsnede is blijkens de wetsgeschiedenis bedoeld: zich hier bevindt ten tijde van zijn aanhouding. (Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 38).

31. De wetgever heeft er bij de totstandkoming van de WIM uitdrukkelijk voor gekozen geen terugwerkende kracht toe te kennen aan deze verruimde rechtsmachtbepaling. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de WIM wordt hierover het volgende opgemerkt:

'Met de vestiging van rechtsmacht hangt samen de vraag naar de mogelijkheid om terugwerkende kracht te verlenen aan de strafbaarstellingen in het onderhavige voorstel. (...) In dit verband wil de regering er allereerst op wijzen dat dit vraagstuk in beginsel alleen betekenis heeft voor de misdrijven tegen de menselijkheid (en die gevallen van genocide waarover Nederland voorheen geen rechtsmacht had).

(D)at het bijzonder moeilijk, zo niet onmogelijk, is om te bepalen tot welk moment de strafbaarstelling dan zou mogen terugwerken, omdat zeer moeilijk bepaalbaar en voor veel discussie vatbaar is wat de stand van het (ongeschreven) volkenrecht op enig moment is. De rechtszekerheid - ratio van het verbod van terugwerkende kracht - is dan ook niet gediend met het verlenen van terugwerkende kracht aan de misdrijven tegen de menselijkheid.'

(Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 24 en 25)

Het voorgaande betekent dat aan de WIM ook geen originaire rechtsmacht kan worden ontleend voor de telastegelegde feiten.

32. De conclusie is dan ook dat de Nederlandse wetgeving geen aanknopingspunt biedt voor een vervolging en berechting van verdachte ter zake van genocide op basis van originaire rechtsmacht.

(Universele) rechtsmacht op grond van een verdrag en/of besluit van een volkenrechtelijke organisatie

33. Artikel 94 Grondwet luidt als volgt:

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

34. De rechtbank heeft daarom onderzocht of er een verdrag is op grond waarvan de hierboven beschreven wettelijke regeling van de originaire rechtsmacht buiten toepassing moet blijven. Dit blijkt niet het geval te zijn. Zoals hiervoor in paragrafen 19 en 21 is overwogen, houdt het Genocideverdrag - voor zover in dit verband van belang - in dat verdachten dienen te worden berecht door een gerecht van de Staat op wiens grondgebied de feiten zijn begaan of door een internationaal tribunaal. Het Genocideverdrag behelst dus geen verplichting voor Nederland rechtsmacht te scheppen voor gedragingen buiten Nederland gepleegd die kunnen worden gekwalificeerd als genocide. De Nederlandse wettelijke voorschriften zijn derhalve niet in strijd met dit verdrag, evenmin met bepalingen van enig ander verdrag waarbij Nederland partij is.

35. In 1994 bestond er geen besluit van een volkenrechtelijke organisatie dat een verplichting inhield om rechtsmacht te scheppen voor gedragingen die kunnen worden gekwalificeerd als genocide. Evenmin bestaat er thans een besluit van een volkenrechtelijke organisatie dat een verplichting inhoudt om met terugwerkende kracht rechtsmacht te scheppen dan wel met terugwerkende kracht rechtsmachtbepalingen uit te breiden ten aanzien van gedragingen die kunnen worden gekwalificeerd als genocide.

(Universele) rechtsmacht op basis van volkenrechtelijk gewoonterecht?

36. De rechtbank heeft zich vervolgens de vraag gesteld of het volkenrechtelijk gewoonterecht een grondslag biedt voor originaire rechtsmacht in de onderhavige zaak.

37. In dit verband is het Decembermoorden-arrest van de Hoge Raad van 18 september 2001 (LJN: AB1471, NJ 2002, 559, m.nt. JR) van belang. De Hoge Raad verwijst hierin naar de uitvoerige parlementaire gedachtewisseling bij de grondwetsherziening van 1983, waarin is bevestigd dat het ongeschreven volkenrecht bindend is voor de Nederlandse rechtsorde. De Hoge Raad oordeelt echter tevens dat de grondwetgever toepassing van ongeschreven volkenrecht niet heeft willen aanvaarden, indien deze toepassing zou botsen met nationale wettelijke voorschriften. In de zaak die bij de Hoge Raad ter berechting voorlag, leidde dit tot het oordeel dat het ongeschreven volkenrecht niet het verbod tot het verlenen van terugwerkende kracht aan strafbaarverklaringen ex artikel 16 Grondwet en artikel 1, eerste lid, Sr buiten toepassing kon laten (zie rechtsoverweging 4.1 tot en met 4.8). De Hoge Raad heeft in dit arrest tevens geoordeeld dat het de rechter niet vrijstaat de nationale rechtsmachtvoorschriften buiten toepassing te laten wegens strijd met het ongeschreven volkenrecht (zie rechtsoverweging 6.1 tot en met 6.4).

38. In het licht van dit arrest heeft de rechtbank zich de vraag gesteld of een eventuele uitbreiding van de rechtsmachtbepalingen op basis van ongeschreven volkenrecht de nationale regels al dan niet `buiten toepassing´ stelt.

39. De rechtbank is van oordeel dat de nationale rechtsmachtregeling - in het belang van de rechtszekerheid voor zowel de burgers als de instanties die met vervolging en berechting belast zijn - naar haar aard als een uitputtende regeling moet worden beschouwd. Dit betekent dat de wetgever met de vaststelling van de gevallen waarin Nederland rechtsmacht heeft, tevens heeft bepaald de gevallen waarin Nederland geen rechtsmacht heeft. De rechtbank volgt hierin de conclusie van toenmalig advocaat-generaal mr. N. Keijzer, voor het bovengenoemde arrest (zie met name de paragrafen 16, 17 en 69) waarin deze betoogt dat rechtsmachtbepalingen in dezelfde mate als strafbaarstellingen worden beheerst door het legaliteitsbeginsel. Zonder strafrechtsmacht is een strafbaarstelling immers zinledig, aldus de advocaat-generaal. Strafbaarstellingen mogen niet worden uitgebreid buiten de wet om. Evenmin mag buiten de wet om uitbreiding worden gegeven aan de gevallen waarin de Nederlandse strafrechter rechtsmacht heeft.

40. De hiervoor opgeworpen vraag of eventuele uitbreiding van de rechtsmachtbepalingen op basis van ongeschreven volkenrecht de nationale regels 'buiten toepassing' stelt, moet dan ook bevestigend worden beantwoord.

41. Het voorgaande houdt in dat rechtsmachtbepalingen alleen kunnen worden uitgebreid door de wetgever dan wel door een ieder verbindende bepalingen van verdragen of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties die een verplichting daartoe inhouden.

42. A fortiori geldt dat een regel van ongeschreven volkenrecht welke in strijd is met de nationale rechtsmachtvoorschriften niet met terugwerkende kracht toepassing heeft. De rechtbank vindt bevestiging van dit oordeel in de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de WIM, waarvan een gedeelte hierboven reeds in paragraaf 31 is weergegeven. Onder verwijzing naar het Decembermoorden-arrest van de Hoge Raad heeft de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen aan de (ter zake van genocide) uitgebreide rechtsmachtbepalingen van de WIM geen terugwerkende kracht te verlenen.

'Met betrekking tot de kwestie van de terugwerkende kracht van strafwetgeving heeft de Hoge Raad zeer recent een belangwekkende beslissing gewezen, namelijk in de zaak tegen D. Bouterse betreffende de Decembermoorden in Suriname (HR 18 september 2001 (...)). Hierin heeft de Hoge Raad aangegeven dat artikel 16 Grondwet en artikel 1, eerste lid, Sr een ongeclausuleerd verbod bevatten tot berechting en bestraffen van iemand ter zake van een feit dat ten tijde van het begaan van dat feit niet bij of krachtens de Nederlandse wet strafbaar was gesteld. Dit verbod kan (dan wel moet) slechts dan opzij worden gezet indien een ieder verbindende bepalingen van verdragen als bedoeld in artikel 94 Grondwet de verplichting bevatten om het betrokken feit met terugwerkende kracht strafbaar te achten. Het verbod van terugwerkende kracht kan, zo stelt de Hoge Raad vast, niet buiten toepassing worden gelaten wegens strijd met ongeschreven volkenrecht.

