Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0447

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
277829 - HA ZA 06-3991
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet tegen een dwangbevel wegens verbeurde dwangsommen op grond van een dwangsombeschikking.

Tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor de volledige dwangsom in de gegeven bijzondere omstandigheden onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 387 met annotatie van F.C.M.A. Michiels
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 277829 / HA ZA 06-3991

Vonnis van 13 juni 2007

in de zaak van

de heer [A.] en mevrouw [B.],

beide echtelieden wonende te [woonplaats],

eisers in het verzet tegen dwangbevel,

advocaat en procureur : eerst mr J.E.B. Güth, nu mr M. Hoekman,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon de gemeente Den Haag (dienst DSO),

zetelend te Den Haag,

gedaagde in het verzet tegen dwangbevel,

advocaat en procureur : eerst mr E.J. van Maarseveen, nu mr R.M. Blaauw.

De rechtbank zal de partijen in deze zaak over een verzet tegen een dwangbevel hierna aanduiden als het echtpaar [A.] en de gemeente Den Haag. De rechtbank heeft kennis genomen van alle gedingstukken met producties in het griffiedossier, waaronder ook het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 25 april 2007.

De feiten

1.1 Het echtpaar [A.] is eigenaar van (onder meer) de onroerende zaak (een benedenwoning) aan de [a-straat] te Den Haag. Vanaf 2002 had de heer [A.] de kamers van deze benedenwoning verhuurd, laatstelijk aan drie kamerhuurders: de heer [C.], mevrouw [D.] (deze beide kamerhuurders waren begin 2006 ex-partners van elkaar), en de heer [E.].

1.2 Op 9 maart 2006 heeft de Dienst Stedelijke Ontwikkeling (DSO) van de gemeente Den Haag bij een controle geconstateerd dat er op dit adres sprake was van onzelfstandige bewoning en illegale kamerverhuur, een situatie strijdig met de Huisvestingswet, de Regionale Huisvestingsverordening en de Haagse Leefmilieuverordening. Op dit adres is volgens de gemeente Den Haag slechts bewoning door een "duurzaam gemeenschappelijke huishouding" met huisvestingsvergunning en inschrijving GBA toegestaan.

1.3 Nadat de gemeente Den Haag aan het echtpaar [A.] op 20 maart 2006 een concept-besluit terzake had gezonden, heeft zij aan het echtpaar [A.] met copie aan de huurders op 27 maart 2006 een definitief besluit gezonden. Daarin gelast de gemeente Den Haag het echtpaar [A.] gemotiveerd om (kort gezegd) de illegale situatie vóór de nieuwe controledatum van 22 mei 2006 te doen beëindigen en beëindigd te houden, bij gebreke waarvan het echtpaar [A.] een dwangsom van € 25.000,- zou verbeuren.

1.4 Het echtpaar [A.] heeft vervolgens op 30 maart 2006 schriftelijk de huur aan hun drie kamerhuurders opgezegd per 1 mei 2006 wegens deze eis van de gemeente. Ook mondeling heeft het echtpaar [A.] bij de drie huurders aangedrongen op een vertrek uit de woning vóór de gemeentelijke deadline van 22 mei 2006. Er is onderhandeld over een vertrekpremie en er hebben verhuisbewegingen plaatsgevonden. Voormalig huurder [E.] was op 1 mei 2006 definitief uit de woning vertrokken. Huurders [C.] en [D.] hebben zich verzet tegen de huuropzegging per 1 mei 2006, maar vanaf die datum geen huurpenningen meer aan de heer [A.] betaald. De heer [A.] heeft in reactie daarop op 8 mei 2006 de sloten van de woning vervangen en op 16 mei 2006 bij de politie aangifte gedaan van vernieling van het nieuwe voordeurslot door naar zijn vermoeden [C.] en [D.]. Het echtpaar [A.] heeft geen bezwaarschrift bij de gemeente Den Haag ingediend tegen het besluit met de dwangsombeschikking van 27 maart 2006, laat staan binnen de wettelijke termijn van zes weken.

