Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0452

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/649 BZM
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2008:BD6990, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is een zogeheten lijnrijder op een bloemenlijn in Duitsland. In het kader van zijn onderneming vervoert eiser bloemen en planten met een vrachtwagen naar Duitsland om de aldaar gevestigde afnemers, bloemenwinkels en groothandels, te bezoeken en te beleveren.

De rechtbank gaat er van uit dat niet de ontbonden BV in bezwaar en beroep is gekomen maar eiser. Voorts oordeelt de rechtbank dat eiser geen BZM verschuldigd is. De term 'uitsluitend bestemd voor het goederenvervoer over de weg' in artikel 3, aanhef en onderdeel a, van de Wet belasting zware motorrijtuigen dient in het licht van het in Richtlijn 1999/62/EG gebezigde begrip 'uitsluitend bestemd voor het goederenvervoer over de weg' te worden uitgelegd. Niet kan worden gezegd dat het onderhavige motorrijtuig uitsluitend is bestemd om regelmatig en duurzaam aan de mededinging op het gebied van het vervoer deel te nemen. Gelet op de kenmerkende eigenschappen van dit motorrijtuig en de ondernemingsactiviteiten van eiser, is dit voertuig naar het oordeel van de rechtbank mede en voor een belangrijk deel bestemd om van daaruit goederen te verkopen. Het standpunt van de Staatssecretaris van Financiën, dat om buiten de heffing te blijven, het goederenvervoer ondergeschikt moet zijn aan het eigenlijke gebruiksdoel (Besluit 19 augustus 1996, VB 95/4190), vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de tekst of bedoeling van de richtlijn.

Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1486
FutD 2007-1352
V-N 2007/53.2.4

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/649 BZM

Uitspraakdatum: 5 juli 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.], wonende te [Z.], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.] verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Eiser heeft op 1 augustus 2005 over het tijdvak 1 augustus 2005 tot en met 21 augustus 2005 € 60 belasting zware motorrijtuigen op aangifte voldaan ter zake van het motorrijtuig met kenteken [kenteken].

1.2. Eiser heeft op 9 augustus 2005 een bezwaarschrift ingediend tegen de in 1.1. genoemde voldoening op aangifte.

1.3. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 december 2005 het bezwaar afgewezen.

1.4. Eiser heeft daartegen bij brief van 10 januari 2006, ontvangen door de rechtbank op 11 januari 2006, beroep ingesteld.

1.5. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eiser heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd. Verweerder heeft niet schriftelijk gedupliceerd. Op verzoek van de rechtbank heeft eiser bij brief van 16 april 2007 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn op 17 april 2007 aan verweerder doorgezonden. Voorts heeft verweerder op verzoek van de rechtbank bij brief van 16 april 2007 een nader stuk ingediend. Dit stuk is op 18 april 2007 aan eiser doorgezonden.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2007. Namens eiser zijn verschenen mr. F. van der Deijl en A.C.M. Engel. Namens verweerder zijn verschenen

[Q.] en [R.]. Met toestemming van eiser is eisers zaak gezamenlijk met de zaken AWB 06/814 BZM, AWB 06/2120 BZM, AWB 06/753 BZM en AWB 06/764 BZM behandeld in welke zaken respectievelijk zijn verschenen C.A. Groenleer FB, mr. E.P.M. Compier FB, A.P. Sieval FB en M.W. Krijger FB. Mr. F. van der Deijl is opgetreden als gezamenlijk woordvoerder van de eisers in de hiervoor genoemde zaken.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser is een zogeheten lijnrijder op een bloemenlijn. De onderneming van eiser werd voorheen gedreven door [X.] Bloemenexport BV (hierna: de BV). Met ingang van 16 september 2002 is de BV ontbonden. Eiser heeft de onderneming van de BV voortgezet onder de naam [X.] Bloemenexport. De onderneming is op de voet van artikel 14c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 door eiser voortgezet met ingang van 1 januari 2002.

2.2. Een bloemenlijn bestaat uit tientallen bloemenwinkels en één of meer groothandels. Eiser exploiteert een groothandel in snijbloemen, planten en aanverwante artikelen in Duitsland. Om de bloemen en planten naar Duitsland over te brengen maakt eiser gebruik van het onderhavige motorrijtuig (hierna: de vrachtwagen). Hiermee worden de goederen naar Duitsland vervoerd en de afnemers bezocht en beleverd (de zogenoemde bloemenlijn). De afnemers plaatsen geen bestellingen bij eiser. Hetgeen zij kopen is afhankelijk van het door eiser aangeboden assortiment. Als hij de door hem ingekochte bloemen niet kan verkopen, levert hij deze bloemen af bij zogeheten 'losmakers' tegen een prijs die onder de inkoopprijs ligt. Eiser beschikt niet over een vergunning voor beroepsgoederenvervoer. Eiser is aangesloten bij de Stichting Inschrijving Eigen Vervoer, welke aan eiser een vergunning voor eigen vervoer heeft afgegeven. De vrachtwagen mag slechts voor eigen vervoer voor bloemen en planten worden gebruikt.