(...)

Als de wetgever aan de in het onderhavige voorstel opgenomen strafbaarstellingen terugwerkende kracht zou verlenen, zou hij derhalve in strijd handelen met het, zoals de Hoge Raad aangeeft, ongeclausuleerde verbod van artikel 16 Grondwet.'

(Kamerstukken II, 2001-2002, 28 337, nr. 3, p. 25)

43. Aangezien het de rechter niet vrijstaat de nationale rechtsmachtvoorschriften buiten toepassing te laten wegens strijd met ongeschreven volkenrecht, kan in het midden blijven of er een regel van ongeschreven volkenrecht bestaat (dan wel in 1994 bestond) op grond waarvan Nederland universele rechtsmacht heeft ten aanzien van genocide. De nationale wettelijke regelingen ter zake rechtsmacht prevaleren immers altijd boven een daarvan afwijkende regel van ongeschreven volkenrecht.

44. De conclusie moet dan ook zijn dat de Nederlandse strafrechter geen originaire rechtsmacht heeft ten aanzien van de aan verdachte verweten betrokkenheid bij genocide.

Afgeleide rechtsmacht

45. De Nederlandse strafrechter kan, zoals hierboven in paragraaf 17 reeds is vermeld, onder omstandigheden ook afgeleide (of subsidiaire) rechtsmacht hebben op grond van artikel 4a, eerste lid, Sr. Dit artikel luidt als volgt:

1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder tegen wie de strafvervolging door Nederland van een vreemde staat is overgenomen op grond van een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt.

Dit artikel is in het Wetboek van Strafrecht opgenomen bij Wet van 6 maart 1985, Stb. 131, inwerkingtreding op 9 juli 1985, Stb. 285.

46. Het gaat hier dus om rechtsmacht voor Nederlandse instanties die met vervolging en berechting van strafbare feiten zijn belast, welke afgeleid wordt van de rechtsmacht van een andere staat op grond van een verdrag waarbij Nederland en die andere staat partij zijn. Toegespitst op de zaak tegen verdachte betekent dit dat de Nederlandse strafrechter rechtsmacht heeft indien:

a. het Rwanda-tribunaal originaire rechtsmacht heeft verdachte te vervolgen voor de hem verweten gedragingen; en

b. het Rwanda-tribunaal (op grond van een redelijke wetsuitleg) kan worden gelijkgesteld met een 'vreemde staat' zoals bedoeld in dit artikel; en

c. er een verdrag is waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt.

Ad a. Beschikt het Rwanda-tribunaal over originaire rechtsmacht?

47. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (verder: de Veiligheidsraad) heeft op 8 november 1994 bij Resolutie 955 (1994) besloten het Rwanda-tribunaal op te richten en heeft met het oog daarop het Statuut van het Rwanda-tribunaal aangenomen dat als annex bij deze Resolutie is gevoegd. De Veiligheidsraad handelde hiermee, net als bij de instelling van het Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen aansprakelijk voor ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht, begaan op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië sedert 1991 (verder: Joegoslavië-tribunaal), op grond van Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties (inwerkingtreding 25 april 1951 Trb. 1951, 144 en zoals nadien gewijzigd, verder: Handvest), in het belang van het herstel van internationale vrede en veiligheid. Het Rwanda-tribunaal werd - kort gezegd - belast met de vervolging en berechting van personen aansprakelijk voor genocide en andere ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht begaan in Rwanda (en de buurlanden) gedurende het jaar 1994. Het Tribunaal heeft geen exclusieve jurisdictie ten aanzien van deze misdrijven, maar het heeft wel het primaat bij de vervolging en berechting daarvan (artikel 8, eerste lid, Statuut).

48. De feiten die genoemd worden in het verzoek tot overname van de Aanklager van het Rwanda-tribunaal betreffen 'genocide' and 'complicity in genocide', begaan door een natuurlijk persoon in Rwanda in de periode tussen 1 januari 1994 en 31 december 1994. De rechtbank stelt vast dat het Rwanda-tribunaal op basis van de artikelen 1, 2, 5, 7 en 8 van het Statuut (de hierboven genoemde annex, zoals nadien gewijzigd) originaire rechtsmacht heeft ter zake deze feiten. Dit is overigens niet betwist door de verdediging.

Ad b. Kan het Rwanda-tribunaal worden gelijkgesteld met 'een vreemde staat'?

49. Het is evident dat het Rwanda-tribunaal geen staat is. Het Tribunaal is op grond van het bepaalde in artikel 29 van het Handvest te beschouwen als een subsidiair orgaan van de Veiligheidsraad, welke een hoofdorgaan is van de Verenigde Naties. Het Tribunaal behoort derhalve tot een internationale organisatie met separate rechtspersoonlijkheid. De Verenigde Naties kan overigens - anders dan de officier van justitie heeft opgemerkt - niet worden opgevat als een collectief van vreemde staten omdat ook Nederland lid daarvan is.

50. Er is geen wettelijke bepaling welke het Rwanda-tribunaal voor de toepassing van artikel 4a Sr gelijkstelt met een vreemde staat dan wel dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaart voor het Rwanda-tribunaal. De parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat geleid heeft tot invoering van dit artikel in het Wetboek van Strafrecht biedt evenmin een aanknopingspunt voor een dergelijke gelijkstelling. Dit is begrijpelijk, omdat ten tijde van de invoering van dit artikel het Rwanda-tribunaal en het Joegoslavië-tribunaal nog niet waren opgericht.

51. De wetgever heeft zich bij de totstandkoming van de Wet van 21 april 1994, houdende bepalingen verband houdende met de instelling van het Joegoslavië-tribunaal, Stb. 308, inwerkingtreding 4 mei 1994 (verder: Instellingswet Joegoslavië-tribunaal) gerealiseerd dat de toen bestaande regelingen over interstatelijke samenwerking niet waren toegesneden op de samenwerking met internationale tribunalen en dat de wetgeving om die reden moest worden aangepast. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot deze wet wordt in dit verband onder andere opgemerkt:

'Daarnaast verplicht het Statuut van het Tribunaal Staten tot justitiële en politiële samenwerking met het Tribunaal, in de sfeer van (...) het verzamelen van bewijsmateriaal (...) en het overleveren van verdachten aan het Tribunaal (artikel 29 Statuut). (...) Teneinde ten volle in staat te zijn aan deze verplichtingen te voldoen is bijzondere wetgeving vereist. Zo zijn de bestaande wettelijke regelingen inzake internationale strafrechtelijke samenwerking toegesneden op interstatelijke samenwerking en niet op samenwerking met een internationaal Tribunaal. Dit betreft zowel de uitlevering en de zogenaamde kleine rechtshulp, als de tenuitvoerlegging van door andere dan Nederlandse rechters uitgesproken strafvonnissen. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt op die punten een aanvulling op de bestaande wetgeving te bieden.'

(Kamerstukken II 1993-1994, 23 542, nr. 3, p. 2).

52. Ook ten aanzien van de overlevering aan het Rwanda-tribunaal is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de Instellingswet Rwanda-tribunaal opgemerkt dat een eigen regelgeving diende te worden ingevoerd gelet op deze variant van het internationale rechtshulpverkeer:

'Het behoeft in dit verband nauwelijks betoog dat de ingevolge artikel 2, eerste lid, van het voorliggende wetsvoorstel geregelde variant van internationaal rechtshulpverkeer, anders dan de klassieke uitlevering, voorziet in de terbeschikkingstelling van een opgeëiste persoon aan een internationaal, krachtens een Resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties ingesteld, orgaan, en niet, zoals gebruikelijk, aan een andere soevereine staat. Dit rechtvaardigt een eigen regelgeving, waarin dit wetsvoorstel voorziet.'