1.5 Op 22 mei 2006 hebben twee controleurs van DSO van de gemeente Den Haag in de woning van het echtpaar [A.] aan de [a-straat] geconstateerd dat (kort gezegd) de kamer van ex-huurder [E.] leeg was, dat in de kamer van huurster [D.] nog slechts een tweepersoonsmatras met hoeslaken op de grond lag en dat deze kamer voor het overige leeg was, en dat in de kamer van huurder [C.] nog aanwezig waren een éénpersoonsbed (hoogslaper), een stoel, tafel, tv en bank en enige persoonlijke spullen.

1.6 Bij brief van 30 mei 2006 heeft de gemeente Den Haag aan het echtpaar [A.] laten weten dat de dwangsom van € 25.000,- naar haar oordeel was verbeurd en heeft zij een acceptgiro aangekondigd, die is verzonden op 28 juni 2006. Toen het echtpaar [A.] deze acceptgiro niet vóór de vervaldatum van 28 juli 2006 betaalde, heeft de gemeente op 1 september 2006 tevergeefs een korte aanmaning gezonden. Op 26 september 2006 hebben vervolgens B & W van de gemeente Den Haag een dwangbevel uitgevaardigd tegen het echtpaar [A.] van in totaal inclusief rente en invorderingskosten € 26.417,40, met aanzegging dat binnen zes weken na betekening verzet openstaat bij de rechtbank Den Haag. Op 6 oktober 2006 heeft een deurwaarder dit dwangbevel aan het echtpaar [A.] betekend, met bevel tot betaling van inclusief rente en explootkosten € 26.537,47 plus p.m..

1.7 Op 16 oktober 2006 heeft de kantonrechter van deze rechtbank en deze locatie een kort geding vonnis tussen enerzijds [C.] en [D.] en anderzijds de heer [A.] gewezen. Hij wees alle vorderingen in conventie en in reconventie af, en overwoog daartoe onder meer en kort gezegd "dat betwijfeld kan worden of de huuropzegging rechtsgeldig is geschied en (...) of thans nog van bewoning kan worden gesproken" .

1.8 Bij brief van 31 oktober 2006 heeft de advocaat van het echtpaar [A.] aan de gemeente Den Haag schriftelijk verzocht om kort gezegd andere bestuursrechtelijke middelen zoals een (aanzegging van) sluiting van de woning aan te wenden om haar doel te bereiken, omdat het welwillende echtpaar [A.] feitelijk knel zat tussen het civiele huurrecht en de bestuursrechtelijke regelingen inclusief dwangsom. Op dat schriftelijk verzoek heeft de gemeente niet of niet positief gereageerd.

1.9 In december 2006 heeft het echtpaar [A.] aan [C.] en [D.] uiteindelijk een afkoopsom betaald van € 3.000,- ( in mei 2006 vroegen deze huurders nog € 9.000,- ) ter beëindiging van de huurovereenkomsten en de ontruiming van beide kamers. Per 1 februari 2007 verhuurt de heer [A.] de benedenwoning aan (het gezin van) ene heer [F.].

De geschillen en het procesverloop

2.1 Bij dagvaarding van 10 november 2006 tegen de rolzitting van 6 december 2006 heeft het echtpaar [A.] zich “ex artikel 5:33 jo. 5:26 AWB "tegen de tenuitvoerlegging van het onderhavige dwangbevel (zie rov. 1.6) verzet. Gevorderd wordt een verklaring voor recht" dat DSO de opgelegde dwangsom van 25.000,- euro niet kan en mag innen zodat [A.] deze niet hoeft te voldoen” en voorts "DSO te veroordelen in deze een ander bestuursrechtelijk middel aan te wenden opdat [A.] alsdan in staat is de huurovereenkomsten met huurders te beëindigen", met de gebruikelijke nevenvorderingen.

2.2 Bij conclusie van antwoord van 17 januari 2007 heeft de gemeente Den Haag gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze vorderingen van het echtpaar [A.].