2.3. De klanten van eiser worden in de laadbak van de vrachtwagen uitgenodigd om de aldaar tentoongestelde bloemen en planten te kopen. De vrachtwagen beschikt aan de zijkant over een uitklapbare trap waarmee de klanten de vrachtwagen kunnen betreden. De binnenkant van de vrachtwagen beschikt over een goed verlichte ruimte van waaruit de verkopen plaatsvinden. Het betreft een over de gehele lengte van de laadruimte lopend ruim middenpad. De vrachtwagen is aan de binnenkant voorzien van rails in de wanden. Aan deze rails worden op maat gemaakte rolcontainers verankerd gedurende de reis naar Duitsland, de verkopen en de terugreis. De verankering geschiedt met name in verband met het feit dat er zich een looppad voor afnemers in de vrachtwagen bevindt. De rolcontainers worden uitsluitend uit de wagen verwijderd om te beladen, waarna zij wederom in de wagen worden verankerd. De vrachtwagen heeft een speciale koelinstallatie omdat de ruimte in de vrachtwagen steeds opengaat om bezoek toe te laten. Tenslotte bevat de vrachtwagen een factureringsinrichting. De inrichting van de wagen leidt er toe dat ongeveer een derde gedeelte niet kan worden gebruikt om goederen te vervoeren. Hierdoor heeft de onderhavige vrachtwagen met dezelfde hoeveelheid bloemen een hoger maximum totaalgewicht in beladen toestand dan een vrachtwagen die enkel bloemen transporteert.

3. Ontvankelijkheid in bezwaar en beroep

3.1. De rechtbank gaat er van uit dat, nu de BV met ingang van 16 september 2002 is ontbonden, de op 1 augustus 2005 door verweerder ontvangen betaling is gedaan door de rechtsopvolger van de BV, [X.]. Voorts gaat de rechtbank er van uit dat het op 9 augustus 2005 ingediende bezwaarschrift namens [X.] is ingediend, dat de uitspraak op bezwaar is gedaan ten behoeve van [X.] en dat het beroepschrift hiertegen is ingediend namens [X.]. Eiser is derhalve naar het oordeel van de rechtbank ontvankelijk in zijn bezwaar en beroep.

4. Geschil

4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of eiser met betrekking tot het motorrijtuig met kenteken [kenteken] over het onderhavige tijdvak belasting zware motorrijtuigen is verschuldigd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of dit motorrijtuig in dat tijdvak uitsluitend was bestemd voor goederenvervoer over de weg.

4.2. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggave van de door hem voldane belasting zware motorrijtuigen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.3. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 2 van de Wet belasting zware motorrijtuigen (hierna: de Wet) wordt het gemeenschappelijke gebruiksrecht, bedoeld in het in artikel 1 van het in de Wet genoemde verdrag, in Nederland onder de naam 'belasting zware motorrijtuigen' geheven ter zake van het gebruik van de autosnelweg met een zwaar motorrijtuig. Ingevolge artikel 3, aanhef en onderdeel a, van de Wet wordt onder een zwaar motorrijtuig verstaan: een motorrijtuig als bedoeld in artikel 2, onderdeel f, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, uitsluitend bestemd voor het goederenvervoer over de weg, waarvan de toegestane maximum massa 12 000 kilogram of meer bedraagt dan wel waarvan de toegestane maximum massa vermeerderd met de toegestane maximum massa van het voertuig, niet zijnde een motorrijtuig, dat door dat motorrijtuig wordt voortbewogen, 12 000 kilogram of meer bedraagt.

5.2. De Wet is gebaseerd op Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van 25 oktober 1993, welke is vervangen door Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999. Richtlijn 1999/62/EG (hierna: de richtlijn) is op 20 juli 1999 inwerking getreden. De rechtbank merkt op dat de nationale rechter is gehouden om bij de toepassing van bepalingen van nationaal recht, ongeacht of zij van eerdere of latere datum dan de richtlijn zijn, deze zoveel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de geldende relevante richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 189, derde alinea, EEG-Verdrag (thans artikel 249, lid 3, EG-Verdrag) te voldoen (zie HvJ C-91/92, r.o. 26). De richtlijn geeft de voorwaarden en uitgangspunten waarbinnen de lidstaten hun gebruiksrechten voor bepaalde bedrijfsvoertuigen dienen vorm te geven. De formulering 'uitsluitend bestemd voor het goederenvervoer over de weg' is door de Nederlandse wetgever letterlijk overgenomen uit de begripsbepaling van artikel 2, vierde streepje, van Richtlijn 93/89/EEG. Artikel 2, aanhef en onderdeel d, van Richtlijn 1999/62/EG luidt eensluidend. Uit de Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, kamerstuk 24.070, nr. 3, blz. 20 blijkt dat motorrijtuigen waarmee het goederenvervoer een andere bestemming dient dan het enkele transport van de goederen buiten de heffing blijven. De wetgever heeft niet gedefinieerd wanneer er sprake is van een andere bestemming in de hiervoor bedoelde zin. Nu de wetgever heeft beoogd voor de term ‘uitsluitend bestemd voor het goederenvervoer over de weg’ bij het in de richtlijn gebezigde begrip aan te sluiten dient de vraag of er sprake is van een andere bestemming dan de bestemming goederenvervoer over de weg richtlijnconform te worden beantwoord.