(Kamerstukken II, 1995-1996, 24 818, nr. 3, p. 2)

53. Een voorbeeld van de bedoelde aanvullende regelgeving is het bepaalde in artikel 9, eerste lid, Instellingswet Joegoslavië-tribunaal dat ingevolge artikel 2, tweede lid, Instellingswet Rwanda-tribunaal ook op het Rwanda-tribunaal van toepassing is. Artikel 9, eerste lid, Instellingswet Joegoslavië-tribunaal houdt het volgende in:

Aan verzoeken van het Tribunaal om enigerlei vorm van rechtshulp, gericht tot een al dan niet met name aangeduid orgaan van de justitie of politie in Nederland, wordt zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven.

54. Uit de in de paragrafen 51, 52 en 53 geciteerde passages volgt - zoals ook door het openbaar ministerie is betoogd - dat de wetgever reeds in 1993 geen principiële problemen zag in het (moeten) verlenen van internationale rechtshulp aan internationale tribunalen in plaats van alleen aan staten. Integendeel, de bereidheid tot strafrechtelijke samenwerking met de beide Tribunalen spat, zoals de officier van justitie het ter terechtzitting heeft verwoord, werkelijk van de kamerstukken af.

55. De beide Instellingswetten kennen bepalingen betreffende de overlevering, de zogenoemde kleine rechtshulp en de tenuitvoerlegging in Nederland van vonnissen van de Tribunalen. In de beide wetten is echter geen aparte regeling opgenomen om strafvervolgingen van deze internationale tribunalen te laten overnemen door de Nederlandse vervolgingsautoriteiten. De afwezigheid van een dergelijke regeling vindt zijn verklaring in de omstandigheid dat aanvankelijk de nadruk lag op de berechting van verdachten door het Rwanda-tribunaal en Joegoslavië-tribunaal zelf. Dit blijkt uit het in artikel 8 Statuut Rwanda-tribunaal respectievelijk artikel 9 Statuut Joegoslavië-tribunaal neergelegde primaat van berechting door deze tribunalen.

56. Het primaat van berechting door het Rwanda-tribunaal is minder zwaar gaan wegen met Resoluties 1503 (2003) en 1534 (2004). In die Resoluties wordt het Rwanda-tribunaal (onder andere) opgedragen om zijn werkzaamheden uiterlijk in 2010 af te ronden en met het oog daarop bepaalde categorieën zaken over te dragen aan staten die bevoegd en bereid zijn deze strafzaken te berechten. Als uitvloeisel van deze Resoluties hebben de Aanklager en de President van het Rwanda-tribunaal gezamenlijk een zogenoemde 'Completion Strategy' opgesteld waarin zij aangeven op welke wijze door het tribunaal uitvoering wordt gegeven aan de opdracht tot afronding van zijn werkzaamheden. De Resoluties en de Completion Strategy hebben in Nederland echter niet tot een aanpassing van de wet geleid.

57. De rechtbank attendeert er hierop dat de Raad van State in zijn advies behorende bij het wetsvoorstel tot aanpassing van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten aan de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof (Kamerstukken II, 2001-2002, 28099 A) de vraag heeft opgeworpen of artikel 4a, eerste lid, Sr niet zou moeten worden aangevuld met het begrip 'een internationaal gerecht'. Dit wetsvoorstel voorzag in een aanpassing van artikel 5 Sr in het licht van de in het Statuut van het Internationaal Strafhof neergelegde verplichting voor Nederland om de werking van de strafwet uit te breiden tot misdrijven tegen de rechtspleging van het Strafhof (artikel 70 lid 4 Statuut). In zijn advies heeft de Raad van State voorgesteld om de uitbreiding van rechtsmacht vorm te geven via de weg van artikel 4a Sr en aldus subsidiaire rechtsmacht te vestigen voor die gevallen waarin het Internationaal Strafhof verdachten van deze misdrijven niet zelf wil berechten, maar dit aan de Nederlandse autoriteiten wil overlaten. Kennelijk heeft de Raad van State er zich rekenschap van gegeven dat artikel 4a Sr is toegesneden op overname van strafvervolging van staten en niet van internationale tribunalen. De wetgever heeft echter gekozen voor het vestigen van originaire rechtsmacht ten aanzien van het hiervoor genoemde type strafbare feiten, waardoor het onderwerp van de aanvulling op artikel 4a Sr, in de zin zoals de Raad van State heeft gesuggereerd, in het wetgevingsproces niet meer aan de orde is gekomen. Niet is gebleken echter van enig principieel bezwaar tegen een zodanige aanvulling.

58. De rechtbank maakt in dit verband nog melding van het door de Nederlandse regering ingebrachte standpunt ten aanzien van de uitleg van het begrip vreemde staat in de procedure bij het Rwanda-tribunaal betreffende de overdracht van de verdachte Michel [B.] naar Nederland (Case No. ICTR-2005-86-11bis). De Nederlandse regering heeft zich daarin uitgesproken voor een interpretatie van het begrip 'vreemde staat' in artikel 4a SR in de zin dat hieronder ook het Rwanda-tribunaal kan worden verstaan. In paragraaf 19 van de 'Decision on the Prosecutor's Request for Referral of the Indictment to the Kingdom of the Netherlands' d.d. 13 april 2007 heeft de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal ('Trial Chamber') het standpunt van de Nederlandse regering in deze als volgt geciteerd:

'The Netherlands acknowledges that the issue of accepting transfer of criminal cases from international tribunals is a recent phenomenon and is therefore unsettled in its law. Nonetheless, it emphasizes the importance placed on cooperation with the ICTR and ICTY under Dutch law, and argues that "an interpretation which would exclude the ICTR from the definition of foreign state would run contrary to past and current views on the importance of cooperation with the ICTR". As support for its position, it points to Article 2, paragraph 2 of the ICTR Implementation Law which incorporates by reference Articles 3 to 18 of the ICTY Implementation Law. (...) The Netherlands submits that it "believes it important to help to extend international case law on grave breaches of the most fundamental norms of international humanitarian law, such as genocide, crimes against humanity and war crimes".'

59. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het volgende. Toekenning van rechtsmacht aan internationale tribunalen is een recente rechtsontwikkeling waarbij de exclusiviteit van berechting door staten - met uitzondering van de periode direct na de Tweede Wereldoorlog - heeft plaatsgemaakt voor een concurrerende rechtsmacht waarbij afhankelijk van het type internationale Tribunaal de prioriteit van de vervolging bij de staat of bij het internationale Tribunaal ligt. De Nederlandse autoriteiten werken met deze internationale Tribunalen samen en verlenen aan hen diverse vormen van rechtshulp. Bij het Rwanda-tribunaal lag aanvankelijk de nadruk op berechting door het Tribunaal maar dit is inmiddels niet meer het geval door de beslissing van de Veiligheidsraad de werkzaamheden van het Rwanda-tribunaal op afzienbare termijn af te ronden. Thans worden lidstaten van de VN opgeroepen de berechting van verdachten van het Tribunaal over te nemen. De omstandigheid dat artikel 4a Sr alleen melding maakt van vreemde staten waarvan strafvervolging kan worden overgenomen behoeft er naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg te staan dat Nederland aan dergelijke verzoeken van het Tribunaal gevolg geeft. Nederland werkt al jaren samen met de Tribunalen als waren deze vreemde staten. Daarom brengt een redelijke wetsuitleg mee dat het Rwanda-tribunaal voor de toepassing van het bepaalde in artikel 4a Wetboek van Strafrecht kan worden gelijkgesteld met een 'vreemde staat'. Dit ligt in het verlengde van de bestendigde lijn van de wetgever en vereist geen nadere rechtspolitieke keuze.

60. In het voorgaande ligt besloten dat de rechtbank de raadsman niet kan volgen in zijn betoog dat het begrip 'vreemde staat' restrictief dient te worden uitgelegd. De raadsman verwijst hierbij onder meer naar artikel 552h, eerste lid, Sv en het arrest HR 28 maart 2000, NJ 2000, 483 waarin de Hoge Raad naar voornoemde bepaling verwijst. De raadsman miskent hiermee dat Nederland geen wederzijdse internationale strafrechtelijke rechtshulprelatie heeft met de Europese Commissie, zoals in het geval dat in dit arrest ter berechting voorlag, maar wel met de beide tribunalen. Het beroep dat de raadsman op dit artikel en genoemd arrest doet, gaat dan ook niet op.

