Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0442

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
25-07-2007
Zaaknummer
AWB 06/4108 VPB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting, beroep betreffende de aanslag Vpb moet tevens worden aangemerkt als een ontvankelijk bezwaar tegen de in de uitspraak op bezwaar aangekondigde navorderingsaanslag Vpb, vormen voorziening voor- of afwaarderen van vordering op directeur/enig aandeelhouder niet mogelijk in verband met de vermogenspositie directeur/enig aandeelhouder, eiseres heeft voldoende vermogen om een winstuitdeling te doen waarmee de vordering kan worden afgelost of verrekend, continuïteit onderneming is voor vermogenspositie directeur/enig aandeelhouder niet relevant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1442
FutD 2007-1443
V-N 2007/53.2.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht,

Enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/4108 VPB

Uitspraakdatum: 25 juli 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X] BV, gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 16 maart 2006 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres voor het jaar 2003 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting naar een belastbaar bedrag van € 100.000 (aanslagnummer [nummer]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2007.

Namens eiseres is daar verschenen [A]. Namens verweerder is verschenen mr. [B].

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Eiseres heeft een lening verstrekt aan de directeur/enig aandeelhouder. Het geleende bedrag bedroeg op 1 januari 2003 € 228.383 en op 31 december 2003 € 232.952. Daarnaast is in het jaar 2003 een vordering in rekening-courant op de directeur/enig aandeelhouder ontstaan van € 59.424 op 31 december 2003.

2.2. Eiseres heeft op 3 juni 2005 aangifte vennootschapsbelasting 2003 gedaan naar een belastbaar bedrag van € 36.420. Bij de berekening van het belastbaar bedrag heeft eiseres in de aangifte rekening gehouden met een 'Voorziening voor geleden schade DGA' ten bedrage van € 289.000.

2.3. Aan eiseres is met dagtekening 25 juni 2005 ambsthalve aanslag vennootschapsbelasting 2003 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 100.000. De ambtshalve aanslag is aangemaakt voordat de eiseres aangifte heeft gedaan en verweerder kon de automatische verzending van de ambtshalve aanslag na ontvangst van de aangifte niet meer tegenhouden. De gedane aangifte werd door verweerder aangemerkt als bezwaar tegen de ambtshalve aanslag. Op 16 maart 2006 heeft verweerder uitspraak op bezwaar tegen de ambtshalve aanslag gedaan, waarbij de aanslag is gehandhaafd, omdat de 'Voorziening voor geleden schade DGA' ten onrechte is gevormd. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder een navorderingsaanslag aangekondigd.

2.4. Eiseres heeft tegen die uitspraak beroep bij de rechtbank ingesteld dat op 26 april 2006 bij de rechtbank is ontvangen. Materieel is dat beroep gericht tegen de correctie van de 'Voorziening voor geleden schade DGA' van € 289.000 ter zake waarvan aan eiseres met dagtekening 15 april 2006 tevens een navorderingsaanslag naar een belastbaar bedrag van

€ 325.420 is opgelegd. De rechtbank ziet het tegen de uitspraak op bezwaar ingediende beroep tevens als een ontvankelijk bezwaar tegen de opgelegde navorderingsaanslag. Verweerder heeft ter zitting toegezegd dat de opgelegde navorderingsaanslag de beslissing van de rechtbank op het beroep tegen de ambthalve aanslag zal volgen.

2.5. In geschil is of verweerder terecht de 'Voorziening voor geleden schade DGA' van € 289.000 heeft gecorrigeerd.

2.6. Eiseres voert aan dat de voorziening is getroffen voor een mogelijk niet terug te betalen bedrag van de vorderingen van eiseres op de directeur/enig aandeelhouder. Eiseres bepleit dat ze gelijk dient te worden behandeld als andere grote ondernemingen, zoals bijvoorbeeld Aegon, KPN en banken, die ter zake van niet inbare vorderingen, afwaardering van activa en dergelijke voorzieningen mogen treffen. Tenslotte beroept eiseres zich op het vertrouwensbeginsel. De voorziening is sinds haar ontstaan in het jaar 2001 door verweerder geaccepteerd.

2.7. Verweerder bestrijdt dat de directeur/enig aandeelhouder zijn vorderingen bij eiser niet terug zou kunnen betalen. Eiser heeft voldoende middelen om aan directeur/enig aandeelhouder een dividenduitkering te kunnen doen toekomen, waarmee de directeur/enig aandeelhouder zijn leningen bij eiseres zou kunnen aflossen. De gehele vermogenspositie van de directeur/enig aandeelhouder geeft overigens geen aanleiding voor vormen van een voorziening. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel kan volgens verweerder niet slagen, omdat er geen sprake is van gelijke gevallen. Verweerder bepleit ook dat bij eiseres geen in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de gevormde voorziening in stand kon blijven.