2.3 Bij tussenvonnis van 31 januari 2007 is een comparitie van partijen bevolen op 25 april 2007. Ter comparitie zijn de feitelijke en juridische geschilpunten nader besproken en heeft de comparitierechter een schikkingspoging gewaagd. Nadat elke minnelijke regeling aan gemeentezijde uitgesloten bleek te zijn, heeft de comparitierechter vonnis bepaald.

2.4 Voor een gedetailleerde weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank kortheidshalve naar de wederzijdse gedingstukken met producties en naar het proces-verbaal van de comparitie van 25 april 2007.

De beoordeling

3.1 Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat het echtpaar [A.] in zoverre in het verzet kan worden ontvangen.

3.2 Het onderhavige geschil betreft een verzet tegen een dwangbevel wegens verbeurde dwangsommen op grond van een dwangsombeschikking. De rechtbank stelt voorop dat de gemeentelijke dwangsombeschikking van € 25.000,- van 27 maart 2006 onherroepelijk is geworden, doordat het echtpaar [A.] daartegen niet binnen zes weken een bestuursrechtelijk rechtsmiddel heeft aangewend. Gelet op het beginsel van de formele rechtskracht hebben in deze civiele procedure vorderingen die strekken tot buiten effect stellen van het dwangbevel wegens inhoudelijke bezwaren tegen die dwangsombeschikking of vorderingen die strekken tot matiging van de opgelegde dwangsom niet of nauwelijks kans van slagen. De begrijpelijke redenen die het echtpaar [A.] ertoe hebben gebracht geen of niet tijdig een bezwaarschrift in te dienen, behoren voor hun risico en rekening te blijven.

3.3 Ook merkt de gemeente Den Haag naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat de gevorderde veroordeling om kort gezegd een ander bestuursrechtelijk middel aan te wenden moet worden afgewezen. Het echtpaar [A.] heeft daarbij immers geen belang meer, nu inmiddels de drie kamerhuurders de woning hebben verlaten en de drie huurovereenkomsten met wederzijds goedvinden zijn beëindigd. Ook staat die tweede hoofdvordering ter beoordeling aan de bestuursrechter en niet aan de civiele rechter.

3.4 Toch is de comparitierechter van oordeel dat tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor de volledige dwangsom in de gegeven bijzondere omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en/of misbruik van recht door de gemeente Den Haag oplevert, mede gelet op het bepaalde in art. 5:34 lid 1 Awb. Daartoe is het volgende redengevend.

3.5 Enerzijds is daar het in rov. 3.2 vooropgestelde beginsel van de formele rechtskracht. Ook pleit voor het standpunt van de gemeente Den Haag dat de illegale kamerverhuur en de onzelfstandige bewoning op de controledatum 22 mei 2006 op het adres [a-straat] niet geheel was opgeheven. Gemeentelijk beleid bleek ter comparitie dat op een eerste overtreding van soortgelijke aard een dwangsom van € 12.500,- wordt gesteld en op een tweede overtreding een dwangsom van € 25.000,-. Deze forse bedragen en bij overtreding ook inning daarvan zijn kennelijk nodig om de handhaving van deze bestuursrechtelijke regels af te dwingen. Ook komt voor risico en rekening van de semi-professionele verhuurders [A.] (- het echtpaar [A.] bezit naar eigen zeggen ter comparitie vijf van dit soort beleggingspandjes bij wijze van bijverdienste -) dat zij bij het sluiten van deze drie overeenkomsten van kamerverhuur kennelijk niet goed op de hoogte waren van deze bestuursrechtelijke regels, waardoor zij in de woorden van hun advocaat "knel kwamen te zitten tussen de civielrechtelijke en de bestuursrechtelijke regels". In november 2005 had de gemeente Den Haag aan het echtpaar [A.] al een eerste dwangsom aangekondigd van € 12.500,- voor illegale kamerverhuur en onzelfstandige bewoning op het adres [b-straat] te Den Haag.