Ad c. Is er een verdrag waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt?

61. Artikel 4a Sr is ingevoerd met de 'Wet tot wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met het oog op de overdracht van strafvervolgingen door en aan Nederland alsmede uitvoering van de desbetreffende Europese en Benelux-verdragen, wijziging van de Uitleveringswet en uitvoering van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme' (Stb. 1985, 131). Over de inhoud en doelstelling van deze wet wordt in de memorie van toelichting het volgende opgemerkt:

'Het hier te bespreken wetsontwerp bevat een algemene regeling betreffende de procedure die moet worden gevolgd wanneer Nederland aan een vreemde mogendheid verzoekt een strafvervolging in te stellen tegen iemand die in Nederland van een strafbaar feit wordt verdacht, alsmede betreffende de gevolgen die aan een dergelijk verzoek zijn verbonden. Tevens behelst het wetsontwerp regels voor de behandeling van verzoeken tot het instellen van een strafvervolging, die door een vreemde mogendheid tot Nederland zijn gericht.

Inzake de internationale overdracht en de overname van strafvervolging zijn zowel in het verband van de Raad van Europa als in dat van de Benelux verdragen van algemene strekking tot stand gekomen. Gedoeld wordt op het Europees verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging van 15 september 1972, Trb. 1973, nr. 84 en het Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake het overnemen van strafvervolgingen van 11 mei 1973, Trb. 1974, nr. 184. Het wetsontwerp beoogt de toepassing van die verdragen door Nederland mogelijk te maken. Het is echter niet tot bepalingen ter uitvoering van die verdragen beperkt. (...)

Nog een derde verdrag is in dit wetsontwerp betrokken, nl. het op 27 januari 1977 te Straatsburg tot stand gekomen Europees verdrag tot bestrijding van terrorisme (Trb. 1977, nr. 63). De reden om de uitvoering daarvan in het onderhavige wetsontwerp te regelen is gelegen in de artikelen 6 en 7 van het verdrag. Die bepalingen nopen ertoe in het Wetboek van Strafrecht een jurisdictiegrondslag neer te leggen voor de vervolging van de in artikel 1 van het verdrag bedoelde feiten voor de gevallen dat de Nederlandse strafrechter niet reeds ingevolge de artikelen 2 tot en met 5 van dat Wetboek originaire bevoegdheid toekomt. Datzelfde geldt in het algemeen voor het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging (artikel 2) en voor het overeenkomstige Beneluxverdrag (artikel 17).'

(Kamerstukken II, 1979-1980, 15 972, nrs. 1-3, p. 7-8)

62. In de geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis wordt tot uitdrukking gebracht dat verdragen zoals bijvoorbeeld het Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging (verder: EVOS) de grondslag kunnen vormen voor een overdracht tot strafvervolging, in die gevallen waarin de Nederlandse strafrechter geen originaire rechtsmacht heeft voor de in het verzoek tot overdracht genoemde strafbare feiten. In de hiervoor aangehaalde passage uit de memorie van toelichting wordt artikel 2 EVOS genoemd. Deze bepaling houdt in:

1. Voor de toepassing van dit Verdrag is elke Verdragsluitende Staat bevoegd elk strafbaar feit waarop de strafwet van een andere Verdragsluitende Staat van toepassing is, te vervolgen op grond van zijn eigen strafwet.

2. De aan een Verdragsluitende Staat uitsluitend op grond van het eerste lid van dit artikel toegekende bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend na een verzoek om strafvervolging, afkomstig van een andere Verdragsluitende Staat.

In deze bepaling is de tussen de betrokken staten gemaakte - wederzijdse - afspraak neergelegd dat er vervolgingsrecht - en daarmee rechtsmacht - bestaat indien de ene staat de andere staat om overname van strafvervolging verzoekt. Het overeenkomstige Beneluxverdag bevat een vergelijkbare bepaling.

63. Het EVOS behelst voorts uitgebreide en gedetailleerde bepalingen betreffende de gevallen waarin overdracht van strafvervolging mogelijk is, de wijze waarop overdracht/overname plaatsvindt alsmede de gevolgen van een verzoek tot overname in de verzoekende staat, de gevolgen van een dergelijk verzoek in de aangezochte staat, de voorlopige maatregelen te treffen in de aangezochte staat, de samenloop van strafvervolging en bepalingen ter zake het ne bis in idem-beginsel. Het Beneluxverdrag kent soortgelijke bepalingen.

64. De wetgever heeft in de memorie van toelichting welke geleid heeft tot invoering van artikel 4a Sr op verscheidene plaatsen benadrukt dat de uitbreiding van de rechtsmacht van de Nederlandse strafrechter in het verdrag moet zijn geregeld.

'Toevoegingen aan de regels van het Nederlandse strafrecht betreffende strafbaarheid en vervolgbaarheid zijn in de voorgestelde bepalingen niet te vinden. Voor regeling van deze onderwerpen met het oog op de internationale overdracht van strafvervolgingen is een verdrag de geëigende plaats. Dat geldt ook voor de uitbreiding van de competentie van de Nederlandse strafrechter, waarvoor niet het nieuw in te voegen artikel 4a van het Wetboek van Strafrecht, maar het toepasselijke verdrag de grondslag biedt.'

(Kamerstukken II, 1979-1980, 15 972, nrs. 1-3, p. 8)

'De in Titel II van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bepalingen betreffende de omvang van de werking van de strafwet hebben een dubbele functie. Zij stellen de jurisdictie, de bevoegdheid van de Nederlandse rechter tot kennisneming van strafbare feiten, vast en bepalen tevens, dat die feiten naar Nederlands recht moeten worden beoordeeld. Zij veronderstellen het bestaan van een vervolgingsrecht dat immers voorwaarde voor jurisdictie is (vgl. Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 1a bij artikel 2).

Het vervolgingsrecht kan aan een staat krachtens verdrag toekomen voor zaken die niet reeds ingevolge de wet onder de nationale jurisdictie vallen. Zowel het Europese als het Beneluxverdrag betreffende het overnemen van strafvervolgingen bevat bepalingen, waarbij aan de verdragsstaten het vervolgingsrecht in bepaalde gevallen wordt toegekend. Daarmede staat voor die gevallen de jurisdictie van de nationale strafrechter vast. Beide verdragen bepalen daarnaast, dat bij overdracht van strafvervolging in gevallen waarin het vervolgingsrecht uit het verdrag voortvloeit, ook de wet van de aangezochte staat toepasselijk is.

Ten einde nu - ook met het oog op mogelijke toekomstige verdragen - elke twijfel uit te sluiten omtrent de jurisdictie en het toepasselijke recht in gevallen waarin een strafvervolging krachtens verdrag aan Nederland wordt overgedragen zonder dat de Nederlandse strafwet reeds uit hoofde van een van de artikelen 2-7 van het Wetboek van Strafrecht toepasselijk is, wordt het ontworpen artikel 4a voorgesteld. Het lijkt ook nuttig, dat het wetboek zelf eraan herinnert, dat de competentie van de Nederlandse strafrechter uit een verdrag kan voortvloeien.'

(Kamerstukken II, 1979-1980, 15 972, nrs. 1-3, p. 12)

65. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het onmiskenbaar de bedoeling van de wetgever is geweest dat de bevoegdheid tot strafvervolging en berechting moet volgen uit een verdrag waarin expliciete afspraken zijn gemaakt over de overdracht van het vervolgingsrecht en in ieder geval een regeling is getroffen ten aanzien van de gevallen waarin overdacht mogelijk is. De rechtbank wijst de andersluidende visie van de officier van justitie op dit punt dan ook van de hand.