2.8. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 374, tweede lid, Boek 2, BW wordt waardevermindering van een actief niet door vorming van een voorziening tot uitdrukking gebracht. Dit geldt ook voor vorderingen als vermeld in 2.1.

2.9. Uit de jurisprudentie blijkt bovendien dat voorzieningen slechts kunnen worden gevormd ter zake van toekomstige verplichtingen of kosten waaromtrent reeds in het lopende jaar een bedrag ten laste van de winst wordt gebracht omdat de huidige bedrijfsvoering die toekomstige uitgave oproept. Uit het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 1986, nr. 23 312, BNB 1986/245 blijkt tevens dat er voor het vormen van een voorziening vereist is dat op de balansdatum een rechtsverhouding bestaat waaruit de (toekomstige) kosten kunnen voortvloeien. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de door eiseres gevormde voorziening niet aan deze voorwaarden. De gevormde voorziening betreft geen (toekomstige) kosten of verplichtingen waaromtrent reeds in het jaar 2003 een bedrag ten laste van de winst wordt gebracht omdat de huidige bedrijfvoering die toekomstige uitgave oproept, maar (eventuele) waardevermindering van de vorderingen op de directeur/enig aandeelhouder. Als gevolg daarvan kan er ook geen sprake zijn van een op de balansdatum bestaande rechtsverhouding waaruit de (toekomstige) kosten zouden kunnen voorvloeien.

2.10. Voor zover eiseres beoogt te stellen dat de voorziening moet worden beschouwd als een correctie op de balanswaardering van de in 2.1. vermelde vorderingen overweegt de rechtbank het volgende.

2.11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat goed koopmansgebruik tot afwaardering ten bedrage van € 289.000 van de vorderingen op de directeur/enig aandeelhouder noopt. Eiseres heeft gesteld dat de directeur/enig aandeelhouder vanwege een groot verlies in aandelen niet in staat zou zijn de lening bij eiseres af te lossen, maar heeft die stelling niet aannemelijk gemaakt. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de directeur/enig aandeelhouder zou kunnen beslissen dat eiseres hem een dividenduitkering doet toekomen, waarmee de directeur/enig aandeelhouder zijn lening zou kunnen aflossen. Dat die uitkering de continuïteit van de onderneming mogelijk in gevaar zou kunnen brengen is niet van belang voor het oordeel over de vermogenspositie van de directeur/enig aandeelhouder. De rechtbank overweegt voorts dat eiseres de vordering, in plaats van afwaardering die als laatste correctiemogelijkheid gezien moet worden, ook gedeeltelijk zou kunnen verrekenen met de lijfrenteverplichting en de pensioenverplichting die zij ten aanzien van de directeur/enig aandeelhouder heeft.

2.12. Aan het oordeel van de rechtbank dat de vermogenspositie van de directeur/enig aandeelhouder geen aanleiding geeft voor afwaardering van de vordering doet niet af dat de directeur/enig aandeelhouder zijn salarisuitkering uit de BV aanzienlijk heeft verlaagd. De totale vermogenspositie van de directeur/enig aandeelhouder wordt hierdoor immers niet aangetast, nu het niet uitgekeerde salaris tot vermogensaangroei bij eiseres - en indirect bij de directeur/enig aandeelhouder - leidt.

2.13. Tenslotte overweegt de rechtbank in dit verband dat eiseres haar eigen stelling dat zij niet verwacht dat de directeur/enig aandeelhouder de lening terug zal kunnen betalen ontkracht door ook na het vormen van de voorziening aan de directeur/enig aandeelhouder geld te blijven lenen. Het wederom verstrekken van gelden wijst erop dat eiseres voldoende vertrouwen heeft in de terugbetalingcapaciteit van de directeur/enig aandeelhouder. Als dat vertrouwen zou ontbreken, dan zou er immers geen sprake zijn van een lening, maar van een (belastbare) winstuitkering.

2.14. Met betrekking tot het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat dit beroep faalt, omdat uit hetgeen door eiseres is gesteld niet aannemelijk is geworden dat door verweerder jegens één of meer belanghebbenden of groepen van belanghebbenden een begunstigend beleid is gevoerd of dat in een meerderheid van de met dit geval vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege zou zijn gebleven.

2.15. Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat er ook geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. Gesteld nog gebleken is dat verweerder bij de vaststelling van het belastbaar bedrag in eerdere jaren een uitdrukkelijk standpunt ten aanzien van de gevormde voorziening heeft ingenomen. Het enkele volgen van de gedane aangifte is daarvoor onvoldoende.

2.16. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat hieruit volgt dat in 2.4. vermelde toezegging van verweerder hem niet noopt tot vermindering van de navorderingsaanslag.

2.17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 25 juli 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J. Bandell-Hauptová, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.