3.6 Anderzijds concludeert de rechtbank dat het echtpaar [A.] na 20 maart 2006 niet stil heeft gezeten en welbeschouwd bijna al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om vóór 22 mei 2006 alsnog aan de bestuursrechtelijke eisen van de gemeente te voldoen ter voorkoming van verbeurte van een dwangsom van maar liefst € 25.000,-. De rechtbank verwijst daartoe kortheidshalve naar de in de rovv. 1.4 en 1.5 vastgestelde feiten. Van de drie kamerhuurders was er op 22 maart 2006 één definitief uit de woning vertrokken en twee niet geheel, maar feitelijk wel grotendeels. Anders dan de gemeente ter comparitie aanvoerde, blijkt uit de dwangsombeschikking van 27 maart 2006 (blz. 3, onderste alinea) ook dat de heer [A.] al op 23 maart 2006 aan de gemeente om verlenging van de korte termijn tot 22 mei 2006 heeft gevraagd om aan de eisen van de gemeente te kunnen voldoen, maar dat de gemeente hem geen enkel uitstel wenste toe te staan. De dwangsom van € 12.500,- voor het andere adres [b-straat] heeft het echtpaar [A.] nooit verbeurd, omdat die illegale kamerhuurders wel op tijd uit die woning waren vertrokken. Het echtpaar [A.] is dus te beschouwen als “first offenders” op het adres [a-straat].

3.7 Uiteindelijk in december 2006 heeft het echtpaar [A.] - tegen betaling van een afkoopsom en zonder ontvangst van huurpenningen voor de tussenliggende periode - weten te bewerkstelligen dat de kamerhuurders [D.] en [C.] hun huurrechten hebben prijsgegeven. Daarmee is alsnog het door de gemeente Den Haag met de dwangsombeschikking beoogde doel bereikt, temeer nu ter comparitie bleek dat de onderhavige woning (evenals naar eigen zeggen van het echtpaar [A.] ook hun overige vier beleggingspandjes) per 1 februari 2007 zoals de gemeente voorschrijft aan een gezin wordt verhuurd, althans door het gezin van de nieuwe huurder [F.] wordt bewoond. Zowel naar de tekst als de strekking van de dwangsombeschikking zou volledige tenuitvoerlegging van het dwangbevel onder deze omstandigheden nu in juni 2007 niet meer het doel dienen, waarvoor het besluit met dwangsombeschikking in maart 2006 is genomen.

3.8 Onder deze bijzondere omstandigheden van het geval is de comparitierechter van oordeel dat dit dwangbevel strekkende tot incassering van deze dwangsombeschikking van € 25.000,- plus rente en kosten op de voet van de wetsartikelen 5:34 Awb, 5:26 Awb, 3:12 BW, 3:13 BW, 6:2 BW en 438 Rv buiten effect moet worden gesteld. In plaats daarvan heeft het echtpaar [A.] aan de gemeente Den Haag naar zijn oordeel onder deze bijzondere omstandigheden in redelijkheid een dwangsom verbeurd van € 12.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juli 2006 (de vervaldatum van de acceptgiro van de gemeente Den Haag) en met de kosten van het exploot van betekening van 6 oktober 2006 van € 81,71 inclusief BTW.

3.9 Om redenen van proceseconomie en om partijen verdere kosten te besparen, zal de rechtbank dit voorgaand oordeel in het dictum van dit vonnis opnemen en de desbetreffende eerste hoofdvordering van de advocaat van het echtpaar [A.] aldus mede lezen en begrijpen, nu een en ander met de gemeente ter comparitie ook is besproken. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen compenseren, omdat beide partijen op punten van niet ondergeschikte betekenis in het ongelijk zijn gesteld.

De beslissingen

De rechtbank:

4.1 veroordeelt het echtpaar [A.] terzake van verbeurde dwangsom aan de gemeente Den Haag te betalen een bedrag van € 12.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juli 2006 tot de dag der algehele voldoening en met € 81,71 aan kosten van het exploot van betekening dwangbevel.

4.2 compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten van deze verzetprocedure draagt.

4.3 wijst af het door het echtpaar [A.] meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2007 in het bijzijn van de griffier.?