66. De officier van justitie heeft - kort gezegd - betoogd dat de verdragsbasis voor overname zoals vereist in artikel 4a Sr kan worden gevonden in:

(I) het Handvest van de Verenigde Naties in samenhang met het Statuut van het Rwanda-tribunaal;

(II) het Genocideverdrag.

(I) Het Handvest en het Statuut als verdragsbasis?

67. De rechtbank stelt allereerst vast dat het Handvest geen enkele bepaling bevat op grond waarvan Nederland verplicht is samen te werken met het Rwanda-tribunaal, laat staan een bepaling waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging voor Nederland volgt in geval het Rwanda-tribunaal een zaak overdraagt aan Nederland. Derhalve kan het Handvest op zichzelf niet beschouwd worden als een verdrag op grond waarvan aan Nederland in deze zaak afgeleide rechtsmacht toekomt.

68. De officier van justitie heeft - kort gezegd - betoogd dat het Handvest van de Verenigde Naties, meer in het bijzonder hoofdstuk VII daarvan, in samenhang bezien met het Statuut Rwanda-tribunaal de verdragsbasis vormt die artikel 4a Sr vereist. Zij heeft daarbij met name gewezen op artikel 28 van het Statuut Rwanda-tribunaal. Weliswaar kan in deze bepaling, aldus de officier van justitie, geen verplichting tot overname van strafvervolging worden gelezen, maar wel een bevoegdheid daartoe.

69. De officier van justitie heeft in dit kader ook gewezen op de parlementaire behandeling van de Instellingswet Joegoslavië-tribunaal, in het bijzonder hetgeen in de memorie van toelichting wordt opgemerkt over de overlevering aan dit Tribunaal. Zij heeft betoogd dat overlevering ingevolge de Grondwet slechts is toegestaan op grond van een verdrag en dat de wetgever hoofdstuk VII Handvest ziet als verdragsbasis voor overlevering aan dit Tribunaal. Aangezien in artikel 2, tweede lid, Instellingswet Rwanda-tribunaal de artikelen 3 tot en met 18 Instellingswet Joegoslavië-tribunaal van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, heeft dit ook betekenis voor het Rwanda-tribunaal. Volgens de officier van justitie heeft hoofdstuk VII van het Handvest ook te gelden als verdragsbasis voor overname van strafvervolging door Nederland van de beide Tribunalen, omdat het zowel bij overlevering als bij overname gaat om vormen van primaire rechtshulp.

70. De officier van justitie heeft voorts gewezen op de vonnissen van deze rechtbank van 16 oktober 2001 (NJ 2002, 20; LJN: AD 8745) en 14 februari 2002 (KG 02/26; LJN: AD9260). Aan deze uitspraken heeft zij de conclusie verbonden dat medewerking aan het verzoek van het Rwanda-tribunaal aan de Nederlandse autoriteiten tot overname van de strafvervolging van verdachte een rechtsplicht is voor Nederland die ingevolge het bepaalde in artikel 25 en 103 Handvest voorrang heeft op andere nationale en internationale verplichtingen en bepalingen.

71. De rechtbank merkt allereerst op dat anders dan bij het Internationaal Strafhof (opgericht bij het Statuut van Rome in zake het Internationaal Strafhof d.d. 17 juli 1998, Trb. 2000, 120 en voor Nederland inwerking getreden op 1 juli 2002) beide Tribunalen niet zijn opgericht bij multilateraal verdrag, maar bij Resoluties van de Veiligheidsraad met als annex het Statuut van het betreffende Tribunaal (zie hierboven in paragraaf 47). Ingevolge artikel 25 Handvest dienen de leden van de Verenigde Naties de besluiten van de Veiligheidsraad overeenkomstig het Handvest te aanvaarden en uit te voeren en zijn zij derhalve gebonden aan deze door de Veiligheidsraad aangenomen Resoluties. Voorts bepaalde de Veiligheidsraad in deze Resoluties dat alle staten, overeenkomstig het bepaalde in de beide Statuten, moeten samenwerken met de beide Tribunalen en de organen daarvan, alsmede de nationale wetgeving hiertoe dienden aan te passen. In het Statuut zijn diverse vormen van rechtshulp omschreven waartoe lidstaten bevoegd of verplicht zijn.

72. De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat het Handvest in samenhang met het Statuut kan worden beschouwd als een verdrag op grond waarvan internationale rechtshulp kan worden verleend.

73. De rechtbank stelt echter vervolgens vast - evenals de officier van justitie heeft gedaan - dat in het Statuut geen expliciete regeling is opgenomen die een verplichting of bevoegdheid creëert voor Nederland om - op verzoek van het Rwanda-tribunaal - strafvervolging van het Tribunaal over te nemen.

74. De officier van justitie heeft, zoals boven vermeld, ter onderbouwing van haar stelling een beroep gedaan op artikel 28 van het Statuut. Dit artikel luidt als volgt:

Cooperation and Judicial Assistance

1. States shall cooperate with the International Tribunal for Rwanda in the investigation and prosecution of persons accused of committing serious violations of international humanitarian law.

2. States shall comply without undue delay with any request for assistance or an order issued by a Trial Chamber, including but not limited to:

(a) The identification and location of persons;

(b) The taking of testimony and the production of evidence;

(c) The service of documents;

(d) The arrest or detention of persons;

(e) The surrender or the transfer of the accused tot the International Tribunal for Rwanda.

75. Naar het oordeel van de rechtbank bevat deze bepaling een algemene samenwerkingsverplichting ('shall cooperate') voor lidstaten jegens het Rwanda-tribunaal (lid 1) alsmede een specifieke samenwerkingsverplichting ('shall comply') op een aantal nader omschreven terreinen (lid 2) teneinde onderzoek en berechting door het Rwanda-tribunaal mogelijk te maken. Evenals de officier van justitie stelt de rechtbank vast dat dit artikel geen verplichting tot overname van strafvervolging inhoudt. Anders dan de officier van justitie vermag de rechtbank in dit artikel echter niet te lezen dat het de bevoegdheid van lidstaten schept strafvervolging van het Rwanda-tribunaal over te nemen. Strekking en woordkeuze van dit artikel verzetten zich tegen deze interpretatie. Het Rwanda-tribunaal heeft, zoals hierboven overwogen, het primaat bij de berechting van internationale misdrijven begaan in de periode 1 januari 1994 tot en met 31 december 1994 in Rwanda (en de buurlanden). De Resolutie waarmee het Tribunaal is ingesteld verplicht de lidstaten, waar mogelijk, het Tribunaal behulpzaam te zijn bij de uitvoering van de hem opgedragen taak. Artikel 28 van het Statuut Rwanda-tribunaal vormt hiervan de uitwerking. Het gaat in dit artikel om rechtshulp die door de lidstaten moet worden verleend aan het Rwanda-tribunaal met het oog op berechting door het Rwanda-tribunaal; niet om een bevoegdheid van lidstaten berechting van het Rwanda-tribunaal over te nemen. Het beroep dat de officier van justitie op dit artikel doet, faalt dus.

76. De rechtbank kan de officier van justitie evenmin volgen in het beroep dat zij doet op de in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Instellingswet Joegoslavië-tribunaal genoemde verdragsbasis voor overlevering. Hierover wordt in de memorie van toelichting het volgende opgemerkt:

'Artikel 2 biedt de wettelijke bevoegdheid om personen over te leveren aan het Tribunaal. Aangenomen moet worden dat het hier gaat om een vorm van uitlevering in de zin van artikel 2, derde lid, van de Grondwet, dat hiertoe een verdragsgrondslag vereist en verdere voorschriften bij wet te geven.

Daargelaten de vraag of als gevolg van Resolutie 827, dat Staten verplicht tot de in het Statuut geregelde vormen van samenwerking met het Tribunaal, Grondwettelijke voorschriften geacht kunnen worden terzijde te zijn gesteld, kan in elk geval worden gesteld, dat deze verplichting haar grondslag vindt in Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties en dat daarin de Grondwettelijk vereiste verdragsbasis kan worden gevonden.'