5.3. Zowel Richtlijn 93/89/EEG als Richtlijn 1999/62/EG heeft tot doel concurrentieverstoringen tussen vervoersondernemingen van lidstaten op te heffen door geleidelijke harmonisatie van de heffingsstelsels en de invoering van rechtvaardige mechanismen voor de toerekening aan vervoersondernemers van de infrastructuurkosten. In dit kader worden slechts voertuigen door de heffing getroffen die, gelet op hun kenmerkende eigenschappen, uitsluitend bestemd zijn om regelmatig en duurzaam, en niet slechts af en toe, aan de mededinging op het gebied van het vervoer deel te nemen. Om te bepalen of een motorvoertuig bestemd is voor goederenvervoer over de weg in de zin van artikel 2, van de richtlijn, dient de algemene bestemming van het voertuig in aanmerking te worden genomen, ongeacht het gebruik dat er in een bepaald geval van kan worden gemaakt (zie ook HvJ 28 oktober 1999, C-193/98, r.o. 30, 32, 34 en 38).

5.4. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat het onderhavige motorrijtuig uitsluitend is bestemd om regelmatig en duurzaam aan de mededinging op het gebied van het vervoer deel te nemen. Gelet op de in 2.3. genoemde kenmerkende eigenschappen van de vrachtwagen en de ondernemingsactiviteiten van eiser, is de vrachtwagen naar het oordeel van de rechtbank mede en voor een belangrijk deel bestemd om van daaruit goederen te verkopen. Dat de vrachtwagen volgens verweerder niet voldoet aan de begripsomschrijving van een winkelwagen als neergelegd in artikel 25b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang, nu Wet noch richtlijn aanknopingspunten bieden voor een dergelijke voorwaarde. Het feit dat de bloemen en planten voorafgaand aan de verkoop naar de plaats van verkoop dienen te worden vervoerd doet aan vorenstaand oordeel niet af. Het standpunt van de Staatssecretaris van Financiën, dat om buiten de heffing te blijven, het goederenvervoer ondergeschikt moet zijn aan het eigenlijke gebruiksdoel (Besluit 19 augustus 1996, VB 95/4190), vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de tekst of bedoeling van de richtlijn. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat eiser slechts beschikt over een door de Stichting Inschrijving Eigen Vervoer afgegeven vergunning voor eigen vervoer en niet beschikt over een vergunning voor beroepsgoederenvervoer. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat is gesteld noch gebleken dat eiser gebruik heeft gemaakt dan wel gebruik zou willen maken van een transportondernemer voor het vervoer van zijn handelswaar, maar dit niet heeft gedaan vanwege kostenoverwegingen. De rechtbank acht dit ook niet anderszins aannemelijk, gelet op de aard van de onderneming die eiser drijft. Van concurrentieverstoring tussen vervoersondernemingen kan derhalve in het onderhavige geval geen sprake zijn.

5.5. Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het begrip “uitsluitend” ziet op het goederenvervoer over de weg ter onderscheiding van bijvoorbeeld goederenvervoer over het water. De rechtbank volgt verweerder niet in deze interpretatie nu niet aannemelijk is geworden dat vervoer met een motorrijtuig anders dan over de weg mogelijk is. Het door verweerder genoemde (gedeeltelijke) vervoer van een motorrijtuig op een schip is naar het oordeel van de rechtbank geen goederenvervoer met een motorrijtuig maar vervoer van een motorrijtuig. Een dergelijke interpretatie spoort naar het oordeel van de rechtbank ook niet met de bedoeling van de betreffende heffing zoals omschreven onder 5.3.

5.6. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

6. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding een vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar toe te kennen nu niet is gebleken dat eiser hierom heeft verzocht vóórdat verweerder op het bezwaar had beslist.

7. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- gelast dat verweerder de voldane belasting zware motorrijtuigen ten bedrage van € 60 aan eiser restitueert;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 805, en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht van € 276 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 5 juli 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. K.M. Braun, mr. G.J. Ebbeling, en mr. S.C. Stuldreher in tegenwoordigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.