(Kamerstukken II, 1993-1994, 23 542, nr. 3, p.3)

77. De rechtbank stelt vast dat overlevering aan de Tribunalen in de beide Statuten expliciet is geregeld als een verplichte vorm van samenwerking tussen de Tribunalen en de lidstaten. Om die reden is het begrijpelijk dat de wetgever heeft geoordeeld dat hoofdstuk VII van het Handvest - naar de rechtbank begrijpt in samenhang gelezen met (deze bepalingen van) de Statuten - kan dienen als vereiste verdragsbasis. Zoals hierboven vermeld is overname van strafvervolging echter in het geheel niet geregeld in de Statuten van de beide Tribunalen. Het beroep dat de officier van justitie doet op hetgeen de wetgever heeft overwogen ten aanzien van de verdragsgrondslag ter zake overlevering kan daarom geen steun bieden aan de door haar verdedigde stelling dat het Handvest en het Statuut Rwanda-tribunaal de verdragsgrondslag bieden voor overname van strafvervolging, een niet verplichte vorm van samenwerking.

78. Sterker nog, uit de parlementaire geschiedenis van de Instellingswet Joegoslavië-tribunaal valt af te leiden dat de wetgever het Handvest en het Statuut niet beschouwt als verdragsbasis voor niet verplichte samenwerking tussen de Tribunalen en Nederland, in die gevallen waarin de Nederlandse wet hiervoor een verdrag vereist. Artikel 26 Statuut Rwanda-tribunaal en artikel 27 Statuut Joegoslavië-tribunaal behelzen bepalingen inzake de tenuitvoerlegging door lidstaten van door de Tribunalen gewezen vonnissen, een niet verplichte vorm van samenwerking tussen de Tribunalen en de lidstaten. Tenuitvoerlegging in Nederland van buitenlandse strafvonnissen, is geregeld in de Wet van 10 september 1986, houdende regelen betreffende de overname van de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafrechtelijke beslissingen en de overdracht van de tenuitvoerlegging van Nederlandse strafrechtelijke beslissingen naar het buitenland, Stb. 1986, 464, met een gefaseerde inwerkingtreding (verder: WOTS). Artikel 2 van deze wet luidt als volgt:

Tenuitvoerlegging in Nederland van buitenlandse rechtelijke beslissingen geschiedt niet dan krachtens een verdrag.

De wetgever heeft hier dus, evenals het geval is bij overname van strafvervolging (artikel 4a Sr), als voorwaarde geformuleerd dat tenuitvoerlegging alleen kan geschieden op grond van een verdrag. De wetgever heeft dit onder ogen gezien bij de totstandkoming van de Instellingswet Joegoslavië-tribunaal. Deze wet bevat een regeling ter zake de uitvoering door Nederland van door dit tribunaal gewezen vonnissen (artikel 11 tot en met 14). Onder de bepalingen van de WOTS die in deze wet van overeenkomstige toepassing worden verklaard behoort niet het hierboven geciteerde artikel 2. De wetgever heeft met andere woorden het verdragsvereiste van dit artikel uitdrukkelijk buiten toepassing gesteld. Tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen door Nederland is dus alleen mogelijk ofwel krachtens een verdrag ofwel ingevolge een bepaling in een bijzondere wet, zoals de Instellingswet Joegoslavië-tribunaal. Hetzelfde heeft te gelden voor overname van strafvervolging door Nederland. Immers, overname van strafvervolging en tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen zijn niet verplichte vormen van samenwerking en ten aanzien van deze beide stelt de Nederlandse wet als voorwaarde dat een verdrag bestaat waarin deze samenwerking is geregeld.

79. In het verlengde hiervan is de rechtbank voorts van oordeel dat ook het beroep dat de officier van justitie doet op de vonnissen van deze rechtbank d.d. 16 oktober 2001 en 14 februari 2002 haar niet baat. Beide vonnissen zien immers op overlevering van een verdachte aan het Rwanda-tribunaal. In de vonnissen komt - kort gezegd - het volgende tot uitdrukking:

* de instelling van het Rwanda-tribunaal (en het Statuut van dit Tribunaal) vindt zijn directe grondslag in hoofdstuk VII van het Handvest;

* lidstaten zijn op grond van artikel 25 van het Handvest verplicht om hun medewerking te verlenen aan het Rwanda-tribunaal, nu het Rwanda-tribunaal is gebaseerd op een besluit van de Veiligheidsraad;

* verplichtingen van lidstaten krachtens het Handvest hebben - in geval van strijdigheid - op grond van artikel 103 van het Handvest voorrang op de verplichtingen van die lidstaten krachtens andere internationale overeenkomsten;

* artikel 28 van het Statuut van het Rwanda-tribunaal verplicht lidstaten onvoorwaardelijk om te voldoen aan verzoeken of bevelen van het Rwanda-tribunaal tot aanhouding en overlevering.

Dit betekent dat de Nederlandse autoriteiten op grond van het Statuut van het Rwanda-tribunaal en de artikelen 25 en 103 van het Handvest verplicht zijn aan een verzoek van het Rwanda-tribunaal tot overlevering te voldoen.

Niet valt in te zien dat de in de vonnissen bevestigde rechtsplicht van Nederland tot overlevering van een verdachte aan het Rwanda-tribunaal mede een rechtsgrond zou kunnen zijn voor een bevoegdheid van Nederland tot overname van strafvervolging van het Rwanda-tribunaal, nu het Statuut deze overdracht/overname onbenoemd en ongeregeld heeft gelaten.

80. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het Handvest in onderling verband en samenhang bezien met (artikel 28 van) het Statuut Rwanda-tribunaal niet kan worden beschouwd als een verdrag waaruit de bevoegdheid van Nederland tot overname van strafvervolging volgt.

81. De rechtbank heeft zich ten slotte in dit kader, mede gelet op de eerdergenoemde beschikking van de rechter-commissaris d.d. 11 januari 2007 (zie hierboven onder 10), de vraag gesteld of het Handvest, in samenhang met het Statuut en Resoluties 1503 (2003) en 1534 (2004) van de Veiligheidsraad, de wettelijk vereiste verdragsgrondslag bieden voor overname van strafvervolging.

82. De rechter-commissaris heeft, zoals hierboven vermeld (zie paragraaf 10), beslist dat Nederland niet de bevoegdheid heeft verdachte ter zake het genocidefeit te vervolgen en berechten, dit omdat verdachte geen deel uitmaakt van de Completion Strategy van het Rwanda-tribunaal. De rechter-commissaris heeft in haar beslissing wel geoordeeld dat het Handvest in samenhang met het Statuut en Resolutie 1503 (2003) als wettelijk verdragsgrondslag kan worden opgevat. De rechtbank volgt haar hierin niet. De Resoluties 1503 (2003) en 1534 (2004) dragen het Rwanda-tribunaal op zijn werkzaamheden uiterlijk in 2010 af te ronden en met het oog daarop zaken waarin het 'intermediate- and lower-rank' verdachten betreft, over te dragen aan staten die bevoegd zijn deze zaken te berechten. Als uitvloeisel van deze Resoluties hebben de President van het Rwanda-tribunaal en de Aanklager een Completion Strategy opgesteld. De betreffende Resoluties roepen de lidstaten op strafzaken van het Rwanda-tribunaal over te nemen, maar behelzen geen verplichting daartoe. Een dergelijke verplichting valt ook niet af te leiden uit de Completion Strategy. De Completion Strategy is niet meer dan een voortgangsrapportage van het Rwanda-tribunaal aan de Veiligheidsraad over de wijze waarop en de snelheid waarmee het Tribunaal toewerkt naar afronding van zijn werkzaamheden in 2010. De betreffende Resoluties bevatten geen expliciete afspraken inzake de overdracht van strafvervolging en geen regeling ten aanzien van de gevallen waarin overdracht mogelijk is. Ook de Resoluties - in samenhang bezien met het Handvest en het Statuut Rwanda-tribunaal - bieden dus niet de verdragsgrondslag zoals artikel 4a Sr vereist (zie hierboven in paragraaf 65).

(II) Het Genocideverdrag als verdragsbasis?

83. De officier van justitie heeft voorts betoogd dat het Genocideverdrag, in het bijzonder de artikelen VI en I hiervan, gelezen in samenhang met de beslissing van het Internationaal Gerechtshof (verder: IGH) in de zaak betreffende de 'Application of the Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide' (Bosnia en Herzegovina v. Yugoslavia) van 11 juli 1996, paragraaf 31, de basis kan vormen voor overname van strafvervolging. De officier van justitie heeft in het bijzonder gewezen op de overweging dat:

"the rights and obligations enshrined by the Convention are rights and obligations erga omnes. The Court notes that the obligation each State thus has to prevent and to punish the crime of genocide is not territorially limited by the Convention".

De officier van justitie heeft ook nog gewezen op het hiervoor reeds genoemde standpunt van de Nederlandse regering in de zaak van de 'Prosecutor v. M. [B.]' (zie hierboven in paragraaf 58), waaruit blijkt dat de regering deze opvatting van de officier van justitie deelt.

84. Naar het oordeel van de rechtbank dient de door het openbaar ministerie aangehaalde passage uit het arrest van het IGH nadrukkelijk in samenhang te worden gelezen met de passage uit het advies van het IGH van 28 mei 1951 in Reservations to the Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide (I.C.J. Reports 1951), die daaraan blijkens het hierna volgend citaat voorafgaat, en in de context van het door (het toenmalige) Joegoslavië gevoerde verweer.

85. Het IGH heeft in voornoemde zaak onder meer het volgende overwogen:

'30. To found its jurisdiction, the Court must, however, still ensure that the dispute in question does indeed fall within the provisions of Article IX of the Genocide Convention. Yugoslavia disputes this. It contests the existence in this case of an "international dispute" within the meaning of the Convention, basing itself on two propositions:

first,

- that the conflict occurring in certain parts of the Applicant's territory was of a domestic nature,

- Yugoslavia was not party to it and

- did not exercise jurisdiction over that territory at the time in question (...)

31. (...) Lastly, as to the territorial problems linked to the application of the Convention, the Court would point out that the only provision relevant to this, Article VI, merely provides for persons accused of one of the acts prohibited by the Convention to "be tried by a competent tribunal of the State in the territory of which the act was committed . . .".

It would also recall its understanding of the object and purpose of the Convention, as set out in its Opinion of 28 May 1951, cited above:

"The origins of the Convention show that it was the intention of the United Nations to condemn and punish genocide as 'a crime under international law' involving a denial of the right of existence of entire human groups, a denial which shocks the conscience of mankind and results in great losses to humanity, and which is contrary to moral law and to the spirit and aims of the United Nations (Resolution 96 (1) of the General Assembly, December 11th 1946).

The first consequence arising from this conception is that the principles underlying the Convention are principles which are recognized by civilized nations as binding on States, even without any conventional obligation. A second consequence is the universal character both of the condemnation of genocide and of the Co-operation required 'in order to liberate mankind from such an odious scourge'

(Preamble to the Convention)." (I. C. J. Reports 1951, p. 23.)

It follows that the rights and obligations enshrined by the Convention are rights and obligations erga omnes. The Court notes that the obligation each State thus has to prevent and to punish the crime of genocide is not territorially limited by the Convention.'

86. Het IGH heeft hierin tot uitdrukking gebracht dat het voorkomen dat het misdrijf van genocide wordt gepleegd en de bestraffing ervan een gedeelde verantwoordelijkheid is voor alle staten welke (natuurlijk) niet ophoudt bij de landsgrenzen van elke staat. Dit is de gedachte die ten grondslag ligt aan het Genocideverdrag maar die ook geldt, los van enige verdragsrechtelijke verplichting. De rechtbank begrijpt het IGH aldus dat los van de vraag of iemand kan worden berecht in een bepaalde staat voor het misdrijf van genocide, staten hoe dan ook de verplichting hebben om zich in te zetten op alle mogelijke manieren om de samenleving te vrijwaren van het misdrijf van genocide. Deze verplichting omvat zowel het voorkomen van dit misdrijf als de bestraffing ervan.

87. De door de officier van justitie aangehaalde passage heeft derhalve geen betrekking op vragen die samenhangen met rechtsmacht hetzij in originaire dan wel in afgeleide vorm. Nu in het Genocideverdrag zelf geen voor overdracht relevante bepalingen zijn neergelegd, is de rechtbank van oordeel dat het Genocideverdrag geen verdrag is waaruit de bevoegdheid tot strafvervolging volgt. De rechtbank neemt op dit punt dus ook afstand van het door de Nederlandse regering in de zaak van de 'Prosecutor v. M. [B.]' ingebrachte standpunt (zie paragraaf 23 van de 'decision' van de Kamer van Berechting), hetwelk, zoals hierboven in paragraaf 83 is vermeld, gelijkluidend is aan het betoog van de officier van justitie in deze zaak.

88. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat geen verdrag bestaat waaruit de bevoegdheid van Nederland tot overname van strafvervolging volgt. Dit betekent dat de Nederlandse strafrechter geen afgeleide rechtsmacht heeft op grond van artikel 4a Sr.

Conclusie

89. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaart in haar strafvervolging van feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 09/750007-07.

90. De rechtbank hecht er aan op deze plaats te benadrukken dat zij zich ervan bewust is dat er, uit oogpunt van een goede rechtsbedeling en gelet op het feit dat verdachte hoogstwaarschijnlijk niet (meer) door het Rwanda-tribunaal of door enige andere rechter zal worden berecht ter zake genocide, goede argumenten zijn om verdachte, die reeds in Nederland terecht moet staan wegens verdenking van oorlogsmisdrijven en foltering, gelijktijdig ter zake van genocide te vervolgen. Meer in het algemeen is de rechtbank van oordeel dat misdrijven als de onderhavige, die door de internationale rechtsgemeenschap als één van de meest ernstige misdrijven worden beschouwd, indien bewezen, niet onbestraft mogen blijven en dat het, ook gelet op genoemd oogpunt van een goede rechtsbedeling, gewenst is dat de Nederlandse autoriteiten de strafvervolging en berechting van internationale tribunalen kunnen overnemen. Nederland heeft immers de grondwettelijke plicht de internationale rechtsorde te bevorderen (artikel 90 Grondwet). De rechtbank ziet zich thans echter geconfronteerd met een lacune in de bestaande regelgeving, welke zij - anders dan zij hierboven heeft gedaan bij de interpretatie van het begrip 'vreemde staat' in artikel 4a Sr (zie paragraaf 59) - niet kan opvullen door middel van redelijke wetsuitleg. De wetgever zal in deze lacune moeten voorzien. Zoals hierboven overwogen zal een regeling ter zake overdracht/overname van strafvervolging - bijvoorbeeld deels naar analogie van de regeling inzake de tenuitvoerlegging door Nederland van door de Tribunalen opgelegde vrijheidsstraffen, zoals deze is opgenomen in de artikelen 11 tot en met 14 van de Invoeringswet Joegoslavië-tribunaal - in ieder geval bepalingen moeten bevatten omtrent de gevallen waarin strafvervolging van de Tribunalen kan worden overgenomen (zie hierboven in paragraaf 65). Dit impliceert dat rechtspolitieke keuzes gemaakt moeten worden. Het is aan de wetgever dit te doen.

Overige overwegingen

91. Gelet op het vorenstaande behoeft de rechtbank niet meer toe te komen aan een bespreking van de (overige) verweren van de raadsman welke in zijn visie (eveneens) tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie zouden moeten leiden. De rechtbank ziet in het uitvoerige debat dat ter terechtzitting is gevoerd over de kwestie van rechtsmacht aanleiding om enkele beschouwingen te wijden aan de vraag of:

I de Aanklager - in plaats van een Kamer van Berechting op de voet van artikel 11bis Procedure- en bewijsregels van het Tribunaal - bevoegd is om zaken over te dragen;

II er een rechtsgeldig verzoek is tot overname;

III verdachte in het kader van de overdracht van strafvervolging voldoende rechtsbescherming is geboden.

Ad I: Is de Aanklager bevoegd om zaken over te dragen?

92. Het Rwanda-tribunaal heeft in zijn Procedure- en Bewijsregels een bepaling opgenomen (artikel 11bis) betreffende de overname van strafvervolging door staten van het Tribunaal. Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op de overname van zaken tegen verdachten die in staat van beschuldiging zijn gesteld ('indicted cases'). Op grond van dit artikel beslist een Kamer van Berechting van het Tribunaal hierover.

93. Zoals hierboven in paragraaf 9 is weergegeven heeft de Aanklager de Nederlandse autoriteiten verzocht de strafvervolging jegens verdachte ten aanzien van genocide over te nemen. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de Aanklager, die in deze handelt buiten artikel 11bis om, in het geheel niet bevoegd is tot het doen van een dergelijk verzoek. Volgens de raadsman is artikel 11bis een uitputtende regeling voor overdracht van strafvervolging.

94. De rechtbank stelt voorop dat internationale samenwerking in strafzaken, die normaliter plaatsvindt op basis van een daartoe gesloten verdrag tussen staten, in zijn algemeenheid wordt geregeerd door het vertrouwensbeginsel. Dit beginsel houdt - kort gezegd - in dat de aangezochte staat vertrouwen dient te hebben in de kwaliteit van het rechtsstelsel van de verzoekende staat, waaruit onder meer voortvloeit dat het de rechter in de aangezochte staat in beginsel niet vrij staat onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van het uitgebrachte verzoek tot samenwerking.

95. In het onderhavige geval is geen sprake van samenwerking tussen twee soevereine staten op basis van een (daartoe) gesloten verdrag. Het vertrouwensbeginsel dient naar het oordeel van de rechtbank echter eveneens toepassing te vinden in relatie tot de samenwerking met het Rwanda-tribunaal en het Joegoslavië-tribunaal. Zowel het Joegoslavië-tribunaal als het Rwanda-tribunaal zijn internationale straftribunalen waaraan Nederland haar samenwerking heeft toegezegd. Door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (verder: EHRM) wordt het rechtsstelsel van het Joegoslavië-tribunaal gekwalificeerd als van een hoogwaardig niveau. In het kader van een klacht inzake schending van het recht op een eerlijk proces (recht op berechting binnen een redelijke termijn en het recht op een onpartijdig en onafhankelijk gerecht), overwoog het EHRM dat het Joegoslavië-tribunaal is:

'an international court which, in view of the content of its Statute and Rules of Procedure, offers all the necessary guarantees including those of impartiality and independence.'

(Beslissing inzake de ontvankelijkheid, Mladen Naletilic tegen Kroatië, 4 mei 2000, appl.nr. 51891/99).

96. Het Joegoslavië-tribunaal en het Rwanda-tribunaal dienen in dit verband op één lijn te worden gesteld gelet op hun overeenkomstige wijze van oprichting en functioneren.

97. De omstandigheid dat in casu het verzoek tot overname niet afkomstig is van een Kamer van Berechting maar van de Aanklager staat niet aan de werking van het vertrouwensbeginsel in de weg. De Aanklager is - net als die van het Joegoslavië-tribunaal - namelijk méér dan een procespartij: hij is een onafhankelijk orgaan van het tribunaal, die de volle en exclusieve verantwoordelijkheid draagt voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten binnen de rechtsmacht van het tribunaal (artikel 15 lid 2 Statuut Rwanda-tribunaal).

98. In het licht van het vertrouwensbeginsel en gelet op de rol van de Aanklager, zal de rechtbank de bevoegdheid van de Aanklager slechts marginaal kunnen toetsen. De inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting hebben de rechtbank geen aanknopingspunten opgeleverd om de door de Aanklager ingeroepen (impliciete) bevoegdheid in twijfel te trekken. Bij dit oordeel heeft de rechtbank ook de omstandigheid betrokken dat de Aanklager uitvoering geeft aan de Completion Strategy, waarin is vermeld dat ook zaken waarin een verdachte nog niet officier in staat van beschuldiging is gesteld ('unindicted cases') overgedragen kunnen worden. Deze gang van zaken is - voor zover de rechtbank kan overzien - internationaal onomstreden.

99. Voorts is van belang dat normaliter de (op verdragen gestoelde) overdracht van strafvervolging plaatsvindt tussen de met vervolging belaste instanties onderling zonder dat van enige rechterlijke toetsing sprake is.

100. Het oordeel van de rechtbank dat het Rwanda-tribunaal voor de uitleg van artikel 4a Sr kan worden beschouwd als een 'vreemde staat', betekent ook dat net als bij een overdrachtsverzoek door een vreemde staat, de vervolgende instantie wordt beschouwd als vertegenwoordiger van die staat. Ook de Aanklager wordt gezien als zodanig. De Aanklager kan derhalve zelfstandig zonder toetsing van een Kamer van Berechting verzoeken tot overname van strafvervolging doen.

Ad II: rechtsgeldig verzoek tot overname

101. De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de Aanklager nog geen daad van vervolging had ingesteld jegens verdachte op het moment dat hij de Nederlandse autoriteiten verzocht om de strafvervolging van verdachte over te nemen. Aangezien de Aanklager geen (feitelijk) strafdossier aan de Nederlandse autoriteiten had over te dragen, kan, aldus de raadsman, van een rechtsgeldig verzoek tot overname geen sprake zijn.

102. De rechtbank stelt vast dat de Aanklager geen eigen onderzoek jegens verdachte had gedaan ten tijde van het verzoek tot overname van strafvervolging. Aldus kon hij geen feitelijk dossier aan de Nederlandse autoriteiten overdragen.

103. Dit staat echter niet aan een rechtsgeldig verzoek tot overname in de weg. Voor een rechtsgeldig verzoek tot overname is (enkel) vereist dat de verzoekende staat - en hier dus het daarmee gelijk te stellen Tribunaal - vervolgingsbevoegd is en dat er sprake is van een concrete verdenking jegens een concrete verdachte. De omstandigheid dat deze concrete verdenking is ontstaan door informatie verkregen uit onderzoek van buitenlandse opsporingsdiensten (in casu: het Nederlandse strafrechtelijke onderzoek), maakt dit niet anders. Aan de voorwaarden voor een rechtsgeldig verzoek tot overname is in de onderhavige zaak dan ook voldaan.

Ad III: rechtsbescherming van verdachte

104. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat verdachte bij de overdracht van de zaak naar Nederland rechtsbescherming is onthouden, omdat de procedure ex artikel 11bis Procedure en bewijsregels niet is gevolgd en de in artikel 552aa, tweede lid, Sv vervatte hoorplicht niet is nageleefd. De officier van justitie zou door haar handelwijze de gerechtvaardigde belangen van de verdachte grovelijk hebben veronachtzaamd.

105. De rechtbank stelt dienaangaande vast dat verdachte niet 'indicted' was en dat derhalve de procedure van artikel 11bis Procedure- en bewijsregels niet kon worden gevolgd. Mitsdien kon verdachte ook niet de door de raadsman genoemde rechtsbescherming krijgen.

106. Verdachte heeft op grond van artikel 552aa, tweede lid, Sv het recht om op het verzoek tot overname van strafvervolging te worden gehoord door de officier van justitie. In de onderhavige zaak is vast komen te staan - wat ook met zoveel woorden door de officier van justitie is erkend - dat verdachte niet is gehoord. De rechtbank is van oordeel dat dit gebrek zou kunnen worden hersteld als verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld om tegenover de officier van justitie de verweren te voeren die hij zou hebben ingebracht als hij wel conform genoemde bepaling zou zijn gehoord, waarna de officier van justitie alsnog een met redenen omkleed advies zou kunnen uitbrengen aan de Ministerie van Justitie.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de strafvervolging van verdachte ter zake van feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 09/750007-07

Deze tussenbeslissing is gewezen door

mrs. Elkerbout, voorzitter,

Veldt-Foglia en Sluiter, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. Van de Vrede en Van der Steen, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juli 2007.